ECLI:NL:RBDHA:2026:16825

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/686626 / FA RK 25-4327
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en alimentatie in samengesteld gezin met flexibele omgangsregeling

Partijen, ouders van twee kinderen, verzoeken de rechtbank om wijziging van de zorgregeling en alimentatie. De zorgregeling wordt aangepast naar een flexibele regeling omdat de minderjarige sinds februari 2026 bij de vader woont en partijen niet communiceren over de omgang.

De rechtbank beoordeelt de alimentatieverzoeken voor de jongmeerderjarige en de minderjarige. Voor de jongmeerderjarige wordt de alimentatie vanaf 1 april 2026 op nihil gesteld omdat hij fulltime werkt. Voor de minderjarige wordt de alimentatie berekend met toepassing van de nieuwe methode voor samengestelde gezinnen, waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van de vader, moeder en diens partner.

De vader heeft onvoldoende draagkracht om aan alle onderhoudsverplichtingen te voldoen, waardoor de alimentatie naar rato wordt verdeeld. De rechtbank stelt de alimentatie voor de minderjarige vast op €172 per maand vanaf 6 juni 2025 tot 1 februari 2026, daarna op nihil vanwege het verblijf bij de vader. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling naar een flexibele omgang en stelt de alimentatie voor de minderjarige en jongmeerderjarige vast met ingang van respectievelijk 6 juni 2025 en 1 april 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4327
Zaaknummer: C/09/686626
Datum beschikking: 22 mei 2026

Wijziging zorgregeling en alimentatie

Beschikking op het op 6 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
mede namens
[jongmeerderjarige],
beiden wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van 25 juni 2025, met bijlagen, van de moeder;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het bericht van 20 augustus 2025, met bijlage, van de moeder;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het bericht van 17 september 2025 van de moeder;
- het bericht van 15 januari 2026 van de moeder;
- het bericht van 3 april 2026, met bijlagen, van de vader;
- het bericht van 13 april 2026, met bijlage van de moeder.
De [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Op 24 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder en de zoon met hun advocaat;
- de vader met zijn advocaat.
Nadat de alimentatie is besproken, heeft de zoon de zaal verlaten. Daarna is de zorgregeling voor [minderjarige 1] besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van:
- de [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] ,
- de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats 1] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit.
- De vader en zijn partner, [partner van vader] , zijn de ouders van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2] . [partner van vader] heeft nog een zoon: [minderjarige 3] .

