ECLI:NL:RBDHA:2026:16742

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/09/688045 / HA RK 25-348
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArt. 4 Pakistan Citizenship ActArt. 5 Pakistan Citizenship Act
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van minderjarige kinderen van Rohingya-afkomst

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van ouders om de staatloosheid vast te stellen van hun minderjarige kinderen, geboren in het buitenland en van Rohingya-afkomst. De kinderen zijn niet erkend als onderdaan door Pakistan, Myanmar, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten of Nederland.

Verzoekers betoogden dat de kinderen geen Pakistaanse nationaliteit bezitten, ondanks het bezit van Pakistaanse paspoorten door de ouders, vanwege systematische discriminatie en het ontbreken van registratie in het Pakistaanse NADRA-register. De Staat stelde dat de kinderen via de moeder de Pakistaanse nationaliteit hebben verkregen volgens de Pakistan Citizenship Act, en dat registratie in het NADRA-register geen vereiste is.

De rechtbank oordeelde dat de feitelijke praktijk van de Pakistaanse autoriteiten, die de kinderen niet erkennen en weigeren te registreren, leidt tot de iure staatloosheid. Ook andere landen erkennen de kinderen niet als onderdaan. De rechtbank wees het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en veroordeelde de Staat niet in proceskosten.

De beschikking werd uitgesproken op 21 mei 2026 door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de minderjarige kinderen staatloos zijn omdat geen enkele staat hen als onderdaan erkent.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 25-348
Zaaknummer: C/09/688045
Datum beschikking: 21 mei 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 3 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] en [de moeder],

de vader en de moeder, hierna: verzoekers,
in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarigen: [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.S. Fahad in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelend in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. K.A. van Iwaarden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van de Staat van 7 oktober 2025, met bijlagen;
  • het bericht van verzoekers van 31 oktober 2025, met bijlagen;
  • het bericht van de Staat van 18 november 2025, met bijlagen;
  • het bericht van verzoekers van 26 maart 2026, met bijlagen.
Op 9 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoekers bijgestaan door hun advocaat en een tolk N.N. Lwin;
  • mr. K.A. van Iwaarden namens de Staat.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier:
  • De vader is geboren op [geboortedatum 1] 1989 in [geboorteplaats 1], [land 1] en de moeder is geboren op [geboortedatum 2] 1991 in [geboorteplaats 2], [land 2].
  • Verzoekers zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats 3], [land 3].
  • Verzoekers zijn daarnaast de ouders van de minderjarige kinderen (hierna ook: de kinderen):
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 4] 2020 in [geboorteplaats 4];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 5] 2022 in [geboorteplaats 5].
  • Verzoekers hebben tot medio 2012 in Saoedi-Arabië gewoond.
  • Verzoekers hebben tot medio 2018 in de Verenigde Arabische Emiraten gewoond.
  • Verzoekers en [minderjarige 3] zijn op 18 april 2018 Nederland ingereisd. Verzoekers hebben, mede namens [minderjarige 3], op 21 april 2018 asiel aangevraagd in Nederland. De asielaanvraag is afgewezen.

Verzoek en het advies van de Staat

Verzoekers vragen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
  • vast te stellen dat de kinderen staatloos zijn;
  • de Staat te veroordelen in de kosten van deze procedure.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Beoordeling

Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.
Op grond van lid 1 van dit artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekers en de kinderen in Nederland wonen. De rechtbank is van oordeel dat verzoekers een onmiddellijk belang hebben bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid van de kinderen, zodat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek.
Relevante landen
Tussen verzoekers en de Staat is niet in geschil dat bij de beoordeling van het verzoek door de rechtbank de landen Pakistan, Saoedi-Arabië, Myanmar, de Verenigde Arabische Emiraten en Nederland moeten worden betrokken.
Omdat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat de kinderen nog een andere nationaliteit kunnen hebben verkregen, zal de rechtbank deze landen bij de beoordeling van de staatloosheid van de kinderen betrekken.
Worden de kinderen als onderdaan van Pakistan beschouwd?
Tussen verzoekers en de Staat is in geschil of de kinderen de Pakistaanse nationaliteit hebben.
Verzoekers voeren aan dat de kinderen niet de Pakistaanse nationaliteit hebben. Verzoekers zijn weliswaar in het bezit van Pakistaanse paspoorten, maar deze zijn via een tussenpersoon op oneigenlijke wijze verkregen en uit het bezit van een oneigenlijk verkregen Pakistaans paspoort kan geen bezit van de Pakistaanse nationaliteit worden afgeleid. Verzoekers, en dus de kinderen, behoren etnisch tot de Rohingya bevolkingsgroep en Rohingya kunnen, ook al zijn zij wel in het bezit van een Pakistaans paspoort, de Pakistaanse nationaliteit niet verkrijgen. Dit volgt onder meer uit de ambtsberichten Pakistan van september 2022 en juli 2024 en het rapport van het Europese Asielagentschap van 13 oktober 2025 en wordt ook bevestigd in verschillende nieuwsberichten. Primair stellen verzoekers zich op het standpunt dat zij zelf de Pakistaanse nationaliteit niet hebben, met als gevolg dat de kinderen dus niet door afstamming de Pakistaanse nationaliteit hebben verkregen. Subsidiair stellen verzoekers zich op het standpunt dat de kinderen de Pakistaanse nationaliteit niet via de moeder, die is geboren in [land 2], hebben verkregen. Dat de kinderen niet worden beschouwd als onderdaan van Pakistan volgt ook uit de officiële bevestiging van de Pakistaanse ambassade van 3 november 2022 waarin is aangegeven dat de kinderen niet staan geregistreerd in het NADRA-register (het nationale bevolkingsregister van Pakistan). Verzoekers hebben zich meermaals, ook met behulp van derden, tevergeefs ingespannen om de kinderen daarin alsnog in te schrijven. Verder heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in het verslag van het vertrekgesprek van 17 september 2024 aangegeven dat het hen niet lukt om een oplossing te vinden voor de kinderen en hen te voorzien van een reisdocument in het kader van een gedwongen terugkeer. De non-verificatie van de kinderen in het NADRA-register toont aan dat de kinderen niet de Pakistaanse nationaliteit hebben. In gevallen waarbij een ouder niet door ius soli de Pakistaanse nationaliteit heeft verkregen – wat het geval is bij de moeder, onder verwijzing naar een uitspraak van Peshawar High Court uit 1999 inzake Ghulam Sanai vs. The Assistant Director – en het kind wordt in het buitenland geboren, is inschrijving in het NADRA-register immers volgens de Pakistaanse wetgeving een vereiste om reisdocumenten te kunnen verkrijgen. Aan de door de Staat overgelegde nationaliteitsverklaring van verzoekers kan volgens verzoekers geen waarde worden gehecht, gelet op de systematische discriminatie en uitsluiting van staatburgerschap van Rohingya.
De Staat adviseert de rechtbank vast te stellen dat de kinderen de Pakistaanse nationaliteit hebben. In de asielprocedure van verzoekers is door de IND en de rechtbank in de uitspraak van 17 juli 2020 vastgesteld dat verzoekers de Pakistaanse nationaliteit hebben. Dit blijkt ook uit de nationaliteitsverklaring van 2 juli 2020 die is afgegeven na de asielprocedure van verzoekers. Verzoekers zijn ook in het bezit van Pakistaanse paspoorten, waarmee zij Pakistan meermaals in en uit zijn gereisd. De Staat is bekend met de algemene informatie dat Rohingya niet de Pakistaanse nationaliteit kunnen verkrijgen, maar stelt zich op het standpunt dat dit niet op verzoekers van toepassing is, gelet op voornoemde nationaliteitsverklaring. De moeder is bovendien in [land 2] geboren. Zij heeft op grond van artikel 4 van Pro de Pakistan Citizenship Act de Pakistaanse nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 van Pro de Pakistan Citizenship Act verkrijgt een buiten Pakistan geboren kind de Pakistaanse nationaliteit door afstamming, indien op het tijdstip van de geboorte van het kind ten minste één ouder de Pakistaanse nationaliteit heeft. De kinderen hebben, op grond van de Pakistaanse wetgeving, de Pakistaanse nationaliteit dus in ieder geval van