ECLI:NL:RBDHA:2026:16746

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
FA RK 25/4827 C/09/687567
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:5 lid 8 BWArt. 1:253c lid 1 en 2 BWArt. 1:377a lid 1 en 2 BWArt. 1:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming erkenning minderjarige geweigerd gezamenlijk gezag en omgang wegens belast verleden ouders

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor erkenning van zijn kind, gezamenlijk gezag, een omgangsregeling en wijziging van de achternaam. De moeder verzette zich tegen gezamenlijk gezag en omgang vanwege een belast verleden van de man, waaronder een TBS-maatregel en agressief gedrag.

De rechtbank oordeelde dat erkenning in het belang van het kind is en geen schade veroorzaakt aan de moeder of het kind. De erkenning leidt niet automatisch tot gezamenlijk gezag of omgang. Gezag werd afgewezen omdat de communicatie tussen ouders ernstig verstoord is en het kind daardoor risico loopt.

Ook een omgangsregeling werd afgewezen, behalve dat de man om de week een kaartje mag sturen. De moeder blijft de man maandelijks informeren over het welzijn van het kind. De rechtbank beëindigde de bijzondere curator en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vervangende toestemming erkenning verleend, gezamenlijk gezag en uitgebreide omgang afgewezen, beperkte omgangs- en informatieregeling vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: C/09/687567
Zaaknummer: FA RK 25/4827
Datum beschikking: 21 mei 2026
Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgangsregeling, informatieregeling, geslachtsnaam

Beschikking op het op 14 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.R. Breman-Kleine in Zwolle.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.L. Witteveen in Rotterdam.

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. H. Polat,
advocaat in Rijswijk,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 1 juli 2025 van de man, met bijlage;
  • het rapport van 11 augustus 2025 van de (voormalige) bijzondere curator;
  • het bericht van 25 augustus 2025 van de man;
  • het bericht van 26 oktober 2025 van de (voormalige) bijzondere curator;
  • het rapport van 3 februari 2026 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 13 april 2026 van de man met bijlagen.
Op 16 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator
Aan de heer [naam] , sociaalpedagogisch hulpverlener bij opname-afdeling [afdeling] in [plaats 1] , is bijzondere toegang tot de zitting verleend.

Verzoek en verweer

De man verzoekt de rechtbank om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen;
  • de man samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag;
  • vervangende toestemming te verlenen voor wijziging van de achternaam van de minderjarige van Meeuwenoord in Burggraaf;
  • een contactregeling vast te stelen waarbij de man en de minderjarige (minimaal) tweemaal per week ongeveer 15 minuten beeldbellen, eventueel eerst onder begeleiding van een medewerker van de FPK kliniek waar de man thans verblijft;
  • een zorgregeling op te starten in de FPK kliniek onder regie en begeleiding van de FPK kliniek waar de man thans verblijft;
  • een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw de man tenminste één keer per maand per e-mail een update stuurt waarin zij hem laat weten hoe het met de minderjarige gaat, met daarbij een actuele foto van de minderjarige.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder verzoekt de rechtbank, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
de verzoeken van de man tot vaststelling van gezamenlijk ouderlijk gezag en tot vaststelling van een omgangs- c.q. zorgregeling af te wijzen;
de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming om de achternaam van [de minderjarige 1] te wijzigen

subsidiair:

3. de man een contactregeling toe te kennen waarin hij tweewekelijks een kaartje mag sturen naar [de minderjarige 1] .
De bijzondere curator adviseert het verzoek om vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige toe te wijzen.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Uit de affectieve relatie van de man en de vrouw is op [datum 1] 2021 in [plaats 2] de minderjarige [de minderjarige 2] geboren. [de minderjarige 2] is, met toestemming van de vrouw, door de man erkend en daarbij hebben de man en de vrouw ervoor gekozen [de minderjarige 2] de achternaam van de man te geven.
  • [de minderjarige 2] is direct na haar geboorte onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst.
  • Op [datum 2] 2023 is uit de moeder [de minderjarige 1] geboren.
  • [de minderjarige 1] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 1] woont bij de moeder.
  • De man, de moeder en [de minderjarige 1] hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 28 juli 2025 is mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Roosendaal, advocaat in Leiden, benoemd tot bijzondere curator teneinde [de minderjarige 1] ingevolge artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2025 is het verzoek van de man om bij wijze van voorlopige voorziening een contactregeling vast te stellen met [de minderjarige 1] afgewezen en is vastgesteld dat de moeder de man één keer per maand informatie zal sturen over wat belangrijk is in het leven van [de minderjarige 1] en hoe zij zich ontwikkelt, met daarbij een paar actuele foto’s van [de minderjarige 1] .
  • Bij beschikking van 8 december 2025 is mr. Kamphuis-Jansen van Roosendaal wegens haar pensionering ontslagen van haar taak als bijzondere curator en is in haar plaats mr. H. Polat voornoemd benoemd tot bijzondere curator.

