ECLI:NL:RBDHA:2026:16859

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/694938
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J-A. Seinen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:405 BWArt. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en geschil over kosten technische tekeningen prefab-betonelementen

De zaak betreft een geschil tussen twee bedrijven over de afrekening van kosten voor het maken van technische tekeningen en berekeningen van prefab-betonelementen voor bouwprojecten, met name het Werk Ring Zuid en het Werk Fommestraat.

[partij A], een ingenieursbureau, heeft voor [partij B], een producent van prefab-betonelementen, tekeningen gemaakt op basis van offertes uit 2018 en 2020. Er is discussie over de prijsafspraak, waarbij [partij A] stelt dat een prijs van €250 per element is overeengekomen, terwijl [partij B] een budgetplafond van €116.000 stelt en betwist dat deze prijsafspraak bestaat. [partij B] heeft facturen niet betaald en vordert in reconventie terugbetaling wegens te hoge facturering.

De rechtbank oordeelt dat uit de offerte, correspondentie en gedragingen van partijen blijkt dat een prijs van €250 per element is overeengekomen en dat [partij A] recht heeft op betaling van €163.050 exclusief btw voor 577 elementen en meerwerk. Het beroep op een prijsplafond wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs en onbekendheid van [partij A] met een dergelijk plafond. Ook wordt het beroep op een vaststellingsovereenkomst verworpen. De rechtbank veroordeelt [partij B] tot betaling van de openstaande facturen, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De vordering van [partij B] in reconventie wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [partij B] tot betaling van openstaande facturen met rente en kosten en wijst de vordering tot terugbetaling af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/694938 / HA ZA 25-1039
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[partij A] B.V.te [plaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [partij A]
,
advocaat: mr. R.H. Hulshof te Leeuwarden,
tegen
[partij B] B.V.te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. C.I.M. Molenaar te Volendam,
.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 november 2025, met producties 1 tot en met 31;
- de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie van [partij B] van 7 januari 2026, met producties 32 tot en met 35 (doorgenummerd t.o.v. de dagvaarding);
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie tevens akte vermeerdering van eis in conventie van [partij A] van 18 februari 2026, met producties 32 tot en met 36;
- de akte overlegging producties van [partij B] met producties 36 en 37;
- de nader overgelegde producties 37 tot en met 39 van [partij A] ;
- de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Op 9 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting naar voren is gebracht en is besproken. De zaak is verwezen naar de rol van 22 april 2026, zodat partijen zich nog kunnen uitlaten over het bestaan van destijds vastgestelde notulen van bouwvergaderingen met CHP uit de periode 2018 t/m 2021, waarbij vertegenwoordigers van beide partijen aanwezig waren en waaruit volgt dat is gesproken over een prijsplafond, onder vermelding van: (i) de datum van die vergadering(en), (ii) de daarbij aanwezigen en (iii) wie de notulen heeft opgesteld.
1.3.
Partijen hebben ieder op 22 april 2026 een akte uitlaten ingediend. Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen voor vonnis. De vonnisdatum is nader bepaald op vandaag.

2.De feiten

Gelet op wat er in de processtukken staat en wat er tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De betrokken partijen
2.1.
[partij A] is een raadgevend ingenieursbureau. Zij werkt in opdracht van onder
meer projectontwikkelaars, bouwbedrijven, overheden en de prefab-betonindustrie. Middellijk bestuurder van [partij A] is de heer [naam 1] (‘ [naam 1] ’).
2.2.
[partij B] drijft een onderneming die werkzaam is in die prefab-
betonindustrie. [partij B] vervaardigt producten van beton ten behoeve van de bouwsector,
bijvoorbeeld voor een tunnel of een viaduct, op basis van door een ingenieursbureau (bijvoorbeeld [partij A] ) aangeleverde berekeningen en tekeningen. Middellijk bestuurder van [partij B] is de heer [naam 2] (‘ [naam 2] ’).
Het Werk Ring Zuid
2.3.
[partij A] en [partij B] hebben vanaf 2016 met elkaar samengewerkt op verschillende projecten. Een van deze projecten betrof de herinrichting van de zuidelijke ringweg rond de stad Groningen (‘Werk Ring Zuid’). Hiervoor moesten kunstwerken worden gemaakt. Het Werk Ring Zuid was aangenomen door de Combinatie Herepoort v.o.f. (‘CHP’). CHP heeft [partij B] ingeschakeld voor het produceren en leveren van prefab-betonelementen voor de kunstwerken.
2.4.
Voor het berekenen en tekenen van de elementen van de kunstwerken heeft [partij B] zich gewend tot [partij A] . [partij A] heeft op 31 augustus 2018 per e-mail een eerste offerte voor haar werk (Offerte I’) aan [partij B] verstuurd. In Offerte I stond onder meer:
“Ten tijde van deze prijsaanbieding is enkel het ontwerp van Kunstwerk 06 in ons bezit. Gevraagd is om op basis van dit kunstwerk een aanbieding te doen van alle 14 kunstwerken. Ervan uitgaand dat alle 14 kunstwerken qua uitgangspunten gelijkwaardig zijn en zelfs overlap hebben in vorm en uiterlijk. Op basis van deze informatie kan de engineering van het kunstwerk 06 voor een prijs van€6970,-aangeboden worden en wordt er een totaal prijs van 14 x €6970,- x 70% (30% korting voor overlap en repetitie) = €68306,- voor alle kunstwerken aangeboden.”
2.5.
Op 11 februari 2020 heeft [partij A] per e-mail een herziene offerte voor het werk aan [partij B] toegestuurd (‘Offerte II’). In Offerte II schreef [partij A] :
“(…) Ten tijde van deze prijsaanbieding is enkel het ontwerp van Kunstwerk 06 en een uitwerking van kunstwerk 12 in ons bezit. Gevraagd is om op basis van dit kunstwerk een aanbieding te doen van alle 14 kunstwerken. Ervan uitgaand dat alle 14 kunstwerken qua uitgangspunten gelijkwaardig zijn en zelfs overlap hebben in vorm en uiterlijk. Op basis van deze informatie kan de engineering van het kunstwerk 12 voor een prijs van€13359,-aangeboden worden en wordt er een totaal prijs van 14 x €13359,- x 70% (30% korting voor overlap en repetitie)= €130918,-voor alle kunstwerken aangeboden. (…)
Aangeboden werkzaamheden op basis van KW-12:
1 Tekening prefab onderdelen (dekstenen en wandelementen)
Er worden enkel productietekeningen gemaakt. Op basis van de toegezonden stukken wordt het niet noodzakelijk geacht om een overzichtstekening te maken.
2 Berekening prefab onderdelen (dekstenen en wandelementen)
Uitgangspunt is dat de hoofdwapening al bepaald is. Voor de verschillende onderdelen zullen de ankers t.b.v. ontkisten en transport bepaald worden. Eventuele aanvullende berekeningen worden op basis van onderstaand uurtarief verrekend.
[partij A] heeft het bedrag van € 13.359 in de offerte toegelicht met de volgende urenraming:
Ten slotte sluit Offerte II (evenals eerder Offerte I) af met de volgende tekst:
“Alle tarieven exclusief BTW en verschotten. Alleen de benoemde werkzaamheden worden door [partij A]
uitgevoerd, per fase worden de werkzaamheden éénmalig uitgevoerd. Bij aanvullende zaken en/of wijzigingen gelden onderstaande uurtarieven. [partij A] werkt volgens de laatste versie van de DNR, op verzoek kan een exemplaar worden toegezonden.”
2.6.
De afkorting ‘DNR’ in de offertes van [partij A] staat voor De Nieuwe Regeling 2011 (‘DNR 2011’), een set branchevoorwaarden die de rechtsverhouding tussen opdrachtgevers en architect, ingenieur en adviseurs invullen. Artikel 56 DNR Pro 2011 bepaalt onder meer het volgende:
Art. 56 DNR Pro:
Betaling van advieskosten
(…)
4
De opdrachtgever betaalt het gedeclareerde bedrag, voor zover niet anders is overeengekomen, binnen 30 dagen na de datum van de betreffende declaratie.