rechtswege verkregen via de moeder. Verder heeft Bureau Documenten van de IND de geboorteverklaring van de vader van de kinderen, waarop staat dat de ouders van de vader de Pakistaanse nationaliteit hebben, echt bevonden. Dat de kinderen niet in het NADRA-register geregistreerd staan, leidt volgens de Staat niet tot de conclusie dat de kinderen daardoor niet de Pakistaanse nationaliteit hebben verkregen, omdat registratie in dit systeem geen constitutief vereiste is voor het van rechtswege verkrijgen van de Pakistaanse nationaliteit op grond van artikel 5 van Pro de Pakistan Citizenship Act. Ook de omstandigheid dat de DT&V ‘op hoog niveau’ gesprekken met de Pakistaanse autoriteiten over de (on)mogelijkheid van het verstrekken van een reisdocument aan personen die niet in het NADRA-register staan geregistreerd heeft gevoerd, kan niet leiden tot de conclusie dat de kinderen niet de Pakistaanse nationaliteit hebben verkregen.
De rechtbank overweegt en beslist als volgt.
Ook als de rechtbank het standpunt van de Staat volgt dat de kinderen in beginsel de Pakistaanse nationaliteit zouden moeten hebben verkregen door afstamming van de moeder, is sprake van staatloosheid van de kinderen. De rechtbank legt dat als volgt uit.
Op grond van de Wvs wordt de staatloosheid vastgesteld indien de rechtbank niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. In de Memorie van Toelichting bij de Wvs wordt gesproken over de iure staatloosheid. [1] Het VN-verdrag over staatloosheid uit 1954 kent die definitie niet. In de Memorie van Toelichting wordt wel aangesloten bij de definitie van staatloosheid zoals in dat verdrag geformuleerd. Met de iure-staatloosheid in de Wvs wordt bedoeld dat ook in de situatie dat buitenlandse nationaliteitswetten een dode letter vormen of dat blijkt dat een bepaalde bevolkingsgroep, bijvoorbeeld Roma, niet (meer) de nationaliteit bezit van het land waarin die groep is geboren of langdurig heeft gewoond, aanleiding kan geven om de iure staatloosheid aan te nemen. [2] Bij de beoordeling van de vraag wanneer een persoon krachtens de wetgeving van een bepaald land als onderdaan wordt beschouwd, moet dus niet alleen worden gekeken naar de nationale wet- en regelgeving, maar ook hoe dat in de praktijk wordt toegepast.
In het
Handbook on protection of stateless personsis in dat verband onder meer het volgende opgenomen:
Applying this approach of examining an individual’s position in practice may lead to a different conclusion than one derived from a purely formalistic analysis of the application of nationality laws of a country to an individual’s case. A State may not in practice follow the letter of the law, even going so far as to ignore its substance. The reference to “law” in the definition of statelessness in Article 1(1) therefore covers situations where the written law is substantially modified when it comes to its implementation in practice. [3]
(…)
Where the competent authorities treat an individual as a non-national even though he or she would appear to meet the criteria for automatic acquisition of nationality under the operation of a country’s laws, it is their position rather than the letter of the law that is determinative in concluding that a State does not consider such an individual as a national. This scenario frequently arises where discrimination against a particular group is widespread in government departments or where, in practice, the law governing automatic acquisition at birth is systematically ignored and individuals are required instead to prove additional ties to a State. [4]
(…)
The role of consular authorities merits particular consideration. A consulate may be the competent authority responsible for conducting the necessary step in a non-automatic mechanism. This occurs, for example, where a country’s laws require children born to their nationals overseas to register with a consulate as a prerequisite for acquiring the nationality of the parents. As such, the consulate in the country of such a child’s birth will be the competent authority and its position on his or her nationality will be decisive, assuming no subsequent mechanism has also to be considered. If an individual is refused such registration or is prevented from applying for it, he or she is not considered as a national for the purposes of Article 1(1). [5]
Vast staat dat de Pakistaanse autoriteiten tot op heden de kinderen niet erkennen als Pakistaans onderdaan. DT&V heeft tevergeefs geprobeerd dat te bereiken. Op 17 september 2024 geeft DT&V het volgende aan:
