Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
09/120870-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gekwalificeerde doodslag en poging tot doodslag met drugsroof

Op 18 april 2025 vond in Den Haag een ripdeal plaats waarbij het slachtoffer, een 21-jarige man, werd doodgeschoten door de medeverdachte. De verdachte had samen met de medeverdachte een plan om de cocaïne van het slachtoffer te stelen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust en nauw samenwerkte met de medeverdachte, wetenschap had van het vuurwapen en (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer.

Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd het slachtoffer met hoge snelheid aan te rijden, wat de rechtbank kwalificeerde als poging tot doodslag. De rechtbank verwierp het verweer van de verdachte dat hij niets wist van het vuurwapen en het plan. De feiten werden bewezen verklaard op basis van onder meer camerabeelden, Snapchat-berichten en getuigenverklaringen.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaar, met aftrek van voorarrest. De vorderingen tot schadevergoeding van de ouders van het slachtoffer werden toegewezen, inclusief affectieschade en materiële schade. De vorderingen van het broertje en zusje werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van uitzonderlijke omstandigheden. De Citroën C1, gebruikt bij het misdrijf, werd verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag en poging tot doodslag; schadevergoeding aan ouders slachtoffer toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/120870-25
Datum uitspraak: 22 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. Huisman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. Heemskerk naar voren is gebracht.
De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafgeding gevoegd:
- [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4], wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders, allen bijgestaan door mr. S.C. van Bunnik, advocaat.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen, de toelichting daarop ter terechtzitting en van het spreekrecht dat is uitgeoefend.

2.Inleiding

Op vrijdagavond 18 april 2025, even voor 20.00 uur, ontving de politie een melding van een schietincident aan de [straatnaam 1] in Den Haag waarbij een man gewond zou zijn geraakt. Het slachtoffer bleek [slachtoffer] te zijn. Hij had meerdere schotwonden en is later in het Westeinde ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. [slachtoffer] is slechts 21 jaar oud geworden. Na onderzoek van de politie kwamen twee personen als verdachten van het schietincident in beeld. Een van deze personen was de verdachte.

3.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.
Kort en zakelijk weergegeven wordt de verdachte ervan verdacht dat hij op 18 april 2025:
  • samen met een ander tijdens het plegen van een diefstal [slachtoffer] van het leven heeft beroofd waarbij de medeverdachte met een vuurwapen [slachtoffer] heeft beschoten, dan wel dat hij deze diefstal met geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer];
  • geprobeerd heeft om [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel aan hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem aan te rijden.

4.De bewijsbeslissing

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu hij, kort gezegd, geen wetenschap had van het vuurwapen van de medeverdachte en evenmin op de hoogte was van een (vooropgezette) ripdeal.
Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde is bepleit dat dit niet kan worden bewezen, omdat het niet de intentie van de verdachte is geweest om het slachtoffer te raken en, als er al sprake is geweest van een zachte tik door de Citroën C1 waarin de verdachte reed, dan kan niet worden bewezen dat bij het slachtoffer dodelijk letsel had kunnen ontstaan.
4.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in bijlage 2 opgenomen.
4.4
Bewijsoverwegingen
Feit 1: medeplegen van gekwalificeerde doodslag
De rechtbank concludeert dat de verdachte over (het doel van) de afspraak met het slachtoffer [slachtoffer] een andersluidende verklaring naar voren heeft gebracht dan de medeverdachte.
De verdachte heeft verklaard dat hij samen met de medeverdachte éénn kilogram cocaïne wilde kopen van [slachtoffer]. Daartoe is hij samen met de medeverdachte richting de ontmoetingsplek in de [straatnaam 2] in Rijswijk gereden. De verdachte heeft de medeverdachte, die het geld had, bij de [straatnaam 1] in Den Haag laten uitstappen, omdat de medeverdachte wilde plassen en roken. De kentekenplaten van de Citroën C1 zijn door de verdachte verwisseld om “wegtippen” te voorkomen. De verdachte wist niets af van een plan om [slachtoffer] te beroven en evenmin dat de medeverdachte een vuurwapen voorhanden had. De verdachte had pas wetenschap van dat vuurwapen, nadat de medeverdachte de vier schoten bij de plaats-delict had afgevuurd.