(…)
6
Verricht de opdrachtgever de ingevolge de opdracht verschuldigde betaling niet tijdig en is de vertraging niet het gevolg van een aan de adviseur toe te rekenen omstandigheid, dan is de opdrachtgever zonder nadere ingebrekestelling in verzuim en kan de adviseur aanspraak maken op vergoeding van rente tegen het wettelijk rentepercentage, met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste betalingsdag tot en met de dag waarop de opdrachtgever de declaratie heeft voldaan.
7
Vindt de betaling niet plaats binnen één maand na de dag waarop deze uiterlijk had behoren te geschieden, dan kan de adviseur aanspraak maken op vergoeding van rente tegen het wettelijk rentepercentage verhoogd met drie procent met ingang van de dag waarop deze maand is verstreken, een en ander zonder nader herinneringsbericht of aanmaning van de adviseur.
(…)
9
Alle werkelijk door de adviseur gemaakte onkosten om tot voldoening van zijn declaratie te geraken, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke kosten, komen voor rekening van de opdrachtgever.
(…)”
2.7.
De beide offertes voor het project Werk Ring Zuid waren namens [partij A] opgemaakt en verzonden door dhr. [naam 3] (‘ [naam 3] ’). [naam 3] is met ingang van 1 september 2020 uit dienst getreden bij [partij A] en vervolgens in dienst getreden van [partij B] .
2.8.
[partij B] heeft de (herziene) Offerte II aanvaard en een opdracht aan [partij A] verleend. [partij A] is vervolgens tekeningen en berekeningen voor de elementen gaan maken.
2.9.
Op 18 december 2020 heeft dhr. [naam 4] , verkoopmanager bij [partij B] (‘ [naam 4] ’) per e-mail de volgende vraag gesteld aan dhr. [naam 5] , die destijds naast [naam 1] mededirecteur van [partij A] was (‘ [naam 5] ’):
“Hallo Rob,
Zit in Delft bij Bas. Heb je nog kunnen kijken naar de uren besteed aan KW 03.01,12.12 en 12.10?”
2.10.
Daarop heeft [naam 5] diezelfde dag het volgende geantwoord:
“Het makkelijke antwoord: we hebben nu +/-700 uur besteed, kosten intern € 37.000,-
De opdracht is gebaseerd op de urenraming van KW12.10, de totale prijs voor dit kunstwerk is € 13.359,-
Conform onderstaand overzicht komt dat neer op € 250,- per element.
(…)
Er is dan € 32.090,- te verrekenen. De overige € 5.000,- ver[w]achten wij wel te kunnen inlopen bij het verder verrekenen van de € 250,- per merk. Maar dat betekend dus dat overige kunstwerken wel door moeten gaan.”
2.11.
[partij A] heeft tussen december 2020 en april 2023 zes facturen aan [partij B] gestuurd voor het Werk Ring Zuid. Die zes facturen komen opgeteld uit op een bedrag van
€ 170.222,80, inclusief btw. Uit de specificaties bij de facturen volgt dat (de werkzaamheden voor) de (basisuitwerking van) de elementen steeds tegen een tarief van € 250,- (te vermeerderen met btw) per stuk in rekening zijn gebracht. De zes facturen zijn allemaal door [partij B] betaald.
2.12.
Op 30 augustus 2023 heeft [naam 3] (inmiddels in dienst bij [partij B] ) een e-mail gestuurd aan [naam 5] . Hierin schrijft [naam 3] onder meer:
“We lopen tegen een probleem aan met betrekking tot de kosten van de engineering van de hoofdopdracht van combinatie Heerepoort Ring Zuid Groningen.
Heb jij toevallig ergens een mail of document waarin jullie met CHP hebben afgesproken dat er €250,- per elementtekening gefactureerd kan worden? Er schijnt een plafondbedrag van €130.000,- afgesproken te zijn t.b.v. engineering. In de bijlage een overzicht van de facturen. (…) Het meerwerk, KW15 en de N370 panelen vallen buiten de hoofdopdracht. Denk dat we binnenkort even moeten afspreken om dit door te nemen met
Bas. (…)”
2.13.
[naam 5] heeft hierop in een e-mail van 31 augustus 2023 onder meer het volgende geantwoord:
“Wij hebben zelf geen afspraken gemaakt met CHP, wij werken dit voor [partij B] uit. De basis is de offerte die in het verleden door jou is gemaakt, en daar is bijgevoegde mail van 18-12-2020 aan [naam 4] een vervolg op. Dit was naar aanleiding van de vraag van [naam 4] hoe het ging qua uren, en ook naar aanleiding van een aanpassing van de prijs van [partij B] richting CHP op basis van de eerste kunstwerken als ik het goed heb, maar daar weet ik niet alles van. Een van de gevolgen daarvan is ook nog een optimalisatieronde geweest in maart 2021 bij jullie op kantoor.
Wij hebben op een aantal panelen na alle kunstwerken nu gehad, en dat zijn er 16 geworden (inclusief KW15) in plaats van 14. Michelle zal het overzicht voor de (wat ons betreft) laatst te versturen facturen maken. (…)”
2.14.
Op 16 november 2023 heeft [partij A] voor het Werk Ring Zuid een zevende factuur (202310086) ter hoogte van € 23.740,20 (inclusief btw) (‘
Factuur 1 Ring Zuid’) aan [partij B] verstuurd. Deze factuur is niet door [partij B] betaald.
2.15.
In een e-mail van 20 november 2023 heeft [naam 2] het volgende aan [naam 1] geschreven:
“(…) Ik zou graag aankomende woensdag het volgende willen bespreken.
[partij B] heeft in 2018 [partij A] opdracht gegeven om de prefab betonelementen Aanpak Ring Zuid Groningen.
Hiervoor zijn er diverse mails verstuurd met onderbouwing van een prijs. Deze is herzien in 2020. [naam 5] en [naam 4] bespraken het versoberen van de kosten. Wij als [partij B] hebben daar tot op heden niet naar gekeken maar door recente facturen en weigeringen van CHP om facturen te betalen nu wel.
Combinatie heerenpoort en [partij B] hebben een opstelling gemaakt die aan deze mail is
toegevoegd. We hebben een analyse gemaakt van alle teken kosten en eventueel voordeel uit herhaling. Nu is de analyse 136 tekeningen en de rest zijn kleine aanpassingen in lengte of breedte. (…) 136 tekeningen van € 250,00 euro en de rest aan kleine aanpassingen zou niet moeten leiden tot een overschrijding van het budget. CHP heeft zijn plafond bereikt. Dat houdt in dat [partij B] de kleine marge inmiddels volledig verdampt heeft en dat het nu veel geld kost.”
2.16.
In een e-mail van 8 maart 2024 heeft [naam 1] (namens [partij A] ) onder meer het volgende aan [partij B] (in de persoon van [naam 6] ) bericht:
“In deze offertes is helder afgesproken dat een prijs van €250 per element wordt gehanteerd.
Toen bleek al dat dit eigenlijk niet genoeg was, maar dat de hoop werd uitgesproken dat we dit in het vervolg konden inhalen.
Vervolgens is er gefactureerd, waarbij ook nogmaals is geroepen door ons dat de €250 per element eigenlijk nog niet dekkend is.
Er is doorlopend gefactureerd waarbij geen opmerkingen zijn gekomen op de facturen, eerste melding kwam hierover pas 30-8-2023.
Als we nu achteraf kijken kunnen we het volgende constateren:
1 er is helder afgesproken dat voor elk element een aparte tekening gemaakt moest worden
2 het maken van tekeningen van de verschillende elementen is niet een kwestie van kopie en knippen, zeker niet in Revit
3 in totaal zijn er 577 elementen getekend, zie bijgevoegde elementen lijst
4 tot op heden zijn slechts 566 elementen in rekening gebracht, eigenlijk kunnen we nog meer factureren
5 op basis van verschillende meldingen kan worden gesteld dat de € 250 altijd al te laag was
6 in onze oorspronkelijke aanbieding is benoemd dat dit excl. indexering is, de gemiddelde indexering over de afgelopen periode van 2020 tot 2024 is 10%
7 Het totale aantal kunstwerken en het aantal elementen per kunstwerk is hoger dan bij het begin van het project werd aangenomen, dit betekend dat het ooit genoemde plafondbedrag niet meer geldig is
Als ik getalsmatig bovenstaande punten in een factuur vertaal kom ik op een nog te sturen eindfactuur van circa € 17.000 euro.”