“Regievoerder geeft de stand van zaken inzake het NADRA-systeem. In het geval kinderen van Pakistaanse onderdanen niet geregistreerd staan in het Nadra-systeem, geeft de ambassade van Pakistan in Den Haag (noch elders) een LP af voor deze kinderen, ook al zijn de ouders wel geverifieerd door de Pakistaanse autoriteiten en er een internationale geboorteakte aanwezig is waaruit blijkt dat het daadwerkelijk ‘de kinderen van’ zijn. Dit is meerdere keren op hoog niveau besproken met de Pakistaanse autoriteiten en zal besproken blijven worden. Tot op heden is hiervoor echter nog geen oplossing gevonden en zijn er geen mogelijkheden deze kinderen te voorzien van een reisdocument bij gedwongen terugkeer.”
Hieraan voorafgaand hebben verzoekers met behulp van het COA bij herhaling tevergeefs geprobeerd om de kinderen in te schrijven in het NADRA-register. Dat volgt uit de verslagen van de vertrekgesprekken van verzoekers met DT&V van 26 oktober 2021,
29 november 2021 en 2 december 2022. De Staat legt de verantwoordelijkheid voor het niet slagen van de registratie in het NADRA-register bij verzoekers. De Staat heeft echter niet geconcretiseerd wat verzoekers meer kunnen doen dan ze al hebben geprobeerd. Ook is niet gebleken dat DT&V in dit verband nog mogelijkheden ziet om de registratie voor elkaar te krijgen, anders dan dat deze kwestie “besproken zal blijven worden”. Kennelijk zijn de Pakistaanse autoriteiten niet genegen om mee te werken aan deze registratie.
Ook als er met de Staat vanuit wordt gegaan dat registratie in het NADRA-register als zodanig geen vereiste is voor het verkrijgen van de Pakistaanse nationaliteit, leidt de rechtbank uit deze gang van zaken af dat de Pakistaanse autoriteiten weigeren om de kinderen als Pakistaans onderdaan te erkennen. Er is sprake van de situatie waarbij een individu niet door de autoriteiten als onderdaan wordt erkend zolang hij niet geregistreerd is, en vervolgens wordt weerhouden van die registratie. Daarmee is sprake van de iure staatloosheid. De rechtbank betrekt bij dat oordeel voorts dat vaststaat dat verzoekers en de kinderen behoren tot de Rohingya-gemeenschap. Uit het ambtsbericht over Pakistan blijkt dat hoewel personen die tot deze groep behoren in theorie kunnen voldoen aan de basisvoorwaarden voor Pakistaans staatsburgerschap, het in de praktijk niet mogelijk blijkt dit te verkrijgen door het zeer gecompliceerde, inefficiënte en soms discriminerende bureaucratische registratieproces. [6] Verzoekers hebben deze positie van Rohingya in Pakistan nader toegelicht met uitgebreide onderbouwing die door de Staat niet is weersproken. De stelling dat dit voor de kinderen van verzoekers niet opgaat omdat verzoekers zelf wel zouden zijn erkend als Pakistaans onderdaan, is in dat licht onvoldoende. Juist dan had het op de weg van de Staat gelegen om duidelijk te maken welke stappen verzoekers nog hadden moeten en kunnen zetten om de kinderen te registreren en erkend te krijgen als Pakistaans onderdaan.
De rechtbank stelt daarom vast dat de kinderen op dit moment niet als onderdaan van Pakistan worden beschouwd.
Worden de kinderen als onderdaan van Myanmar, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten of Nederland beschouwd?
Tussen verzoekers en de Staat is niet in geschil dat de kinderen niet de nationaliteit van Myanmar, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Nederland hebben verkregen.
De rechtbank overweegt dat zij in de stukken en in dat wat op de zitting is besproken geen aanknopingspunten heeft gevonden om hier anders over te oordelen en stelt dus vast dat de kinderen niet als onderdaan van Myanmar, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Nederland worden beschouwd.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de kinderen door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van de kinderen kan worden vastgesteld. De rechtbank zal het verzoek in zoverre dus toewijzen.
De aard van de zaak verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat de rechtbank het verzoek van verzoekers daartoe zal afwijzen.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoekers.
Proceskostenveroordeling
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoekers, zoals door verzoekers is verzocht, nu de Staat in deze zaak slechts een adviserende rol heeft.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 4] 2020 in [geboorteplaats 4];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 5] 2022 in [geboorteplaats 5];
staatloos zijn;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, H.M. Boone en A.P. de Klerk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van
21 mei 2026.

Voetnoten

1.Ter onderscheiding van de facto staatloosheid, een toestand waarin een persoon zich buiten het land waarvan hij de nationaliteit heeft bevindt en hij geen aanspraak kan, of wegens gegronde redenen niet wil, maken op de aan die nationaliteit gekoppelde rechten. Tweede Kamer 2020-2021, 35 687, nr. 3, p. 53.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, p. 12.
3.Randnummer 24.
4.Randnummer 37.
5.Randnummer 39.
6.Algemeen ambtsbericht Pakistan juli 2024, Ministerie van Buitenlandse Zaken, 3.1.7.1 en 3.1.7.3.