4.4Bewijsoverwegingen
Feit 1: medeplegen van gekwalificeerde doodslag
De rechtbank concludeert dat de verdachte over (het doel van) de afspraak met het slachtoffer [slachtoffer] een andersluidende verklaring naar voren heeft gebracht dan de medeverdachte.
De verdachte heeft verklaard dat hij samen met de medeverdachte éénn kilogram cocaïne wilde kopen van [slachtoffer]. Daartoe is hij samen met de medeverdachte richting de ontmoetingsplek in de [straatnaam 2] in Rijswijk gereden. De verdachte heeft de medeverdachte, die het geld had, bij de [straatnaam 1] in Den Haag laten uitstappen, omdat de medeverdachte wilde plassen en roken. De kentekenplaten van de Citroën C1 zijn door de verdachte verwisseld om “wegtippen” te voorkomen. De verdachte wist niets af van een plan om [slachtoffer] te beroven en evenmin dat de medeverdachte een vuurwapen voorhanden had. De verdachte had pas wetenschap van dat vuurwapen, nadat de medeverdachte de vier schoten bij de plaats-delict had afgevuurd.
De medeverdachte heeft echter verklaard dat hij door de verdachte is benaderd om samen met hem [slachtoffer] te beroven van één kilogram cocaïne. Het gezamenlijk plan was dat de verdachte zou doen alsof hij van niets afwist. De verdachte had het vuurwapen geregeld voor de medeverdachte, dat diende ter dreiging opdat de cocaïne zou worden afgegeven. De medeverdachte had geen geld bij zich en was ook niet van plan om te betalen voor de cocaïne. De medeverdachte heeft zich ter voorbereiding op dit plan omgekleed en zijn de kentekenplaten van de Citroën C1 verwisseld. Verder was er een fatbike klaargezet, als onderdeel van de vluchtroute. De medeverdachte is vlak voor de ontmoeting met [slachtoffer] uit de Citroën C1 gestapt, alwaar hij zich even verderop achter een boom en met zicht op de ontmoetingsplek kon verschuilen. Op het moment dat [slachtoffer] bij de verdachte zou aankomen, zou hij met bivakmuts en onder dreiging van een vuurwapen de cocaïne stelen. De beoogde buit zou 50/50 worden verdeeld.
Vaststellingen door de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 18 april 2025, via Snapchat, een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer] om één kilogram cocaïne van hem te kopen. Uit de berichten blijkt een onderhandeling tussen beiden waarbij ook foto’s van cocaïne worden gedeeld. Blijkens de camerabeelden heeft de verdachte enkele uren voor de bewuste afspraak met [slachtoffer] de medeverdachte opgehaald in een Citroën C1. Zij zijn vervolgens samen, ruim een uur voordat de afspraak plaatsvond, naar het huis van de vriendin van de medeverdachte gereden. Aldaar heeft de medeverdachte zich omgekleed van opvallende lichte kleding naar onopvallende donkere kleding. De verdachten zijn hierna tezamen in de Citroën C1, met originele kentekenplaten, richting de ontmoetingsplek met [slachtoffer] gereden.
Enkele minuten voor de aankomst bij de ontmoetingsplek in de [straatnaam 2] heeft de verdachte, in het bijzijn van de medeverdachte, de kentekenplaten van de Citroën C1 verwisseld met gestolen kentekenplaat. Kort daarna en dichtbij de bewuste ontmoetingsplek is de medeverdachte aan de [straatnaam 1] uitgestapt. Even daarna rijdt een witte Volkswagen Polo de [straatnaam 2] in. In deze auto zat [slachtoffer]. Kort hierna rent de medeverdachte in zwarte, bedekkende kleding richting de Citroën C1 in de [straatnaam 2].
Bij de confrontatie tussen de medeverdachte en [slachtoffer] wordt een eerste schot afgevuurd. [slachtoffer] vlucht weg van de [straatnaam 2] over de [straatnaam 3]. De verdachten rijden in de Citroën C1 en met hoge snelheid achter [slachtoffer] aan, waarbij de verdachte de bestuurder is. De verdachte rijdt hierbij op [slachtoffer] in en gaat rakelings langs hem heen. De Citroën C1 wordt vervolgens vlakbij [slachtoffer] tot stilstand gebracht. De medeverdachte stapt uit en rent met het vuurwapen in zijn hand achter [slachtoffer] aan.