2.17.
[naam 2] heeft op 7 mei 2024 namens [partij B] een reactie gegeven op het bericht van [naam 1] . [naam 2] heeft hierin onder meer het volgende geschreven:
“Om chronologisch te beginnen zijn er 2 offerte gemaakt. Een op 31-8-2018 en een op 11 februari 2020. Hierbij is kunstwerk 12.10 als basis genomen. Platgeslagen komt het neer op 58 tekeningen zoals jullie aangeven. Hiervan waren er bij opdracht 74 voorzien. 3 merken (merk A, B en C) worden enorm veel toegepast. Naar mening van ervaren revit tekenaars een eenvoudige aanpassing. Totaalprijs is € 13.359,00 waarbij kunstwerk 12,10 als enige 3 specials vertegenwoordigd. Elementen type D, E en P. zijn specials en komen hierna niet meer voor. Een analyse zonder deze specials zou het kunstwerk uit komen op € 9.393,00.
(…)
Het leeuwendeel wat aan tekeningen geproduceerd is zijn de types A,B en C. De repetitie factor is hierbij erg hoog hetgeen CHP mij ook verduidelijkte. De heer [naam 7] analyseerde 136 tekeningen totaal. U heeft een overzicht ontvangen. De benaming van de tekeningen is door [partij A] gemaakt en naar aanleiding van de
optelling van het type merken. Merk A is ongeveer maximaal 3 uur tekenwerk benodigd. Rekenwerk is hetzelfde als alleen afmeting minimaal afwijkt. Afgesproken prijs 65 euro per uur. Uw onderbouwing van 250 euro kan ik niet herleiden. (…) Dit komt neer op een totaal prijs van € 134.000 euro. Uitgaande van minimaal 30 % overlap en repetitie zou een totaalprijs van € 93.800.
(…)
Ik ben niet uitgegaan van 250 euro per tekening maar de door jullie overlegde offerte. De prijs van 250 euro is nimmer vastgelegd of bevestigd, alleen als verwachting in de mail van [naam 5] aangekondigd. (…) Facturatie is op vertrouwen en erg onduidelijk en niet te herleiden naar merken of afspraken, wetend dat wij met marge de tekeningen doorbelasten. CHP heeft [partij B] te verstaan gegeven dat het plafond bereikt was. Na recherche van de tekeningen en merken verzoek ik [partij A] het meerwerk te onderbouwen. [partij B] zal deze dan proberen te verhalen op CHP mits juist onderbouwd.
(…)
Resume, kan ik stellen dat het werk CHP een grote mate van dupliceren is geweest. Het uitgangspunt kunstwerk 12,10 diverse specials heeft gehad en de overige kunstwerken alleen de merken A,B en C. Bij ieder kunstwerk zijn 4 eind en hoek stenen gebruik. Kunstwerk 12.10 had diverse specials waarvoor meer uren en rekenwerk belast is. Dit heeft uiteraard invloed op het overige rekenwerk wat niet benodigd was andere kunstwerken. (…) Uw stelling dat nog een factuur ter facturatie zou gestuurd moeten worden is niet juist.
Het project Fommestraat
2.18.
[partij A] en [partij B] hebben eind 2023/begin 2024 ook samengewerkt op een werk voor de bouw van een nieuw viaduct in de N278 ter plaatse van de Fommestraat in het Limburgse dorp Cadier en Keer (‘het Werk Fommestraat’). [partij B] heeft in opdracht van de aannemer op dit werk prefab-onderdelen geproduceerd en geleverd. [partij B] heeft aan [partij A] gevraagd om hiervoor berekeningen en (productie)tekeningen te maken.
2.19.
Voor deze opdracht heeft [partij A] op 13 december 2023 per e-mail een offerte gestuurd aan [naam 3] . In deze offerte staat onder meer dat “ [partij A] volgens de laatste versie van de DNR werkt”. Na deze zin is een hyperlink met een verwijzing naar (een pdf van) de DNR 2011 opgenomen.
2.20.
De offerte voor het Werk Fommestraat is door [partij B] aanvaard.
2.21.
[partij A] heeft voor haar werkzaamheden op het Werk Fommestraat twee facturen aan [partij B] verstuurd: een factuur van 2 april 2024 voor een bedrag van € 30.924,58 (inclusief btw) en een factuur (met nummer 202310676) van 30 mei 2024 voor een bedrag van € 27.406,50 (inclusief btw). De eerste factuur is door [partij B] betaald, de tweede factuur niet (
de tweede niet betaalde factuur wordt hierna ‘Factuur Fommestraat’ genoemd).
De verdere correspondentie vanaf juni 2024 over het Werk Ring Zuid en het Werk Fommestraat
2.22.
Op 19 juni 2024 hebben [naam 1] en [naam 2] met elkaar gesproken over de openstaande facturen. Naast het Werk Ring Zuid en het Werk Fommestraat hebben zij toen ook gesproken over een (derde) gezamenlijk uitgevoerd werk ten behoeve van een project van BAM. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [naam 2] twee dagen later, op 21 juni 2024, een e-mail aan [naam 1] gestuurd met daarin een ‘opsomming van de afspraken of nog te maken afspraken’. [naam 1] heeft diezelfde dag, een uur later, een korte reactie daarop gegeven. In de e-mail van [naam 2] en de reactie daarop van [naam 1]
(hieronder vetgedrukt weergegeven, rechtbank) valt het volgende te lezen:
“Naar aanleiding van het prettige gesprek van afgelopen woensdag nog een opsomming van de afspraken of nog te maken afspraken.
(…)
Werk BAM, hiervoor dient nog een credit nota te komen voor de kosten die gemaakt zijn door foutieve tekeningen. Voorstel van [partij B] is 4000 euro ex BTW.De 4000 wordt ook nog gedeeld door 3 en vanuit [partij A] komen wij nog met een meerwerkopgave
Werk Fommestraat is de tijdslijn essentieel geweest. Hiervoor is de inzet niet goed vertaald waardoor er enorme kosten voor de productie ten gevolg gehad. Wij hebben dat uitvoerig besproken. Wat mij betreft is de kous daarmee af. Wat betreft de inzet van [naam 3] is dit niet in de factuur teruggekomen. Ik verzoek je een voorstel.klopt
Voor het werk CHP is echt alles uitgezocht en kom ik tot de conclusie een bedrag totaal ex meerwerk van 93 k en bouke 95 k. Voorstel van [partij A] is 94 k ex btw en ex meerwerk.De 94 K heb ik genoemd als een gemiddelde van jullie voorstel, het is daarmee niet het voorstel van [partij A] geworden, dit voorstel leg ik volgende week neer(…)”
2.23.
In een e-mail van 20 augustus 2024 heeft [naam 1] het volgende aan [naam 2] geschreven:
“Hierbij nog in het kort de schriftelijke reactie, e.e.a. zoals bij jou op kantoor besproken
op 17 juli j.l..
1. Het maken van een fout in onze tekening van het project BAM (…), hiervoor sturen wij een credit van € 3000,-- excl. BTW (dit is inmiddels l gedaan)
2. Het project (…) Fommestraat zijn de werkzaamheden zoals door Bouke uitgevoerd niet in geld vertaald. Dit is door Bouke ook zo aangegeven toen het aanbod van hem kwam om te ondersteunen bij tekenwerkzaamheden. Facturen zoals [partij A] die heeft gestuurd aan [partij B] blijven verder dan ongewijzigd.
3. Ringweg Zuid Groningen: aanbod vanuit [partij A] aan [partij B] is als volgt:
De facturen zoals reeds zijn verstuurd blijven geldig. Voor de rest stuurt [partij A] geen aanvullende facturen, op basis van eerdere berichtgeving vanuit [partij A] had dit wel gekund.
Tot zover dit bericht, graag openstaande rekeningen voor zover akkoord betalen, alvast dank.”
2.24.
[naam 2] heeft diezelfde dag als volgt op bovenstaande e-mail gereageerd:
“Betreft punt 1 zijn we akkoord. We zullen het restant overmaken en hierdoor is dit afgewikkeld.
Punt 2 heb ik reeds nagevraagd bij Bouke en hij heeft mij bevestigd dat hij deze afspraak gemaakt heeft.
