ECLI:NL:RBDHA:2026:16721

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
C/09/682520 / FA RK 25-2300
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 1:253a BWArt. 1:100 BWArt. 810 RvArt. 15 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met voorlopige zorgregeling en aanhouding nevenvoorzieningen

Partijen zijn gehuwd sinds 2013 en hebben drie minderjarige kinderen. Zij oefenen gezamenlijk gezag uit. Na diverse voorlopige voorzieningen en geschillen over de zorgregeling, waarbij zorgen over veiligheid en welzijn van de kinderen speelden, is de echtscheiding uitgesproken.

De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij de moeder minimaal twee dagen per week begeleid contact heeft met de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht een uitgebreid onderzoek te verrichten naar de veiligheid, opvoedvaardigheden en de meest geschikte zorgregeling.

De beslissing over hoofdverblijfplaats, kinderalimentatie, huurrecht van de echtelijke woning en verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt aangehouden tot 15 augustus 2026, waarna de zaak wordt voortgezet bij de meervoudige kamer. De rechtbank benadrukt het belang van stabiliteit en veiligheid voor de kinderen en wijst op de noodzaak van verdere begeleiding en onderzoek.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met voorlopige zorgregeling en aanhouding van nevenvoorzieningen tot nader onderzoek.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2300
Zaaknummer: C/09/682520
Datum beschikking: 20 mei 2026 (bij vervroeging)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 27 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C. Otten te Bussum,
voorheen mr. J.T.R.J. Bracke te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.D. Bauman te Den Haag,
voorheen mr. T. Harmankaya te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
- het F9-formulier van 12 juni 2025 van de zijde van de vrouw;
- het verweer van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man, tevens
aanvullende verzoeken van de vrouw;
- het verweer van de man tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw;
- het F9-formulier van 22 april 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 22 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 23 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 28 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt.
Op 1 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Deze rechtbank heeft op 31 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen – voor zover hier van belang – inhoudende dat:
- de kinderen voorlopig worden toevertrouwd aan de man;
- de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] , een en ander met uitzondering van de momenten, waarop de vrouw de zorg heeft voor de kinderen in de echtelijke woning;
- de vrouw gerechtigd is de kinderen bij zich te hebben op dinsdag en donderdag van 15:00 uur tot 19:30 uur in aanwezigheid van de oppas, alsmede op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur in aanwezigheid van de oppas.
- Bij beschikking van 14 januari 2026 van deze rechtbank zijn de over en weer gedane (zelfstandige) verzoeken van partijen met betrekking tot het wijzigen van de voorlopige voorzieningen uit voornoemde beschikking van 31 juli 2025, afgewezen.
- Bij uitspraak van 17 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank – voor zover hier van belang – met wijziging in zoverre van de beschikking van 31 juli 2025 -, bepaald dat de kinderen voorlopig bij de vrouw zullen zijn iedere zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur, waarbij het volgende geldt:
- het eerst hernieuwde contact tussen de vrouw en de kinderen zal plaatsvinden in [plaats 2] ;
- de vrouw zal de kinderen de eerste keer ophalen en weer terugbrengen bij de voormalige echtelijke woning;
- de vrouw zal voor de volgende contacten aan de kinderen vragen waar zij de vrouw willen zien, in [plaats 2] of in [plaats 3] ;
- indien de kinderen naar [plaats 3] willen, zal de man de kinderen steeds daarnaar toe brengen en zal de vrouw de kinderen steeds weer terugbrengen naar de voormalige echtelijke woning;
- indien de kinderen niet naar [plaats 3] willen, geeft de vrouw aan de man door waar hij de kinderen kan brengen; de vrouw brengt de kinderen ook in dat geval weer terug naar de voormalige echtelijke woning;
- bij de echtelijke woning, een flat, zullen de kinderen zelfstandig naar beneden komen en naar boven gaan;
alsmede dat de man een dwangsom van € 250,- verbeurt voor iedere dag dat hij voornoemde voorlopige zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 25.000,