Beoordeling

Erkenning
Wettelijk kader
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Standpunten
De man stelt dat het in het belang van [de minderjarige 1] is dat hun relatie in rechte wordt erkend als familierechtelijke betrekking.
De moeder heeft geen bezwaar tegen de erkenning, maar zij vreest voor de gevolgen van de erkenning. De moeder vreest dat de erkenning er (op termijn) toe zal leiden dat de man ook gezag over [de minderjarige 1] zal krijgen, dat hij omgang met [de minderjarige 1] zal kunnen afdwingen en dat [de minderjarige 1] de achternaam van de man zal krijgen.
De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen. De bijzondere curator voert daartoe aan dat tussen partijen vast staat dat de man de verzoeker is van [de minderjarige 1] en dat het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan de vervangende toestemming worden onthouden, namelijk in het geval dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden indien de toestemming zou worden vervangen. Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich hier niet voor, aldus de bijzondere curator.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen vaststaat dat de man de verwekker is van [de minderjarige 1] . Dat betekent dat de rechtbank de vraag moet beantwoorden of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige 1] of de belangen van [de minderjarige 1] zal schaden. Voor de beantwoording van de vraag komt het aan op een afweging van de belangen van alle betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als [de minderjarige 1] er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige 1] of de belangen van [de minderjarige 1] geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man.
Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor haar reële risico’s zijn dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [de minderjarige 1] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft.
Dat de erkenning van [de minderjarige 1] de band tussen haar en de moeder verstoort of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige 1] zal schaden, is niet aannemelijk geworden. Ook de moeder verwacht dat niet, haar bezwaren zien op de mogelijke gevolgen van de erkenning voor het gezag en het contact tussen de man en [de minderjarige 1] . Erkenning van [de minderjarige 1] leidt echter niet automatisch tot gezamenlijk gezag van de ouders en heeft evenmin invloed op het recht op omgang van de man met [de minderjarige 1] , aangezien hij haar biologische vader is.
Op grond van artikel 1:5, lid 8, BW heeft de erkenning wel gevolgen voor de achternaam van [de minderjarige 1] . In dit artikel is namelijk bepaald dat de achternaam die ouders voor hun eerste kind kiezen, ook de achternaam zal zijn van de andere kinderen die zij samen krijgen. De ratio van de bepaling is de eenheid van naam binnen een gezin. Dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] feitelijk niet in hetzelfde gezin opgroeien, verandert niets aan het belang dat zij hebben bij het dragen van dezelfde achternaam. Integendeel, het dragen van dezelfde achternaam kan voor hen bijdragen aan het gevoel tot hetzelfde gezin te behoren en daarmee hun band versterken. Dat acht de rechtbank in hun belang en dat belang weegt voor de rechtbank zwaarder dan het belang van de moeder om de naam van haar overleden vader door te geven aan [de minderjarige 1] . Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de moeder op zitting heeft verklaard dat zij niet minder van [de minderjarige 1] zal houden als zij de achternaam van de man draagt. Tot slot betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat [de minderjarige 1] zich, gelet op haar leeftijd, nog niet met haar huidige achternaam identificeert, zodat de wijziging van haar achternaam in zoverre geen ingrijpende gevolgen voor haar zal hebben.
De rechtbank zal de man daarom toestemming geven voor erkenning.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten
De man wil het gezag over [de minderjarige 1] , omdat hij maar sporadisch geïnformeerd wordt over haar ontwikkeling en welzijn. De man vindt het belangrijk om te weten hoe het met [de minderjarige 1] gaat en hoopt door het krijgen van het gezag beter op de hoogte gehouden te worden. Op zitting heeft de man desgevraagd verklaard dat hij ook graag betrokken wil worden bij beslissingen die over het leven van [de minderjarige 1] moeten worden genomen. De man stelt dat er niets aan het gezamenlijk gezag in de weg staat en zegt toe dat hij toestemming zal verlenen als dat noodzakelijk is.