Het derde punt is niet akkoord. [partij B] heeft zeer gedetailleerde aangegeven dat de verstuurde opstelling niet correct is. Een weerlegging van mijn mail heb ik tot op heden niet ontvangen. Graag verzoek ik uw toegezegde onderbouwing. [partij B] verwacht tot op heden een credit nota door foutief facturatie. (….)”
2.25.
Op 24 januari 2025 heeft een GGN Mastering Credit B.V. (GGN) namens [partij A] een sommatiebrief aan [partij B] gestuurd om de Factuur Fommestraat te betalen. [partij B] heeft hierop bij brief van 4 februari 2025 als volgt gereageerd:
“(…) De betreffende factuur (project Fommelstraat) is door onze administratie reeds eerder afgewezen.
De reden was de verlaatte oplevering door [partij A] van de benodigde tekeningen/berekeningen waardoor [partij B] een enorme schade heeft opgelopen. (…) Door de verlate aanlevering door [partij A] is er bij [partij B] een enorme gevolg schade ontstaan van €110.000 ex.21% BTW. [partij B] heeft [partij A] hiervoor aansprakelijk gesteld. (…)”
2.26.
Op diezelfde dag, 4 februari 2025, heeft [partij B] twee facturen aan [partij A] verstuurd voor opgeteld € 181.742,00, inclusief btw (‘de [partij B] -facturen’), te weten:
1. factuur 25000001 voor € 133.100,00, inclusief btw, wegens “
Gemaakte kosten
door VHB en doorbelast aan [partij B] door late oplevering stukken [partij A] .”,
2. factuur 25010000 voor € 48.642,00, inclusief btw, wegens “
Te veel gefactureerde
kosten m.b.t. werk CHP volgens berekening email onze heer [naam 2] van 7 mei
2024 10:55.” .
2.27.
[partij A] heeft bij brief van 7 februari 2025 aan [partij B] bericht dat zij het oneens is met de in de [partij B] -facturen omschreven vorderingen en dat zij de facturen daarom retour stuurt.
2.28.
De advocaat van [partij A] heeft [partij B] bij brief van 6 juni 2025 gesommeerd tot betaling van Factuur 1 Ring Zuid en Factuur Fommestraat, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. Ook heeft de advocaat bij de brief een derde factuur (nummer 202500365) verstuurd ter hoogte van € 3.327,50, inclusief btw, voor nog niet gedeclareerde werkzaamheden op het Werk Ring Zuid (‘
Factuur 2 Ring Zuid’). Ter toelichting op deze factuur wordt in de brief het volgende geschreven:
“(…) Door middel van haar declaraties heeft mijn cliënte 566 elementen in rekening gebracht. Uit een inventarisatie is gebleken dat mijn cliënte 577 elementen heeft vervaardigd en aan [partij B] heeft gezonden. Daarmee zijn nog 11 elementen aanvullend in rekening te brengen. De declaratie – 202500365 van 6 juni 2025 – voor die 11 elementen treft u bijgaand aan (…).
2.29.
[partij B] heeft de Facturen 1 en 2 Ring Zuid en Factuur Fommestraat niet betaald.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[partij A] vordert – zakelijk weergegeven en na vermeerdering van eis – dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat [partij A] niets verschuldigd is aan [partij B] ;
voor recht verklaart dat [partij B] door de verzending van de [partij B] -facturen aan [partij A] en/of door deze facturen niet te crediteren onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] ;
[partij B] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling van:
a. € 27.406,50 (ter zake Factuur Ring Zuid 1),
b. € 23.740,20 (ter zake Factuur Fommestraat),
c. € 3.327,50 (ter zake Factuur Ring Zuid 2),
telkens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van én met de 3%-punten verhoogde wettelijke handelsrente, althans (subsidiair) alleen met de wettelijke handelsrente, vanaf de in de dagvaarding genoemde ingangsdata,
d. € 13.511,98 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in de dagvaarding genoemde ingangsdata;
e. de daadwerkelijke proceskosten van € 13.333,39, althans de proceskosten volgens het liquidatietarief, vermeerderd met de deurwaarderskosten, het griffierecht, de nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
[partij A] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [partij B] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht gehouden is de advieskosten van [partij A] op basis van de declaraties te voldoen. Met betrekking tot het Werk Ring Zuid zijn partijen overeengekomen dat een prijs van € 250 aan [partij B] zou worden doorbelast, althans [partij A] mocht gerechtvaardigd erop vertrouwen dat [partij B] met dat tarief heeft ingestemd. [partij A] heeft 577 merken vervaardigd, zodat [partij B] hiervoor € 144.250 (exclusief btw) is verschuldigd. Ook heeft [partij A] € 18.800 (exclusief btw) aan meerwerk verricht op het Werk Ring Zuid. [partij B] is in totaal dus € 163.050 (exclusief btw) verschuldigd en moet de laatste twee openstaande facturen voor dit werk betalen, evenals de (niet betwiste) Factuur Fommestraat. Ook moet [partij B] op grond van artikel 56 DNR Pro 2011 de wettelijke handelsrente, verhoogd met drie procentpunten, en de werkelijke buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten betalen.
3.3.
[partij B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering en met veroordeling van [partij B] in de proceskosten. [partij B] doet, kort samengevat, een beroep op verrekening vanwege overeenstemming over een totaalprijs van € 94.000 voor het Werk Ring Zuid, zodat [partij A] per saldo € 69.050 te veel in rekening heeft gebracht en [partij A] , na verrekening met de openstaande facturen en zonder betwist meerwerk van € 520, nog € 24.550 aan [partij B] is verschuldigd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie
3.5.
[partij B] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat [partij A] in het Project Ring Zuid te veel heeft gedeclareerd en/of onverschuldigd heeft ontvangen;
[partij A] veroordeelt tot (terug)betaling aan [partij B] van € 69.050,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling.
met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
3.6.
[partij B] voert hiertoe – samengevat – aan dat partijen op 19 juni 2024 overeenstemming hebben bereikt over een door [partij B] te betalen totaalbedrag van € 94.000 exclusief btw voor het Werk Ring Zuid, zodat [partij A] € 69.050 te veel in rekening heeft gebracht. Voor het geval de rechtbank in conventie oordeelt dat [partij B] niet bevoegd was tot verrekening of opschorting, vordert [partij B] het teveel betaalde terug op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 van Pro het Burgerlijk Wetboek (‘BW’)) en ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro).

4.De beoordeling

In conventie
Kern van het geschil (hoogte facturering Werk Ring Zuid)
4.1.
De verschuldigdheid van de Factuur Fommestraat is niet door [partij B] betwist. Het geschil tussen partijen ziet uitsluitend op de (redelijkheid van de) declaraties voor het Werk Ring Zuid.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat met betrekking tot het Werk Ring Zuid niet in geschil is dat [partij B] opdracht heeft gegeven om (productie)tekeningen en berekeningen te maken van prefab onderdelen (dekstenen en wandelementen), op basis waarvan medewerkers van [partij B] de prefab betonelementen zouden kunnen produceren. Deze overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW Pro). [partij B] is als opdrachtgever voor het uitvoeren van de opdracht loon aan [partij A] verschuldigd. De wet gaat ervan uit dat partijen in de eerste plaats zelf afspraken kunnen maken over de hoogte van het loon. Indien de hoogte van het loon niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd (artikel 7:405, tweede lid, BW).
4.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag of in dit geval concrete afspraken zijn gemaakt over het aan [partij A] verschuldigde loon en zo ja, wat die loonafspraken inhouden. [partij A] stelt dat een prijs van € 250 voor de basisuitwerking van de elementen is overeengekomen. [partij B] betwist dat en stelt dat de door [partij A] in rekening gebrachte prijs voor het werk te hoog is, ook gelet op de afgesproken budgetplafonds. Het standpunt van [partij B] ten aanzien van de aan [partij A] verschuldigde prijs voor het werk Werk Ring Zuid komt, samengevat, op het volgende neer:
Er is geen prijsafspraak voor € 250 per element gemaakt.
De door [partij A] gedeclareerde prijs van € 144.250 voor 577 elementen is excessief, nu [partij A] in totaal slechts 136 van de 577 tekeningen werkelijk heeft gemaakt en het leeuwendeel volgens ervaren Revit-tekenaars een kwestie van knippen/plakken is.