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – met wijziging in zoverre van de door partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst van 29 juli 2016 en het daaraan gehechte ouderschapsplan – te bepalen dat:
- de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat tussen het contact [minderjarige 1] en haar vader flexibel wordt gehouden;
- de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van datum indiening verzoekschrift wordt gewijzigd naar een bedrag van € 246,- per maand en voor [jongmeerderjarige] van € 277,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader voert verweer, dat hierna wordt besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig:
- de moeder te veroordelen om de zorgregeling voor [minderjarige 1] uit het ouderschapsplan van 4 augustus 2016 na te komen, op straffe van een dwangsom van € 200,- per keer dat de zorgregeling, na betekening van deze beschikking, niet wordt nagekomen;
- de alimentatie ten behoeve van [jongmeerderjarige] vast te stellen op nihil met ingang van [geboortedatum 1] 2024,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Wijziging zorgregeling
Ontvankelijkheid
De moeder verzoekt om wijziging van de zorgregeling zoals partijen deze zijn overeengekomen in het ouderschapsplan. Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat al langere periode geen uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan. De rechtbank constateert hiermee dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
In het ouderschapsplan zijn partijen een co-ouderschapregeling overeengekomen, waarbij [minderjarige 1] om het weekend en op de dagen dat de moeder doordeweeks werkt bij de vader is. Zoals eerder overwogen, wordt al langere tijd geen uitvoering aan deze regeling gegeven. Zo heeft [minderjarige 1] enige tijd vrijwel geen contact met de vader gehad. Inmiddels is de situatie echter opnieuw gewijzigd, in die zin dat [minderjarige 1] sinds februari 2026 bij de vader woont. Het is niet duidelijk of dit blijvend is. De rechtbank heeft de indruk dat [minderjarige 1] op dit moment zelf bepaalt wanneer ze bij welke ouder verblijft en dat de ouders hierin berusten. Nu gebleken is dat partijen op geen enkele wijze met elkaar communiceren en het daarom niet lukt om [minderjarige 1] goed aan te sturen, ziet de rechtbank geen mogelijkheden om de huidige situatie te veranderen. De rechtbank zal daarom een flexibele zorgregeling bepalen.
Wijziging alimentatie
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de kinderalimentatie.
Inhoudelijke beoordeling ten aanzien van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige]
Op de zitting hebben de vader en de zoon afgesproken dat de vader over de periode van januari tot en met maart 2026 een bedrag van € 277,- per maand aan alimentatie aan de zoon zal betalen. Vanaf 1 april 2026 zal de rechtbank de alimentatie ten behoeve van de zoon op nihil stellen, omdat gebleken is dat [jongmeerderjarige] fulltime werkt en daarmee genoeg verdient om in zijn eigen behoefte te voorzien. Hierbij merkt de rechtbank op dat deze situatie kan veranderen zodra [jongmeerderjarige] besluit te gaan studeren. Partijen dienen in dat geval opnieuw met elkaar in overleg te treden.
Inhoudelijke beoordeling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 1]
Bij de vaststelling en berekening van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het Rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van de onderhoudsverplichtingen. De vader is voor [minderjarige 1] onderhoudsplichtig, maar ook voor [minderjarige 2] , het kind met zijn partner (hierna: [partner van vader] ). Dit is door de moeder niet betwist.
[partner van vader] heeft uit een eerdere relatie een minderjarige zoon: [minderjarige 3] . Omdat de vader niet getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft met [partner van vader] , is geen sprake van een onderhoudsverplichting van de vader jegens [minderjarige 3] .
Bij een samenloop zoals hiervoor omschreven moet de rechtbank beoordelen of de vader in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De rechtbank zal voor de draagkrachtverdeling van de vader de nieuwe methode bij samengestelde gezinnen toepassen. De rechtbank zal de draagkracht van de vader voor zijn aandeel in beide gezinnen apart berekenen. Zo wordt de zuivere draagkracht van de vader per gezin berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Voor zover de vader een tekort heeft om in het totaal van de aandelen van de kinderen te kunnen voorzien, wordt dit naar rato van dit tekort over de aandelen omgeslagen. De rechtbank zal dit hieronder verder uitleggen.
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen.
De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten
6 juni 2025, hanteren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader vanaf die datum rekening kunnen houden met een wijziging van de kinderalimentatie.
Behoefte [minderjarige 1]
De behoefte van [minderjarige 1] en [jongmeerderjarige] is in het door partijen ondertekende ouderschapsplan van 4 augustus 2016 vastgesteld op € 925,- per maand in 2016, te weten € 462,50 per kind per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 615,- per maand.
Behoefte [minderjarige 2]
Bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige 2] hanteert de rechtbank de uitgangspunten, als neergelegd in het Rapport en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) van de ouders ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal de behoefte van [minderjarige 2] berekenen aan de hand van de inkomensgegevens over 2025 en de tarieven 2025-1, omdat partijen over die periode gegevens hebben overgelegd.
Aan de zijde van de vader gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van € 51.000,- in 2025, zoals blijkt uit zijn jaaropgave van 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 3.270,- per maand.
Aan de zijde van [partner van vader] gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van € 33.623,-, zoals blijkt uit haar jaaropgave van 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent het NBI van [partner van vader] op € 2.724,- per maand.