De moeder stelt dat de ouders niet in staat zijn tot constructieve communicatie, waardoor [de minderjarige 1] klem of verloren zal raken bij gezamenlijk gezag. De vrouw staat ook niet open voor contact met de man, die zich in het verleden veelvuldig dreigend en denigrerend naar haar heeft geuit. Ook heeft de man haar in het verleden, na de relatiebreuk, soms wel 130 keer op een dag gebeld om contact met [de minderjarige 1] te forceren. De man heeft mede daarom een straatverbod. De man stelt zich ook naar hulpverleners dreigend op en de moeder vreest dat gezamenlijk gezag er uiteindelijk toe zal leiden dat [de minderjarige 1] , net als [de minderjarige 2] , onder toezicht zal worden gesteld en uit huis zal worden geplaatst. De vrouw verwacht niet dat de man zijn gedrag zal kunnen wijzigen. De man kent [de minderjarige 1] bovendien niet, waardoor hij niet in staat is om keuzes in haar belang te maken. Dit alles maakt dat afwijzing van het verzoek in het belang van [de minderjarige 1] noodzakelijk is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat afwijzing van het verzoek in het belang van [de minderjarige 1] noodzakelijk is. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Tijdens de relatie is er veelvuldig sprake geweest van verbaal en fysiek geweld tussen partijen en dit heeft er – in samenhang met de door de man jegens de bij [de minderjarige 2] betrokken hulpverleners geuite bedreigingen waarvoor hij ook strafrechtelijk is veroordeeld met oplegging van een TBS-maatregel – toe geleid dat [de minderjarige 2] direct na haar geboorte uit huis is geplaatst. De moeder heeft door deze gebeurtenissen geen vertrouwen meer in de man en iedere basis voor constructieve communicatie – en daarmee ook voor gezamenlijk gezag – ontbreekt.
De rechtbank ziet dat de man aan zichzelf werkt en dat hij zijn emoties beter dan in het verleden onder controle kan houden. De behandeling van de man is echter nog niet afgerond en er is nog steeds sprake van agressieregulatieproblematiek. Onder deze omstandigheden kan nog niet gewerkt worden aan herstel van het vertrouwen en verbetering van de communicatie tussen de man en de moeder.
Dat de man op de hoogte gehouden wil worden over het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] is begrijpelijk, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Ten eerste omdat daarvoor gezamenlijk gezag niet noodzakelijk is. Ten tweede omdat tijdens de zitting is gebleken dat de moeder inmiddels een manier heeft gevonden om de man te informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige 1] . Daarbij heeft de moeder het initiatief genomen om de man niet alleen enkele foto’s, maar ook filmpjes van [de minderjarige 1] te sturen. De moeder heeft toegezegd de man ook in de toekomst te blijven informeren en de rechtbank heeft er vertrouwen in dat zij dat ook zal doen.
Geslachtsnaam
De man heeft verzocht om vervangende toestemming voor wijziging van de achternaam van [de minderjarige 1] . Omdat de wijziging van de achternaam uit de wet voortvloeit, zoals hiervoor uiteen is gezet, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Omgangsregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek heeft een kind recht op omgang met zijn ouder en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. De rechtbank stelt op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een omgangsregeling vast.
Standpunten
De man wil zo snel mogelijk het contact met [de minderjarige 1] herstellen. Toen partijen nog een relatie hadden, had de man regelmatig contact met [de minderjarige 1] middels beeldbellen en ook is de moeder enkele keren met [de minderjarige 1] bij de man op bezoek gekomen. Sinds september/oktober 2024 is de relatie tussen partijen echter definitief beëindigd. Sindsdien heeft de man [de minderjarige 1] niet meer gezien. De man wil beginnen met twee keer per week ongeveer 15 minuten videobellen en op termijn wil hij ook (begeleide) omgang. Begeleide omgang is mogelijk in de kliniek waar de man op dit moment verblijft. [de minderjarige 1] is nog klein en het is daarom belangrijk dat er structureel contact is, zodat zij haar vader leert kennen. Vader heeft ook in het licht van 8 EVRM recht op en belang bij contactherstel. Het is schadelijk voor [de minderjarige 1] dat het contact ineens beëindigd is en zij haar vader ineens lange tijd niet meer heeft kunnen zien.