Verder is in 2020/2021 tijdens gezamenlijke bouwbesprekingen tussen CHP, [partij B] en [partij A] besproken en afgesproken dat er vanuit hoofdaannemer CHP een budgetplafond was opgelegd voor de teken- constructie-, en engineeringskosten. Dit budgetplafond was € 116.000 voor [partij B] (in de verhouding tot CHP) en € 100.000 voor [partij A] (in de verhouding tot [partij B] ). [partij A] heeft haar zorgplicht als opdrachtnemer geschonden door niet tijdig voor overschrijding van het budget te waarschuwen.
Partijen hebben op 19 juni 2024 bovendien overeenstemming bereikt over een totaalbedrag van € 94.000, exclusief btw, voor het Werk Ring Zuid. Op grond van deze afspraak is [partij B] primair dus niet meer dan dit bedrag aan [partij A] verschuldigd. Dit betekent dat [partij A] € 69.050 te veel in rekening heeft gebracht. [partij B] doet een beroep op verrekening met het teveel betaalde.
Indien de rechtbank dit laatste niet volgt, dan wordt verzocht een (Revit-) deskundige te laten adviseren wat in dit geval een redelijke beloning is voor het teken- en constructiewerk inzake het Werk Ring Zuid.
De rechtbank zal hierna op deze geschilpunten ingaan.
Is tussen partijen een prijsafspraak gemaakt van € 250 per element?
4.4.
Of partijen een bepaalde prijsafspraak hebben gemaakt (en zo ja, welke) vraagt om uitleg van de overeenkomst aan de hand van de zogenoemde Haviltexmaatstaf. Het komt er daarbij op aan welke betekenis de betrokken partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg. [1]
4.5.
[partij B] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat partijen in 2018 aanvankelijk, op basis van Offerte I, zijn begonnen met het maken van productietekeningen voor kunstwerk 6. Ten tijde van het opmaken van Offerte I was alleen nog een ontwerp voor dat kunstwerk beschikbaar. Vervolgens kwam begin 2020 de uitwerking van een ander kunstwerk (KW12) beschikbaar en heeft [partij B] aan [partij A] gevraagd om op basis daarvan een nieuwe prijsaanbieding te doen. [partij A] heeft toen op 11 februari 2020 een herziene prijsaanbieding afgegeven, op basis van een urenraming voor kunstwerk 12. Die urenraming sloot op een bedrag van € 13.359. Weliswaar heeft [partij A] in Offerte II ook al, op basis van deze urenraming, een totale prijsaanbieding afgegeven van € 130.918 voor alle veertien kunstwerken (met inbegrip van een korting van 30% gerekend voor overlap en repetitie), maar die totaalprijs was nog met onzekerheden omgeven omdat van de andere twaalf kunstwerken geen uitwerking beschikbaar was. Bovendien zijn partijen het erover eens dat zij geen vaste prijs van € 130.918 voor veertien kunstwerken hebben afgesproken. Immers, geen van partijen beroept zich op een dergelijke vaste prijsafspraak.
4.6.
Vast staat dat [partij B] destijds geen bezwaren heeft geuit tegen de in offerte II opgenomen urenraming voor kunstwerk 12. Evenmin heeft [partij B] bezwaren geuit tegen andere onderdelen van de offerte. [partij A] is na het uitbrengen van Offerte II in opdracht van [partij B] verder gegaan met het maken van productietekeningen en berekeningen voor verschillende kunstwerken. Vervolgens heeft [partij A] (in de persoon van [naam 5] ) desgevraagd op 18 december 2020 aan [partij B] bericht dat [partij A] inmiddels circa 700 uren (tegen interne kosten van € 37.000) aan het werk had besteed. In diezelfde e-mail schreef [naam 5] ook dat [partij A] , op basis van Offerte II, uitgaat van een prijs van € 250 per element. [naam 5] heeft vervolgens voorgerekend dat hij, op basis van deze prijs en inclusief meerwerk, uitkomt op een aan [partij B] te factureren bedrag van € 32.090. [naam 5] schrijft ten slotte ook dat hij verwacht dat [partij A] het verschil van € 5.000 (tussen de werkelijke interne kosten en het te factureren bedrag) in kan lopen bij het verder verrekenen van de € 250 per merk, maar dat dit wel betekent dat de overige kunstwerken door moeten gaan.
4.7.
Aan [partij B] kan worden toegegeven dat uit Offerte II nog niet met zoveel woorden viel af te leiden dat [partij A] voor het werk Werk Ring Zuid wilde rekenen met een prijs van € 250 per element (voor het in de offerte genoemde basiswerk). Echter, uit de nadere toelichting van [naam 5] volgt duidelijk dat [partij A] het reeds verrichte en nog te verrichten werk op die manier met [partij B] wilde afrekenen. Uit het dossier blijkt niet dat [partij B] destijds tegen die nadere invulling van de prijsaanbieding uit de offerte heeft geprotesteerd; [partij B] stelt dit overigens ook niet. Vervolgens heeft [partij A] tussen januari 2021 en april 2023 zes facturen voor het verrichte werk aan [partij B] verstuurd. Uit de specificaties bij die facturen voor de gemaakte (productie)tekeningen blijkt voldoende duidelijk dat [partij A] – in lijn met de nadere toelichting van [naam 5] – telkens een bedrag van € 250 per element in rekening bracht. [partij B] heeft die zes facturen telkens zonder protest gehouden en betaald, en [partij B] is gedurende al die tijd opdracht aan [partij A] blijven geven om tekeningen voor de elementen van de verschillende kunstwerken te maken.
4.8.
[partij B] (in de persoon van [naam 2] ) heeft pas in een e-mail van 20 november 2023 geklaagd over de in rekening gebrachte bedragen. In die e-mail klaagt [naam 2] echter niet zozeer over de gehanteerde prijs per tekening maar over de totale doorbelaste kosten. [naam 2] schrijft immers
“136 tekeningen van € 250,00 euro en de rest aan kleine aanpassingen zou niet moeten leiden tot een overschrijding van het budget”. In deze reactie neemt ook [partij B] de gehanteerde prijs van € 250 per tekening dus tot uitgangspunt.
4.9.
De rechtbank is daarom van oordeel dat uit de manier waarop partijen in de periode na het uitbrengen van Offerte II nadere invulling en uitvoering hebben gegeven aan de opdracht, volgt dat zij voor het maken van de (productie)tekeningen een prijs van € 250 per element met elkaar zijn overeengekomen. In elk geval mocht [partij A] , gezien de verklaringen en gedragingen over en weer, er gerechtvaardigd op vertrouwen dat over deze prijsafspraak overeenstemming bestond.
De omvang van het loon
4.10.
Als niet (voldoende) weersproken staat vast dat [partij A] op basis van de door [partij B] gegeven opdracht in totaal 577 afzonderlijke (productie)tekeningen voor elementen heeft gemaakt. [partij A] heeft in dat kader toegelicht dat hoewel sommige elementen in vorm op elkaar lijken, er toch verschillen zijn, ook als het gaat om de positie van een element in een kunstwerk (ten opzichte van andere elementen) – en daarmee de positie van (bijvoorbeeld) de in de tekeningen op te nemen ankers om de elementen duurzaam met andere elementen te verbinden. En hoewel het strikt genomen mogelijk was om voor elementen die alleen gespiegeld hoefden te worden één tekening te maken, heeft [partij A] toegelicht dat niet alle productiemedewerkers van [partij B] even goed in staat waren om zich driedimensionaal voor te stellen hoe een element gespiegeld zou moeten worden geproduceerd. Veiligheidshalve zijn alle elementen daarom afzonderlijk getekend. [partij B] heeft niet weersproken dat dit zo is gegaan. [partij A] heeft daarom voldoende gemotiveerd toegelicht dat het maken van 577 afzonderlijke tekeningen nodig was en in dit geval niet met het maken van minder tekeningen kon worden volstaan. Weliswaar bestrijdt [partij A] niet dat vanwege de gelijkenissen opvolgende tekeningen efficiënter kunnen worden geproduceerd, maar wijst op de e-mail van [naam 5] van 18 december 2020 die erop neerkomt dat die efficiëntiewinst wegens overlap en repetitie moet geacht worden te zijn verdisconteerd in de vaste prijs van € 250 per element.