[slachtoffer] laat tijdens zijn vlucht het blok cocaïne vallen dat hij oppakt en waarna hij verder wegrent. De medeverdachte rent achter [slachtoffer] aan, die op een bepaald moment ten val komt. Hierbij ontstaat opnieuw een schermutseling tussen beiden. Uit het dossier blijkt dat hierbij vier keer de trekker is overgehaald. Als gevolg daarvan is [slachtoffer] geraakt door twee kogels. De medeverdachte pakt het blok cocaïne op en keert daarmee rennend terug naar de Citroën C1. De verdachte staat op hem te wachten. De verdachten rijden dan samen met hoge snelheid weg. Blijkens de beelden wordt de medeverdachte even later door de verdachte afgezet, waarna hij op een fatbike en met een zwarte rugtas zijn weg vervolgt.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank past de verklaring van de medeverdachte, in tegenstelling tot die van de verdachte, bij de feiten en omstandigheden zoals hierboven beschreven. De verklaring van de verdachte dat hij de medeverdachte nabij de [straatnaam 2] liet uitstappen omdat hij wilde plassen en roken komt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig voor. De medeverdachte zou dan immers het geld hebben, een cruciaal element in een gestelde koop, zodat de verdachte zonder geld naar de koopafspraak met [slachtoffer] zou gaan. Een contra-indicatie daarnaast is dat de verdachte, terwijl hij in de [straatnaam 2] met de medeverdachte en een vuurwapen wordt geconfronteerd, alsnog besluit om samen met hem achter [slachtoffer] aan te gaan en vervolgens op hem staat te wachten, ook nadat meerdere keren geschoten is. De verklaring van de verdachte wordt dan ook als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte bewust en nauw met de medeverdachte heeft samengewerkt met het doel om [slachtoffer] van de cocaïne te beroven. De verdachte heeft hiertoe een koopafspraak met [slachtoffer] gemaakt. Hierna zijn meerdere voorzorgsmaatregelen getroffen, zoals verwisselde kentekenplaten, bedekkende kleding van de medeverdachte en een van tevoren klaargezette fatbike. Deze maatregelen passen bij een gezamenlijk plan om [slachtoffer] te beroven. Zij hebben immers tot doel het traceren te bemoeilijken en daarmee de kans op represailles te verminderen. De verdachte heeft ook een significante bijdrage geleverd door de ontmoeting met [slachtoffer] en het vuurwapen te regelen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte wetenschap had van (de werking van) dat vuurwapen. De rechtbank neemt daartoe verder in aanmerking dat bij de [straatnaam 2] een eerste schot door de medeverdachte is afgevuurd en dat hij daarna met dat wapen bij de verdachte is ingestapt. De verdachte wist dan ook dat het vuurwapen geladen en geschikt was.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte ook (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Bij de ontmoetingsplek met [slachtoffer], in de [straatnaam 2], is na een schermutseling door de medeverdachte het eerste schot met het vuurwapen afgevuurd. [slachtoffer] is hierop, met de cocaïne nog op zak, weggerend. De medeverdachte is hierna bij de verdachte ingestapt. De verdachte heeft het besluit genomen om met hoge snelheid achter [slachtoffer] aan te gaan, wetende dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had dat bovendien geladen en geschikt was. De rechtbank is van oordeel dat de kans reëel en niet onwaarschijnlijk was dat daarmee daadwerkelijk geschoten zou worden, nu de medeverdachte daarmee al een schot had afgevuurd. Ook was kenbaar dat [slachtoffer] niet zonder meer de cocaïne zou afstaan, gelet op de eerdere confrontatie tussen [slachtoffer] en de medeverdachte in de [straatnaam 2].
Naar het oordeel van de rechtbank bestond in de gegeven omstandigheden een aanmerkelijke kans dat de medeverdachte het vuurwapen opnieuw zou gebruiken en dat [slachtoffer] dat met zijn leven zou moeten bekopen. De verdachte moet zich naar algemene ervaringsregels bewust zijn geweest van die aanmerkelijke kans. Door niettemin samen met de medeverdachte met hoge snelheid en gericht achter [slachtoffer] aan te rijden, de medeverdachte dichtbij [slachtoffer] af te zetten wetende van het vuurwapen en bovendien de plaats delict direct te verlaten na de afgevuurde schoten, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de medeverdachte (opnieuw) het vuurwapen zou gebruiken en dat [slachtoffer] dat met zijn leven zou moeten bekopen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft gepleegd.
Feit 2: poging tot doodslag
De rechtbank stelt vast dat de verdachte, als bestuurder van de Citroën C1, met hoge snelheid en doelbewust achter [slachtoffer] is aangereden. Gebleken is immers dat de Citroën C1, rijdend met hoge snelheid tijdens de achtervolging van [slachtoffer], op enig moment een bocht afsnijdt en daarbij op [slachtoffer] afrijdt. Hierbij rijdt de Citroën C1 rakelings langs hem. [slachtoffer] ontsnapt aan een aanrijding, omdat hij op het laatste moment een draaislag maakt en omkeert richting de stoep. Daardoor onttrekt hij zich – net op tijd – aan de naderende Citroën C1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij, als bestuurder van de Citroën C1, [slachtoffer] zou aanrijden waarbij een reële en niet onwaarschijnlijke kans bestond dat [slachtoffer] daarbij om het leven zou komen. De Citroën C1 reed immers met een hoge snelheid op [slachtoffer] in, terwijl hij met zijn rug naar de Citroën C1 toe stond. [slachtoffer] had zich bovendien niet kunnen weren of opvangen. De verdachte moet zich van de aanmerkelijke kans bewust zijn geweest, nu hij zelf achter het stuur zat en met hoge snelheid gericht op [slachtoffer] inreed. Het handelen van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm dan ook zozeer gericht op een forse aanrijding met [slachtoffer], dat hij, nu geen contra-indicaties zijn gebleken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] dat met zijn leven zou moeten bekopen.