Het NBGI van partijen bedraagt in 2025 (3.270 + 2.724 =) € 5.994,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen geen recht op kindgebonden budget. Gelet op voormeld NBGI, bedraagt de behoefte van [minderjarige 2] in 2025 op basis van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ uit het Rapport € 809,- per maand.
Draagkracht vader
Zoals hiervoor overwogen berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 3.270,- per maand.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. Gelet hierop, bedraagt de draagkracht van de vader € 685,- per maand.
Draagkracht moeder
Bij de berekening van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van € 53.321,-, zoals blijkt uit haar jaaropgave van 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 3.769,- per maand.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. Gelet hierop, bedraagt de draagkracht van de moeder € 930,- per maand.
Draagkracht [partner van vader]
Zoals hiervoor overwogen berekent de rechtbank het NBI van [partner van vader] in 2025 op € 2.724,- per maand.
Omdat het NBI van [partner van vader] hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. Gelet hierop, bedraagt de draagkracht van [partner van vader] € 418,- per maand.
Zoals eerder overwogen, heeft [partner van vader] een minderjarige zoon ( [minderjarige 3] ) uit een eerdere relatie jegens wie zij ook onderhoudsplichtig is. Bij gebrek aan gegevens acht de rechtbank het redelijk om de draagkracht van [partner van vader] evenredig over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verdelen. Dit betekent dat de rechtbank bij de draagkrachtvergelijking aan de zijde van [partner van vader] uit zal gaan van een draagkracht van (418 / 2 =) € 209,- per maand.
Draagkrachtvergelijking tussen vader en moeder
De vader en de moeder hebben een gezamenlijke draagkracht van (685 + 930 =) € 1.615,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien (€ 615,- per maand). De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken, waarbij de behoefte van [minderjarige 1] naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 685 / 1.615 x 615 = € 261,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 930 / 1.615 x 615 = € 354,-
Totaal: € 615,-
Uit bovenstaande volgt dat van de totale behoefte van [minderjarige 1] een gedeelte van € 261,- per maand voor rekening van de vader komt en een gedeelte van € 354,- per maand voor rekening van de moeder.
Draagkrachtvergelijking tussen vader en [partner van vader]
De vader en [partner van vader] hebben een gezamenlijke draagkracht van (685 + 209 =) € 894,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 2] te voorzien (€ 809,- per maand). De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte van [minderjarige 2] naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank opnieuw de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 685 / 894 x 809 = € 620,-
Het eigen aandeel van [partner van vader] bedraagt: 209 / 894 x 809 = € 189,-
Totaal: € 809,-
Uit bovenstaande volgt dat van de totale behoefte van [minderjarige 2] een gedeelte van € 620,- per maand voor rekening van de vader komt en een gedeelte van € 189,- per maand voor rekening van [partner van vader] .
Tussenconclusie
Op basis van de voorgaande berekening zou de vader voor [minderjarige 1] € 261,- per maand bij moeten dragen en voor [minderjarige 2] € 620,- per maand. Samen is dat € 881,- per maand. De vader heeft echter maar een draagkracht van € 685,- per maand. Dit is onvoldoende om in zijn onderhoudsverplichtingen te voorzien.
In een dergelijk geval moet het beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk over de kinderen worden verdeeld. Bijzondere omstandigheden kunnen echter aanleiding geven tot een andere verdeling. De rechtbank ziet aanleiding voor een andere verdeling, want hier is er een verschil in wat ieder van de kinderen nodig heeft. De rechtbank zal daarom het tekort aan draagkracht van de vader naar rato van de hiervoor becijferde aandelen omslaan.
Dit betekent dat de vader voor [minderjarige 1] een bedrag van (261 / 881 x 685 =) € 203,- per maand beschikbaar heeft en voor [minderjarige 2] een bedrag van (620 / 881 x 685 =) € 482,- per maand.
Zorgkorting
Het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Omdat [minderjarige 1] in 2025 nauwelijks bij de vader was, zal de rechtbank een zorgkorting van 5% hanteren. Dat is € 31,- per maand.
Einddatum
Omdat [minderjarige 1] sinds februari 2026 bij de vader verblijft en niet duidelijk is hoe lang deze situatie zal aanhouden, zal de rechtbank de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2026 op nihil stellen. Hoewel [minderjarige 1] bij de moeder ingeschreven staat en de moeder nog steeds alle vaste kosten ten aanzien van [minderjarige 1] draagt, voldoet de vader aan zijn onderhoudsplicht door te voorzien in de dagelijkse behoefte van [minderjarige 1] . Als [minderjarige 1] weer terugverhuist naar de moeder, zullen partijen opnieuw met elkaar in overleg moeten gaan en eventueel een nieuwe berekening maken.
Eindconclusie
De rechtbank zal de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 6 juni 2025 vaststellen op € 172,- per maand.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van het door partijen ondertekende ouderschapsplan van 4 augustus 2016 – :
bepaalt dat de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats 1] , flexibel bij beide ouders zal verblijven;
bepaalt de door de vader te betalen alimentatie voor [minderjarige 1] :
- met ingang van 6 juni 2025 op € 172,- per maand;
- met ingang van 1 februari 2026 op nihil;
Stelt vast dat de vader van 1 januari 2026 tot 1 april 2026 aan de [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] , € 277,- per maand aan alimentatie zal betalen:
Bepaalt de door de vader aan de alimentatie aan de [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] , met ingang van 1 april 2026 op nihil;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2026.