Dit betekent dat [partij A] voor de gemaakte productietekeningen € 144.250 (577 x € 250), exclusief btw aan loon in rekening kan brengen.
4.11.
[partij A] heeft daarnaast € 18.800, exclusief btw, aan meerwerk bij [partij B] in rekening gebracht. Van dit meerwerk is € 18.280, exclusief btw, al in rekening gebracht in de eerste zes facturen voor het Werk Ring Zuid. [partij A] heeft met die facturen specificaties van de aard en de omvang van het meerwerk meegestuurd. [partij A] heeft verder gemotiveerd gesteld dat de facturen en de specificaties aan de kant van [partij B] allemaal zijn gecontroleerd door [naam 3] , die wist wat de reikwijdte van de opdracht aan [partij A] was en welke werkzaamheden wel of niet binnen die opdracht vielen.
Vast staat dat de eerste zes facturen – en ook het meerwerk – na controle door [naam 6] zonder protest door [partij B] zijn betaald. Daaruit blijkt niet dat [partij B] van mening was dat het gefactureerde meerwerk werk betrof waarvoor geen toestemming was gegeven of wat binnen de basisopdracht viel. Ook in deze procedure heeft [partij B] niet nader toegelicht welke van de gefactureerde werkzaamheden volgens haar zonder opdracht zijn verricht of binnen de basisopdracht vallen (en dus geen recht geven op extra loon). Ook ten aanzien van het gespecificeerde meerwerk van € 520 in Factuur 1 Ring Zuid (die nog niet door [partij B] is betaald) heeft [partij B] niet concreet toegelicht waarom dat geen opgedragen en uitgevoerd meerwerk is. [partij B] heeft daarom onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de in de facturen voor het Werk Ring Zuid als meerwerk gespecificeerde werkzaamheden allemaal in opdracht van [partij B] uitgevoerde extra werkzaamheden zijn die buiten de basisopdracht vallen. Zij heeft ook niet voldoende gemotiveerd betwist dat de omvang van het meerwerk klopt en dat de daarvoor in rekening gebrachte prijs in overeenstemming is met de tarieven die partijen vooral in Offerte I en II zijn overeengekomen voor extra werk.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat [partij A] voor uitgevoerd meerwerk in totaal recht heeft op € 18.800 exclusief btw.
Zijn tussen partijen tijdens het werk afspraken gemaakt over een prijsplafond?
4.12.
[partij B] heeft gesteld dat in 2020/201 tijdens gezamenlijke bouwvergaderingen tussen CHP, [partij B] en [partij A] is afgesproken dat, vanwege geldproblemen aan de kant van CHP, er een budgetplafond gold van € 116.000 voor het engineeringswerk van [partij B] , waarvan € 100.000 was bestemd voor het tekenwerk van [partij A] . [partij A] heeft betwist dat een prijsplafond is overeengekomen. Ook heeft [partij A] betwist dat zij bekend was met het bestaan van enig tussen CHP en [partij B] afgesproken prijsplafond.
4.13.
Zoals de rechtbank tijdens de zitting met partijen heeft besproken, ligt het voor de hand dat als er tijdens een bouwvergadering tussen CHP, [partij B] en [partij A] afspraken zijn gemaakt over een plafondbedrag van € 116.000 (met een plafond van € 100.000 voor [partij A] ), van die afspraak iets moet zijn terug te vinden in de notulen van de betreffende vergadering of dat het bestaan van die afspraak op een andere wijze schriftelijk is vastgelegd. Dit is een gebruikelijk werkwijze voor tijdens bouwvergaderingen gemaakte afspraken. Daarbij komt nog dat de prijs voor het totale basistekenwerk voor veertien kunstwerken (zonder meerwerk) in Offerte II van Econvert op € 130.918 was ingeschat en het gestelde plafond ten opzichte van die begroting dus een aanzienlijke kostenbeperking met zich bracht.
4.14.
De rechtbank heeft partijen na het sluiten van de mondelinge behandeling opdracht gegeven om te achterhalen of er notulen zijn van gezamenlijke bouwvergaderingen uit de periode 2018 tot en met 2021, waarin door de drie betrokken partijen is gesproken over een te hanteren prijsplafond. [partij B] heeft bij akte van 22 april 2026 laten weten dat zij zelf niet over de betreffende notulen beschikt en dat ook CHP desgevraagd heeft laten weten dat alle notulen ouder dan vijf jaar al zijn opgeruimd. [partij A] heeft bij akte gemeld dat zij de notulen van de bouwvergaderingen uit de betreffende periode nogmaals heeft doorgenomen en daarin geen enkele vermelding van (gesprekken over) enig plafondbedrag heeft aangetroffen.
4.15.
[partij B] heeft ook geen andere feiten en omstandigheden gesteld die onderbouwen dat met medeweten van [partij A] afspraken zijn gemaakt over een plafondbedrag van € 116.000. Anders dan [partij B] stelt, kan de rechtbank (de bekendheid van [partij A] met) een dergelijke afspraak niet afleiden uit de op 8 maart 2024 gedane mededeling van [naam 1] dat “
Het totale aantal kunstwerken en het aantal elementen per kunstwerk is hoger dan bij het begin van het project werd aangenomen, dit betekend dat het ooit genoemde plafondbedrag niet meer geldig is.” (zie r.o. 2.16) Uit dit bericht kan hoogstens worden afgeleid dat ooit op enig moment enig plafondbedrag is genoemd. Niet blijkt om welk bedrag het gaat en wanneer, door wie en welke context dit plafond is genoemd. In elk geval valt uit dit bericht niet af te leiden dat in 2020/2021 in aanwezigheid van [partij A] over een prijsplafond van € 116.000 is gesproken. Het bestaan van een dergelijke plafondafspraak vindt ook geen steun in de eerdere buitengerechtelijke correspondentie tussen [partij A] en [partij B] . Zo schreef [naam 6] (namens [partij B] ) op 30 augustus 2023 aan [naam 5] dat er een
plafondbedrag van € 130.000afgesproken
schijntte zijn ten behoeve van engineering. In deze woorden van [naam 6] (“er schijnt (…) afgesproken te zijn”) klinkt juist door dat hij niet eerder over het genoemde plafondbedrag had gehoord en dat hij ook niet zeker weet of dat is afgesproken. Bovendien spreekt [naam 6] in zijn bericht uit augustus 2023 niet over een besproken plafondbedrag van € 116.000, maar over een plafondbedrag van € 130.000. Dit strookt niet met de nu door [partij B] ingenomen stelling dat eerder vanuit CHP een budgetplafond van € 116.000 aan [partij B] was opgelegd, nog los van het feit dat verder niet blijkt in hoeverre [partij A] met de bedoelde plafondafspraak bekend was.
4.16.
De rechtbank is, dit alles overwegende, van oordeel dat [partij B] onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat bij [partij A] bekend was dat [partij B] zich tegenover haar opdrachtgever CHP had verbonden tot een prijsplafond van € 116.000 (inclusief haar engineeringskosten). Nadere bewijslevering van die stelling is daarmee niet aan de orde.
4.17.
Nu [partij B] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [partij A] bekend was met het bestaan van een aan [partij B] opgelegd prijsplafond van € 116.000, kan zij ook niet met succes betogen dat [partij A] een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden door niet tijdig voor overschrijding van dit plafond te waarschuwen.
Is er op 19 juni 2024 een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen?
4.18.
[partij B] heeft gesteld dat op 19 juni 2024 tussen [naam 1] en [naam 2] in een
package dealdefinitieve afspraken zijn gemaakt voor de beslechting van drie openstaande geschillen. Die afspraken hielden volgens [partij B] in dat:
[partij A] inzake BAM een creditnota van € 4.000 exclusief btw zou sturen;
[naam 1] in het Werk Fommestraat nog een voorstel zou doen om schade te vergoeden die [partij B] had geleden vanwege het niet of te laat leveren van noodzakelijke tekeningen door [partij A] ;
Een bedrag van € 94.000, exclusief btw, een redelijke oplossing van het geschil over het Werk Ring Zuid was.
