Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16857

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32286
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor voortzetting arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA-afwijzing

Verzoeker, van Nepalese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek op 7 juni 2026 af. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij tijdens de bezwaarprocedure mocht blijven werken.

De minister gaf bij brief aan zich niet te verzetten tegen het verzoek om de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zag geen beletselen om het verzoek toe te wijzen. De voorlopige voorziening geldt zolang het bezwaar niet is ingetrokken of beëindigd.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien hoger beroep of verzet niet openstaat.

Uitkomst: Verzoeker mag tijdens de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van zijn GVVA-verlenging blijven werken; minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.32286
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1990, van Nepalese nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Sinniah).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, dat ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De minister heeft bij brief van 15 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen hetgeen is verzocht, voor zover dit ziet op het mogen blijven werken gedurende de bezwaarprocedure.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden; en,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).