De moeder verzet zich tegen de verzoeken. De moeder zou de door de man gevraagde contacten moeten begeleiden en dat acht zij gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen niet wenselijk. De onderlinge spanningen zijn belastend voor [de minderjarige 1] en niet in haar belang. De moeder verwijst naar wat daarover is opgenomen in de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure. Er is sindsdien niets gewijzigd.
Uit het plan van aanpak van [de minderjarige 2] blijkt bovendien dat de man onvoldoende aansluit bij de behoefte van [de minderjarige 2] in het contact en dat hij zich niet houdt aan afspraken. De moeder is er bang voor dat bij [de minderjarige 1] hetzelfde zou gebeuren.
Als de rechtbank al aanleiding ziet voor een contactregeling, dan zou die hetzelfde moeten zijn als voor [de minderjarige 2] , namelijk dat de man in staat wordt gesteld om kaartjes te sturen. Indien dat goed gaat en de man vertrouwen terugwint door dit consequent te doen valt er wat de moeder betreft op termijn te spreken over eventuele uitbreiding, waarbij gedacht kan worden aan een soortgelijke opbouw als nu met [de minderjarige 2] plaatsvindt, te weten eerst video’s uitwisselen, en als dat goed gaat mogelijk ook videobellen. Dat alles moet wel onder professionele begeleiding, bijvoorbeeld door Cardea, plaatsvinden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank sluit aan bij het oordeel dat in de voorlopige voorzieningenprocedure is gegeven ten aanzien van de contacten tussen [de minderjarige 1] en de man. De rechtbank ziet dat de man sindsdien stappen heeft gezet in zijn eigen ontwikkeling, maar constateert tegelijkertijd dat er in de verhouding tussen partijen nog geen verbetering is gekomen. De relatie tussen hen is nog altijd ernstig verstoord en dat betekent dat videobellen nog altijd teveel spanning zal opleveren bij de moeder. Het is niet in het belang van [de minderjarige 1] om steeds met die spanning geconfronteerd te worden. Bovendien kan in een zodanig gespannen setting geen sprake zijn van onbelast contact. Ook dat is niet het belang van [de minderjarige 1] .
De rechtbank hoopt dat het in de toekomst in het belang van [de minderjarige 1] kan zijn om weer contact te hebben met de man. De man blijft de biologische vader van [de minderjarige 1] . Bij [de minderjarige 1] kan de behoefte ontstaan om de man te leren kennen. Het kan daarbij helpen als de man kaartjes naar [de minderjarige 1] stuurt. Ook al zal [de minderjarige 1] dat gezien haar leeftijd nu nog niet begrijpen, het kan in de toekomst voor haar van waarde zijn om te weten dat haar vader altijd aan haar heeft gedacht. De man heeft op zitting ook verteld dat hij inziet dat het belangrijk is voor [de minderjarige 1] om kaartjes van hem te krijgen. De rechtbank zal daarom als omgangsregeling vastleggen dat de man [de minderjarige 1] om de week een kaartje stuurt. De rechtbank acht het op dit moment nog te vroeg om vooruit te lopen op uitbreiding van de omgangsregeling.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van de omgangsregeling afwijzen en het subsidiaire verzoek van de moeder toewijzen.
Informatieregeling
Tijdens de zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure is afgesproken dat de moeder ervoor zorgt dat er elke maand informatie en de foto‘s van [de minderjarige 1] bij de man terechtkomen, bijvoorbeeld via de advocaten, de jeugdbescherming of reclassering. Daarnaast is afgesproken dat de man hier niet op reageert.
Tijdens de zitting in deze zaak is gebleken dat deze regeling – ondanks enkele opstartproblemen – inmiddels goed loopt. De rechtbank zal daarom vastleggen dat de moeder zorgt dat de man één keer per maand informatie ontvangt over wat belangrijk is in het leven van [de minderjarige 1] en hoe zij zich ontwikkelt, met daarbij een paar actuele foto’s van [de minderjarige 1] .
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1986 te [geboorteplaats 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1985 te [geboorteplaats 2] , [land] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
*
stelt als omgangsregeling vast dat de man [de minderjarige 1] om de week een kaartje stuurt;
*
stelt vast dat de moeder de man één keer per maand informatie zal sturen over wat belangrijk is in het leven van [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] , en hoe zij zich ontwikkelt, met daarbij een paar actuele foto’s van [de minderjarige 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2026.