[partij B] stelt, zo begrijpt de rechtbank, dat partijen hiermee een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro zijn overeengekomen en dat [partij A] op grond hiervan in verband met het Werk Ring Zuid recht heeft op betaling van maximaal € 94.000, exclusief btw. [partij A] heeft betwist dat partijen een dergelijke vaststellingsovereenkomst hebben gesloten.
4.19.
Of tussen partijen een overeenkomst tot vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen (en zo ja, wat de inhoud daarvan is) moet de rechtbank ook beoordelen aan de hand van de in r.o. 4.4 genoemde Haviltex-maatstaf.
4.20.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [partij B] op het bestaan van een vaststellingsovereenkomst niet kan slagen, en wel om de volgende redenen.
Bij een vaststellingsovereenkomst hebben partijen de bedoeling met elkaar bindende afspraken te maken, ter beëindiging van een tussen hen bestaand geschil. [partij B] stelt dat partijen op 19 juni 2024 mondeling bindende afspraken over de beëindiging van de drie openstaande geschillen hebben gemaakt, maar uit de wijze waarop partijen na afloop van die bijeenkomst met elkaar verder hebben gecommuniceerd blijkt dat niet. Immers, [naam 2] schrijft in zijn e-mail van 21 juni 2024 – twee dagen later – zelf dat [partij A] ten aanzien van het project BAM een
voorstelheeft gedaan voor een creditfactuur van € 4.000 en dat [partij A] ten aanzien van het Werk Ring Zuid een
voorstelheeft gedaan van € 94.000 exclusief btw en exclusief meerwerk, terwijl [naam 2] zelf op € 93.000 uitkomt en zijn werknemer [naam 6] op € 95.000. Uit die woorden volgt niet dat partijen volgens [partij B] al tot bindende afspraken waren gekomen.
Daarnaast schrijft [naam 2] zelf dat het voorstel voor het Werk Ring Zuid een bedrag van € 94.000
exclusief meerwerkwas, zodat ook niet valt in te zien dat partijen op dat moment al tot overeenstemming waren gekomen over een totaalbedrag van € 94.000 voor
heelhet Werk Ring Zuid, zoals [partij B] nu stelt. Ook uit de reactie die [naam 1] kort daarna op de e-mail van [naam 2] heeft gegeven (
“De 94 K heb ik genoemd als een gemiddelde van jullie voorstel, het is daarmee niet het voorstel van [partij A] geworden, dit voorstel leg ik volgende week neer”) volgt ook dat partijen in de visie van [partij A] nog geenszins tot bindende afspraken waren gekomen.
Dat partijen op 19 juni 2024 nog geen definitieve ‘package deal’ hadden gesloten wordt eens te meer bevestigd doordat [partij A] in augustus 2024 nieuwe (afwijkende) voorstellen aan [partij B] heeft gedaan voor de afronding van de drie openstaande dossiers, die deels wel (het versturen van een creditfactuur van € 3.000 voor het werk BAM), en deels niet (een betalingsplicht voor het Werk Ring Zuid tot het reeds gefactureerde bedrag) door [partij B] zijn aanvaard. Ook liet [partij B] met het versturen van de twee [partij B] -facturen op 4 februari 2025 duidelijk blijken dat de geschillen over het Werk Fommestraat en het Werk Ring Zuid ook naar haar mening nog niet in den minne ware opgelost.
Conclusie ten aanzien van het Werk Ring Zuid
4.21.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [partij B] voor de door [partij A] uitgevoerde werkzaamheden op het Werk Ring Zuid een bedrag van in totaal € 163.050, exclusief btw, aan [partij A] is verschuldigd. Vast staat dat [partij A] 577 productietekeningen heeft gemaakt, waarvoor [partij B] op grond van de tussen partijen gemaakte prijsafspraak een prijs van € 250 per element moet betalen, vermeerderd met in totaal € 18.800 aan meerwerk (zie hiervoor, r.o. 4.4 - 4.11). Omdat het verschuldigde loon voor de 577 tekeningen al door de partijafspraken is bepaald, is niet van belang wat in dit geval een redelijk loon is. Het verzoek van [partij B] om het redelijk loon door een (Revit-)deskundige te laten bepalen, wijst de rechtbank daarom af.
4.22.
[partij B] moet Facturen 1 en 2 Werk Ring Zuid dus betalen, en de Factuur Fommestraat ook. Nu [partij A] niet teveel heeft gedeclareerd, komt [partij B] ook geen beroep toe op verrekening van teveel betaalde bedragen.
Onrechtmatig handelen door verzending [partij B] facturen
4.23.
[partij B] heeft op 4 februari 2025 de [partij B] -facturen verstuurd, waarin zij – kort samengevat – de volgens haar teveel gefactureerde kosten voor het Werk Ring Zuid terugvorderde en schadevergoeding vorderde wegens te late oplevering van stukken op het Werk Fommestraat. [partij B] heeft in haar conclusie van antwoord verklaard dat zij de [partij B] -facturen definitief en onvoorwaardelijk intrekt. Ten aanzien van de gefactureerde kosten voor het Werk Ring Zuid heeft [partij B] in deze procedure een beroep op verrekening gedaan, maar dat beroep is hiervoor al verworpen en de rechtbank heeft geoordeeld dat [partij B] de openstaande facturen van [partij A] voor dit werk volledig moet betalen.
4.24.
Datzelfde geldt voor de openstaande Factuur Fommestraat, die ook niet door [partij B] is betwist. [partij B] heeft bovendien in de conclusie van antwoord nadrukkelijk verklaard dat zij in het kader van deze procedure ook haar (tegen)vordering tot schadevergoeding wegens gestelde tekortkomingen aan de kant van [partij A] volledig laat vallen. Voor zover [partij B] hiermee niet al onvoorwaardelijk afstand van al haar rechten heeft gedaan, is er geen enkel aanknopingspunt dat [partij B] voornemens is om de door haar gepretendeerde vorderingen voor het project Fommestraat nog buiten het bestek van deze procedure te gelde te maken of aan [partij A] tegen te werpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] onvoldoende duidelijk gemaakt welk rechtens te respecteren belang zij in het licht van het voorgaande heeft bij een (negatieve) verklaring voor recht dat [partij B] niets van [partij A] heeft te vorderen.
4.25.
Evenmin valt in te zien welk belang [partij A] heeft bij een verklaring voor recht dat het versturen van de [partij B] -facturen onrechtmatig was, nu de facturen inmiddels onvoorwaardelijk zijn ingetrokken en de uitkomst van deze procedure is dat [partij A] volledig betaald dient te krijgen en [partij B] geen beroep op verrekening toekomt. De gevorderde verklaringen voor recht worden daarom afgewezen.
Toepasselijkheid DNR 2011
4.26.
[partij A] vordert ook vergoeding van rente en gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 56 van Pro de DNR 2011.
4.27.
DNR 2011 is een set branchevoorwaarden, die veel wordt gebruikt door adviserend ingenieurs en constructeurs. [partij A] heeft onweersproken gesteld dat zij voorafgaand aan de werken Ring Zuid en Fommestraat al meerdere opdrachten voor [partij B] heeft uitgevoerd, onder meer in 2016, 2017 en 2020. [partij A] heeft ook onweersproken gesteld (en met stukken onderbouwd) en dat zij bij die opdrachten steeds de DNR 2011 van toepassing heeft verklaard. Dat [partij A] de DNR 2011 op al haar opdrachten van toepassing verklaard staat ook met zoveel woorden onderaan al haar facturen. Ter onderbouwing heeft [partij A] een factuur van [partij A] aan [partij B] van 21 december 2020 voor een ander werk overgelegd, waaronder staat:
“Opdrachten worden aanvaard en uitgevoerd overeenkomstig de “DNR 2011” (laatste versie)”. [partij A] heeft ook onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat [partij B] – een professionele producent van prefab-betonelementen die al lang in de bouw werkt – de DNR 2011 ook uit rechtsbetrekkingen met andere constructeurs moet kennen. Gelet op al die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [partij B] uit de in de offertes Werk Ring Zuid en Fommestraat opgenomen tekst
“ [partij A] werkt volgens de laatste versie van de DNR (…)”heeft moeten begrijpen dat [partij A] de DNR 2011 integraal van toepassing wilde laten zijn op de overeenkomsten. Door de offertes te aanvaarden heeft [partij B] ook de toepasselijkheid van de DNR 2011 aanvaard. Ook als [partij B] de inhoud van die algemene voorwaarden niet kende, is [partij B] hiermee aan die voorwaarden gebonden (artikel 6:232 BW Pro).