De medeverdachte heeft echter verklaard dat hij door de verdachte is benaderd om samen met hem [slachtoffer] te beroven van één kilogram cocaïne. Het gezamenlijk plan was dat de verdachte zou doen alsof hij van niets afwist. De verdachte had het vuurwapen geregeld voor de medeverdachte, dat diende ter dreiging opdat de cocaïne zou worden afgegeven. De medeverdachte had geen geld bij zich en was ook niet van plan om te betalen voor de cocaïne. De medeverdachte heeft zich ter voorbereiding op dit plan omgekleed en zijn de kentekenplaten van de Citroën C1 verwisseld. Verder was er een fatbike klaargezet, als onderdeel van de vluchtroute. De medeverdachte is vlak voor de ontmoeting met [slachtoffer] uit de Citroën C1 gestapt, alwaar hij zich even verderop achter een boom en met zicht op de ontmoetingsplek kon verschuilen. Op het moment dat [slachtoffer] bij de verdachte zou aankomen, zou hij met bivakmuts en onder dreiging van een vuurwapen de cocaïne stelen. De beoogde buit zou 50/50 worden verdeeld.
Vaststellingen door de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 18 april 2025, via Snapchat, een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer] om één kilogram cocaïne van hem te kopen. Uit de berichten blijkt een onderhandeling tussen beiden waarbij ook foto’s van cocaïne worden gedeeld. Blijkens de camerabeelden heeft de verdachte enkele uren voor de bewuste afspraak met [slachtoffer] de medeverdachte opgehaald in een Citroën C1. Zij zijn vervolgens samen, ruim een uur voordat de afspraak plaatsvond, naar het huis van de vriendin van de medeverdachte gereden. Aldaar heeft de medeverdachte zich omgekleed van opvallende lichte kleding naar onopvallende donkere kleding. De verdachten zijn hierna tezamen in de Citroën C1, met originele kentekenplaten, richting de ontmoetingsplek met [slachtoffer] gereden.
Enkele minuten voor de aankomst bij de ontmoetingsplek in de [straatnaam 2] heeft de verdachte, in het bijzijn van de medeverdachte, de kentekenplaten van de Citroën C1 verwisseld met gestolen kentekenplaat. Kort daarna en dichtbij de bewuste ontmoetingsplek is de medeverdachte aan de [straatnaam 1] uitgestapt. Even daarna rijdt een witte Volkswagen Polo de [straatnaam 2] in. In deze auto zat [slachtoffer]. Kort hierna rent de medeverdachte in zwarte, bedekkende kleding richting de Citroën C1 in de [straatnaam 2].
Bij de confrontatie tussen de medeverdachte en [slachtoffer] wordt een eerste schot afgevuurd. [slachtoffer] vlucht weg van de [straatnaam 2] over de [straatnaam 3]. De verdachten rijden in de Citroën C1 en met hoge snelheid achter [slachtoffer] aan, waarbij de verdachte de bestuurder is. De verdachte rijdt hierbij op [slachtoffer] in en gaat rakelings langs hem heen. De Citroën C1 wordt vervolgens vlakbij [slachtoffer] tot stilstand gebracht. De medeverdachte stapt uit en rent met het vuurwapen in zijn hand achter [slachtoffer] aan.
[slachtoffer] laat tijdens zijn vlucht het blok cocaïne vallen dat hij oppakt en waarna hij verder wegrent. De medeverdachte rent achter [slachtoffer] aan, die op een bepaald moment ten val komt. Hierbij ontstaat opnieuw een schermutseling tussen beiden. Uit het dossier blijkt dat hierbij vier keer de trekker is overgehaald. Als gevolg daarvan is [slachtoffer] geraakt door twee kogels. De medeverdachte pakt het blok cocaïne op en keert daarmee rennend terug naar de Citroën C1. De verdachte staat op hem te wachten. De verdachten rijden dan samen met hoge snelheid weg. Blijkens de beelden wordt de medeverdachte even later door de verdachte afgezet, waarna hij op een fatbike en met een zwarte rugtas zijn weg vervolgt.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank past de verklaring van de medeverdachte, in tegenstelling tot die van de verdachte, bij de feiten en omstandigheden zoals hierboven beschreven. De verklaring van de verdachte dat hij de medeverdachte nabij de [straatnaam 2] liet uitstappen omdat hij wilde plassen en roken komt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig voor. De medeverdachte zou dan immers het geld hebben, een cruciaal element in een gestelde koop, zodat de verdachte zonder geld naar de koopafspraak met [slachtoffer] zou gaan. Een contra-indicatie daarnaast is dat de verdachte, terwijl hij in de [straatnaam 2] met de medeverdachte en een vuurwapen wordt geconfronteerd, alsnog besluit om samen met hem achter [slachtoffer] aan te gaan en vervolgens op hem staat te wachten, ook nadat meerdere keren geschoten is. De verklaring van de verdachte wordt dan ook als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte bewust en nauw met de medeverdachte heeft samengewerkt met het doel om [slachtoffer] van de cocaïne te beroven. De verdachte heeft hiertoe een koopafspraak met [slachtoffer] gemaakt. Hierna zijn meerdere voorzorgsmaatregelen getroffen, zoals verwisselde kentekenplaten, bedekkende kleding van de medeverdachte en een van tevoren klaargezette fatbike. Deze maatregelen passen bij een gezamenlijk plan om [slachtoffer] te beroven. Zij hebben immers tot doel het traceren te bemoeilijken en daarmee de kans op represailles te verminderen. De verdachte heeft ook een significante bijdrage geleverd door de ontmoeting met [slachtoffer] en het vuurwapen te regelen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte wetenschap had van (de werking van) dat vuurwapen. De rechtbank neemt daartoe verder in aanmerking dat bij de [straatnaam 2] een eerste schot door de medeverdachte is afgevuurd en dat hij daarna met dat wapen bij de verdachte is ingestapt. De verdachte wist dan ook dat het vuurwapen geladen en geschikt was.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte ook (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Bij de ontmoetingsplek met [slachtoffer], in de [straatnaam 2], is na een schermutseling door de medeverdachte het eerste schot met het vuurwapen afgevuurd. [slachtoffer] is hierop, met de cocaïne nog op zak, weggerend. De medeverdachte is hierna bij de verdachte ingestapt. De verdachte heeft het besluit genomen om met hoge snelheid achter [slachtoffer] aan te gaan, wetende dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had dat bovendien geladen en geschikt was. De rechtbank is van oordeel dat de kans reëel en niet onwaarschijnlijk was dat daarmee daadwerkelijk geschoten zou worden, nu de medeverdachte daarmee al een schot had afgevuurd. Ook was kenbaar dat [slachtoffer] niet zonder meer de cocaïne zou afstaan, gelet op de eerdere confrontatie tussen [slachtoffer] en de medeverdachte in de [straatnaam 2].
Naar het oordeel van de rechtbank bestond in de gegeven omstandigheden een aanmerkelijke kans dat de medeverdachte het vuurwapen opnieuw zou gebruiken en dat [slachtoffer] dat met zijn leven zou moeten bekopen. De verdachte moet zich naar algemene ervaringsregels bewust zijn geweest van die aanmerkelijke kans. Door niettemin samen met de medeverdachte met hoge snelheid en gericht achter [slachtoffer] aan te rijden, de medeverdachte dichtbij [slachtoffer] af te zetten wetende van het vuurwapen en bovendien de plaats delict direct te verlaten na de afgevuurde schoten, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de medeverdachte (opnieuw) het vuurwapen zou gebruiken en dat [slachtoffer] dat met zijn leven zou moeten bekopen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft gepleegd.