Beroep op vernietiging DNR 2011 wegens niet-terhandstelling
4.28.
[partij B] heeft een beroep gedaan op vernietiging van de DNR 2011 op grond van de artikelen 6:233, aanhef, sub b, en 6:234 BW, omdat de DNR 2011 niet vóór of bij het sluiten van de overeenkomsten aan [partij B] ter hand zouden zijn gesteld.
4.29.
In artikel 6:235 BW Pro is evenwel het volgende bepaald:
Op de vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234 kan geen beroep worden gedaan door
een rechtspersoon bedoeld in artikel 360 van Pro Boek 2, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk artikel 403 lid 1 van Pro Boek 2 is toegepast;
een partij op wie het onder a bepaalde niet van toepassing is, indien op voormeld tijdstip bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn of op dat tijdstip uit een opgave krachtens de Handelsregisterwet 2007 blijkt dat bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn.
4.30.
[partij A] heeft gesteld dat [partij B] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen geen volledige jaarrekening had gepubliceerd, maar dat op dat moment bij [partij B] wel ten minste vijftig personen werkzaam waren. [partij B] heeft dat niet betwist. Dat betekent dat [partij B] op grond van artikel 6:235, aanhef en onder b BW geen beroep kan doen op de vernietigingsgronden van de artikelen 6:233 en 6:234 BW.
Rente over de openstaande facturen
4.31.
De door [partij A] gevorderde wettelijke handelsrente over de openstaande factuurbedragen is op grond van artikel 56 lid Pro DNR 2011 toewijsbaar. Datzelfde geldt voor de op artikel 56 lid 7 DNR Pro 2011 gebaseerde verhoging van die rente met drie procentpunten vanaf een maand na het verstrijken van de betalingstermijn.
Buitengerechtelijke kosten en proceskosten
4.32.
Op grond van artikel 56 lid 9 DNR Pro 2011 komen alle werkelijk door [partij A] gemaakte onkosten om tot voldoening van de openstaande facturen te geraken voor rekening van [partij B] . Het gaat dan zowel om gerechtelijke als om buitengerechtelijke kosten.
4.33.
[partij A] stelt dat de buitengerechtelijke kosten voor deze incassoprocedure in elk geval bestaan uit € 5.481,28 aan advocaatkosten en € 30,70 aan door GGN gemaakte kosten. Deze kosten zijn met facturen onderbouwd. [partij A] stelt ook dat zij interne kosten heeft gemaakt van in totaal € 8.000, omdat vier van haar medewerkers ( [naam 1] , een tekenaar, een constructeur en een medewerkster van het secretariaat) tijd hebben moeten besteden om [partij B] tot betaling te bewegen, welke tijd zij niet voor andere werkzaamheden hebben kunnen inzetten.
4.34.
[partij A] heeft verder € 16.490,81 aan proceskosten gevorderd (€ 162,42 aan deurwaarderskosten, € 2.995 aan griffierecht en € 13.333,39 aan advocaatkosten). Die proceskosten zijn met facturen onderbouwd.
4.35.
Op grond van artikel 242 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechter de bevoegdheid om de buitengerechtelijke kosten en proceskosten ambtshalve te matigen, ook al is vergoeding hiervan door partijen bedongen of afgesproken. De proceskosten kunnen niet verder gematigd worden dan tot het forfaitaire bedrag waarop de rechter de proceskosten vaststelt overeenkomstig artikel 237 Rv Pro (in beginsel: het liquidatietarief). De buitengerechtelijke incassokosten die niet onder de proceskosten vallen kan de rechter matigen tot het bedrag van een redelijke schadeloosstelling. Daarbij dient de rechter te letten op de gebruikelijke tarieven die daarvoor aan opdrachtgevers in rekening worden gebracht. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) geeft normen voor de berekening van de buitengerechtelijke kosten voor vorderingen waarvan de omvang gemakkelijk is vast te stellen. De rechter mag matigen tot het volgens het Besluit begrote bedrag indien niet onderbouwd wordt gesteld dat de werkelijke kosten hoger zijn.
4.36.
[partij A] heeft een voldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds de buitengerechtelijke (advocaat)kosten en anderzijds de (advocaat)kosten die zijn gemaakt ter voorbereiding en instructie van deze zaak en het voeren van de gerechtelijke procedure. [partij A] heeft verder voldoende onderbouwd dat haar buitengerechtelijke kosten hoger zijn dan het tarief uit het Besluit. Het is verder voldoende aannemelijk dat [partij A] enige interne kosten heeft moeten maken ter incasso van haar vordering, maar het is onvoldoende onderbouwd dat de aan de zaak bestede tijd zo groot is als wordt gesteld. De rechtbank acht een tijdsbesteding van vier uur per medewerker voldoende onderbouwd en aannemelijk, dit komt opgeteld neer op € 1.480. De rechtbank ziet geen reden om daarnaast ook ambtshalve te matigen. Er is sprake van een kostenbeding tussen twee professionele partijen en [partij A] heeft onbetwist gesteld dat [partij B] in haar eigen algemene voorwaarden soortgelijke kostenbedingen hanteert die zouden uitkomen op een vergelijkbaar of zelfs hoger bedrag (namelijk een minimaaltarief van 15% van de hoofdsom, tenzij de werkelijke kosten hoger zijn). Aldus is een bedrag van € 6.991,98 toewijsbaar (€ 5.481,28 + € 30,70 + € 1.480). De wettelijke rente over deze kosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.37.
Ten aanzien van de proceskosten ziet de rechtbank evenmin reden tot ambtshalve matiging. Gezien de zakelijke aard van de relatie, de onderbouwde omvang van de kosten, en de vergelijkbare bedingen die [partij B] kennelijk hanteert, is een kostenveroordeling van de werkelijke kosten van € 16.490,81 niet onredelijk. De door de eis in reconventie veroorzaakte kosten zijn eveneens als kosten tot voldoening van de declaratie in de zin van artikel 56 lid 9 DNR Pro 2011 te kwalificeren, nu het ook in reconventie in essentie om de vraag draaide of de declaraties van [partij A] wel of niet terecht zijn.
4.38.
Ook de gevorderde nakosten en de wettelijke rente worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In voorwaardelijke reconventie
4.39.
Toewijzing van de vordering in reconventie is niet aan de orde, nu niet is gebleken dat [partij A] voor het Werk Ring Zuid te veel heeft gedeclareerd. [partij B] heeft dus geen recht op enige terugbetaling.
4.40.
[partij B] is in reconventie in het ongelijk gesteld en dient te worden veroordeeld in de proceskosten. Aangezien de proceskosten in reconventie al zijn meegenomen in de werkelijke proceskosten van € 16.490,81 in conventie, is een aparte kostenveroordeling in reconventie niet nodig.

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 27.406,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW) vanaf 29 juni 2024 tot en met 29 juli 2024 en de met 3%-punten verhoogde wettelijke handelsrente vanaf 30 juli 2024 tot en met de dag van volledige voldoening;
5.2.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 23.740,20, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW) vanaf 16 december 2023 tot en met 16 januari 2024 en de met 3%-punten verhoogde wettelijke handelsrente vanaf 17 januari 2024 tot en met de dag van volledige voldoening;
5.3.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 3.327,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (als bedoeld in artikel 6:119a BW) vanaf 6 juli 2025 tot en met 6 augustus 2025 en de met 3%-punten verhoogde wettelijke handelsrente vanaf 7 augustus 2025 tot en met de dag van volledige voldoening;
5.4.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 6.991,98 aan kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over een bedrag € 3.379,13 (€ 1.899,13 + 1.480) vanaf 14 juni 2025, en over een bedrag van € 3.582,15 vanaf 17 november 2025, in beide gevallen tot aan de dag van volledige voldoening;
5.5.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 16.490,81 aan proceskosten en € 278 aan nakosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [partij B] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 82 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In (voorwaardelijke) reconventie
5.8.
wijst de vordering van [partij B] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
Type: 2431

Voetnoten

1.Zie onder andere Hoge Raad 10 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572.