Feit 2: poging tot doodslag
De rechtbank stelt vast dat de verdachte, als bestuurder van de Citroën C1, met hoge snelheid en doelbewust achter [slachtoffer] is aangereden. Gebleken is immers dat de Citroën C1, rijdend met hoge snelheid tijdens de achtervolging van [slachtoffer], op enig moment een bocht afsnijdt en daarbij op [slachtoffer] afrijdt. Hierbij rijdt de Citroën C1 rakelings langs hem. [slachtoffer] ontsnapt aan een aanrijding, omdat hij op het laatste moment een draaislag maakt en omkeert richting de stoep. Daardoor onttrekt hij zich – net op tijd – aan de naderende Citroën C1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte een aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij, als bestuurder van de Citroën C1, [slachtoffer] zou aanrijden waarbij een reële en niet onwaarschijnlijke kans bestond dat [slachtoffer] daarbij om het leven zou komen. De Citroën C1 reed immers met een hoge snelheid op [slachtoffer] in, terwijl hij met zijn rug naar de Citroën C1 toe stond. [slachtoffer] had zich bovendien niet kunnen weren of opvangen. De verdachte moet zich van de aanmerkelijke kans bewust zijn geweest, nu hij zelf achter het stuur zat en met hoge snelheid gericht op [slachtoffer] inreed. Het handelen van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm dan ook zozeer gericht op een forse aanrijding met [slachtoffer], dat hij, nu geen contra-indicaties zijn gebleken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] dat met zijn leven zou moeten bekopen.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 18 april 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander
,[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet met een
vuurwapen een aantal kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.
2.
hij op18 april 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een personenauto (Citroën C1)
- met een hoge snelheid achter die [slachtoffer] aan is gereden en is blijven rijden, terwijl die [slachtoffer] wegrende, en
- vervolgens op die [slachtoffer] is afgereden zonder
(voldoende)zijn snelheid te minderen/te remmen, en
- vervolgens heeft geprobeerd op die [slachtoffer] in te rijden, door die auto in de richting van die [slachtoffer] te sturen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafoplegging.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
Op 18 april 2025 heeft de medeverdachte van de verdachte, bij een ripdeal, de 21-jarige [slachtoffer] van het leven beroofd door meerdere keren met een vuurwapen op hem te schieten. De verdachte is hieraan schuldig als medepleger. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] door, vlak voordat hij werd beschoten, met een auto met hoge snelheid op hem in te rijden.
De verdachte had een koopafspraak met [slachtoffer] gemaakt voor één kilogram cocaïne. De verdachte heeft bewust zijn vertrouwensrelatie met hem gebruikt, om [slachtoffer] vervolgens in de val te lokken. De verdachte en de medeverdachte waren immers van plan om [slachtoffer] van de drugs te beroven en hadden hiertoe allerlei voorbereidingen getroffen en zijn daarbij doelgericht en georganiseerd te werk gegaan. Toen tijdens de ontmoeting voor de (schijn)koopafspraak bleek dat [slachtoffer] de cocaïne niet zomaar zou afgeven hebben de verdachte en de medeverdachte het niet hierbij gelaten, maar heeft een confrontatie plaatsgevonden, is de verdachte met hoge snelheid achter [slachtoffer] aangereden en heeft de medeverdachte bij de schermutseling die daarop volgde met het meegebrachte vuurwapen meerdere keren op het lichaam van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is kort hierna in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden.
De verdachte heeft bij dit alles enkel aan zijn eigen geldelijk gewin gedacht en het slachtoffer zijn meest fundamentele bezit, het leven, ontnomen. Dit strafbare feit behoort dan ook tot één van de zwaarste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Daar komt bij dat dit heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag in een woonomgeving waarbij toevallige voorbijgangers en aanwezigen getuigen waren van het schietincident. Dit leidt dan ook zonder meer leidt tot een ernstig geschokte samenleving. Dat de rechtbank dit de verdachte zwaar aanrekent, behoeft dan ook geen betoog.
De dood van [slachtoffer] laat diepe sporen na in het leven van de nabestaanden, alsook in die van anderen in zijn nabijheid. Uit het op de terechtzitting uitgeoefende spreekrecht blijkt ook sterk de impact hiervan. De ouders van [slachtoffer] zullen hun zoon moeten blijven missen. Hen is het geluk ontnomen om de ontplooiing van zijn verdere leven mee te maken. Ook het minderjarige zusje van het slachtoffer heeft moedig verwoord welk leed en verdriet haar is aangedaan. Voor haar en haar broer geldt eveneens dat hen de kans is ontnomen in hun verdere leven met [slachtoffer] herinneringen te maken.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 november 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte afgelopen 5 jaren vaker is veroordeeld, onder meer in verband met uitingsdelicten, maar niet in verband met soortgelijke delicten.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een zeer langdurige vrijheidsbenemende gevangenisstraf. Het belang daarvan dient in het bijzonder ter vergelding voor het toegebrachte leed aan de nabestaanden en vormt daarnaast een waarschuwing aan de samenleving ter voorkoming van dergelijke ernstige delicten.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank legt aan de verdachte een hogere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij het aandeel van de verdachte in de feitelijke toedracht zwaarder weegt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich de hieronder genoemde personen in het strafproces gevoegd. De benadeelde partijen verzoeken tot hoofdelijke toewijzing van de onderstaande vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde 1] (vader van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, bestaande uit affectieschade.
De benadeelde partij [benadeelde 2] (moeder van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 42.483,84. Dit bedrag bestaat ter hoogte van € 7.483,84, uit materiële schade, welke verband houdt met gemaakte lijkkosten van € 7.383,84 en parkeerkosten van € 100,-. Voor het overige bestaat het gevorderde schadebedrag uit immateriële schade. De immateriële schade houdt verband met € 20.000,- aan affectieschade en € 15.000,- aan schokschade.
De benadeelde partij [benadeelde 3] (broertje van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, bestaande uit affectieschade.
De benadeelde partij [benadeelde 4] (zusje van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, bestaande uit affectieschade.
8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk dienen te worden toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de namens de broer en zus gevorderde affectieschade niet ontvankelijk moet worden verklaard.
De verdediging heeft ten aanzien van het overige geen verweer gevoerd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
8.3.1.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, namelijk ander nadeel dan vermogensschade (affectieschade), door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de vordering toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1].
.3.2. Benadeelde partij [benadeelde 2]
De materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de lijk-, parkeer- en reiskosten, is door of namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezen verklaarde feit, ter grootte van het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. De rechtbank zal daarom het in dit verband gevorderde deel van de vordering toewijzen.
De schokschade
De benadeelde partij heeft daarnaast € 15.000,- aan shockschade gevorderd.
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.
Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. (Vgl. ECLI:NL:HR:2022:958).
De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband tussen de (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit en het ontstane geestelijk letsel (PTSS). Het dossier bevat weliswaar een door de huisarts opgestelde “probleemlijst”, maar daaruit blijkt niet dat de huisarts, of een ander ter zake deskundige, PTSS als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft vastgesteld. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.
Dit deel van de vordering zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat de benadeelde partij zich hiervoor met een nadere onderbouwing kan wenden tot de burgerlijke rechter.
De affectieschade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108, vierde lid, BW aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, namelijk ander nadeel dan vermogensschade (‘affectieschade’), door het bewezenverklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 27.483,84 bestaande uit € 7.483,84 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiele schade toewijzen met ingang van 18 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.483,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2].
8.3.3.
De benadeelde partijen [benadeelde 3] & [benadeelde 4]
De benadeelde partijen, (broer) [benadeelde 3] en (zusje) [benadeelde 4], wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders, hebben beiden op grond van de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 6:108, vierde 4, onder g, BW, een vergoeding van affectieschade gevorderd ter hoogte van € 17.500,-.
Het vorderen van affectieschade is mede mogelijk voor een beperkte kring van gerechtigden. Het betreft dan partners en kinderen van het slachtoffer, alsmede gevallen waarin sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen het geval zal zijn of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt groot gebracht.
Verder is in artikel 6:108, vierde lid, sub g, BW een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die in uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. Als voorbeeld in de Memorie van Toelichting wordt gegeven broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling tot vergoeding van affectieschade uitgesloten, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven.
Naar het oordeel van de rechtbank is namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals hierboven beschreven. Het gegeven dat [benadeelde 1] (vader van het slachtoffer) veelal werkt in het buitenland, doet aan dat oordeel niet af daarmee niet zonder meer aan de maatstaf van zeer uitzonderlijke omstandigheden is voldaan.
Aan de benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vorderingen, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen kunnen deze vorderingen daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

9.Het in beslag genomen voorwerp

9.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat het voorwerp op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst) zal worden verbeurdverklaard.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de Citroën C1 dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, omdat de auto op de naam van de broer van de verdachte staat en hij niet kon voorzien dat de verdachte met zijn auto een strafbaar feit zou begaan.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het op de beslaglijst genoemde voorwerp verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien uit het procesdossier blijkt dat de verdachte de feitelijke gebruiker is van dit voorwerp, dat dit derhalve aan hem toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp de bewezen verklaarde feiten zijn begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken/het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
ten aanzien van feit 2:
poging tot doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor
de duur van 14 (VEERTIEN) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
Ten aanzien van feit 1:
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 20.000,-, aan: [benadeelde 1] vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1];
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
Ten aanzien van feit 1:
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen een bedrag van € 27.483,84, aan: [benadeelde 2] vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.483,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van: [benadeelde 2];
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 150 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
het in beslag genomen goed
verklaart verbeurd het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten:
- 1 STK Personenauto (Omschrijving: Bouwjaar 2008, Zwart, merk: Citroën)
[kenteken].
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M Waasdorp, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 18 april 2025 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet met een
vuurwapen een (aantal) kogel(s) in/door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,
welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van
enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld (in vereniging), en welke
doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te
bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van
het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 april 2025 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een hoeveelheid cocaïne, in elk geval enig goed,
die/dat geheel of ten dele aan [slachtoffer], althans aan een ander of anderen dan
aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [slachtoffer],
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere
deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van
het gestolene te verzekeren,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit:
- het rennen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer], en/of
- het (dreigend) tonen en/of richten van een vuurwapen aan/op die [slachtoffer],
en/of
- het (met hoge snelheid) met een personenauto (Citroën C1) achtervolgen en/of
trachten aan te rijden van die [slachtoffer], en/of
- het rennen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer], en/of
- het (meermalen) (met kracht) met een vuurwapen, althans met een (hard)
voorwerp, slaan op/tegen het lichaam van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] op de
grond lag, en/of
- het met een vuurwapen schieten van een (aantal) kogel(s) in/door het lichaam van
die [slachtoffer],
terwijl het feit voor die [slachtoffer] de dood ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 18 april 2025 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk
ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het
leven te beroven,
met een personenauto (Citroën C1)
- met een hoge, althans aanzienlijke snelheid achter die [slachtoffer] aan is gereden
en/of is blijven rijden, terwijl die [slachtoffer] wegrende, en/of
- ( vervolgens) op die [slachtoffer] is afgereden zonder (voldoende) zijn snelheid te
minderen/te remmen, en/of
- ( vervolgens) heeft geprobeerd op die [slachtoffer] in te rijden, door die auto in de
richting van die [slachtoffer] te sturen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 april 2025 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk
ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar
lichamelijk letsel toe te brengen,
met een personenauto (Citroën C1)
- met een hoge, althans aanzienlijke snelheid achter die [slachtoffer] aan is gereden
en/of is blijven rijden, terwijl die [slachtoffer] wegrende, en/of
- ( vervolgens) op die [slachtoffer] is afgereden zonder (voldoende) zijn snelheid te
minderen/te remmen, en/of
- ( vervolgens) heeft geprobeerd op die [slachtoffer] in te rijden, door die auto in de
richting van die [slachtoffer] te sturen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.