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw – na aanvulling – strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school en de helft van de schoolvakanties bij de man verblijven;
  • het gelasten van een raadsonderzoek inzake welke geschikte hulpverlening voor de man noodzakelijk is;
  • het gelasten van een raadsonderzoek volgens de MASIC-methode en het NICHD protocol voor het feitengericht kindinterview, dan wel een ander soortgelijk onderzoek waardoor inzicht wordt gekregen in de risicofactoren, veiligheid van de kinderen en onderliggende patronen;
  • een nog nader tussen partijen overeen te komen ouderschapsplan in de beschikking op te nemen, dan wel een nader te bepalen zorgregeling vast te stellen;
  • een nog nader tussen partijen overeen te komen echtscheidingsconvenant in de beschikking op te nemen, dan wel een nader te bepalen regeling ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, alsmede de wijze van verdeling;
  • vaststelling van kinderalimentatie van € 785,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verweerschrift van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man;
  • bepaling dat de man zijn financiële gegevens over 2024, 2025 en 2026 dient te overleggen onderbouwd door stukken en inzage dient te verschaffen in de saldi van zijn bankrekeningen op de peildatum en de waarde van zijn cryptorekening met het verloop daarvan in de jaren 2023 t/m heden;
  • bepaling dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning, gelegen te [plaats 2] , [adres] ;
  • benoeming van een deskundige voor de waardering van de eenmanszaak ‘ [bedrijfsnaam] ’ en de omzetting van de VOF in de huidige eenmanszaak en de mogelijke fiscale gevolgen en verdelingen daarvan tussen partijen;
  • bepaling dat de man gehouden zal zijn om ruim voor de te plannen mondelinge behandeling de onder randnummer 68 en 71 van het verweerschrift van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man genoemde informatie en inlichtingen bij de rechtbank te hebben ingebracht;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw onder randnummer 66 t/m 71 van het verweerschrift van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;
  • het gelasten van een raadonderzoek ten aanzien van de meest geschikte omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen;
  • bepaling dat de man huurder zal zijn van de echtelijke woning, gelegen te [plaats 2] , [adres] ;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals volgens artikel 815 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is vereist. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen het op een aantal punten niet eens zijn. Hierdoor is het op dit moment niet mogelijk voor hen om een ouderschapsplan op te stellen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815, tweede lid, Rv en partijen ontvankelijk verklaren in hun verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. De verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het
gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders vooralsnog niet mogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar op dit moment in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank constateert dat er de afgelopen tijd veel is gebeurd tussen de ouders en rond de kinderen. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om eerst een korte schets te geven van die gebeurtenissen.
De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 31 juli 2025 – onder meer – een
voorlopigezorgregeling bepaald, waarbij de vrouw op dinsdag en donderdag van 15:00 uur tot 19:30 uur, alsmede op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur, in aanwezigheid van de oppas contact heeft met de kinderen in de echtelijke woning. Partijen hebben korte tijd uitvoering gegeven aan deze regeling. Omdat de vrouw de kinderen daarna slechts enkele keren heeft gezien, heeft zij een verzoek tot wijziging van de beschikking van 31 juli 2025 gedaan. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 14 januari 2026 de over en weer gedane verzoeken afgewezen, omdat niet is gebleken dat de omstandigheden na de beschikking van 31 juli 2025 dusdanig zijn gewijzigd dat een wijziging van de getroffen voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Daarbij heeft de rechtbank expliciet benoemd dat voorgaande betekent dat de
voorlopigezorgregeling, zoals bepaald in de beschikking van 31 juli 2025, in stand blijft en moet worden uitgevoerd. De man heeft de zorgregeling vervolgens gestopt omdat er, zo geeft hij aan, signalen waren dat de kinderen door de vrouw en haar nieuwe partner zouden worden geslagen. Vervolgens heeft de vrouw een kort geding procedure gestart, waarin zij – onder meer – nakoming van de bij beschikking van 31 juli 2025 vastgestelde
voorlopigezorgregeling heeft gevorderd. Bij proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter, met wijziging in zoverre van de beschikking voorlopige voorzieningen van 31 juli 2025, bepaald dat de kinderen
voorlopigiedere zaterdag van 10 uur tot 19:00 uur bij de vrouw zullen zijn en er geen redenen bestonden om te bepalen dat de vrouw geen contact met de kinderen zou kunnen hebben.
Na 17 februari 2026 hebben er enkele contactmomenten plaatsgevonden tussen de vrouw en de kinderen. Ook hebben zowel de kinderen als de ouders gesprekken gevoerd bij Kracht, waarbij – onder meer – de mogelijkheid tot uitbreiding van de op dat moment geldende
voorlopigezorgregeling is besproken. Op enig moment is naar voren gekomen dat er mogelijk seksueel overschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden bij [minderjarige 2] door de nieuwe partner van de vrouw. Naar aanleiding hiervan zijn er met behulp van Kracht veiligheidsafspraken gemaakt, zodat de vrouw de kinderen kon blijven zien. Een van die afspraken was dat de nieuwe partner niet alleen met de kinderen zou zijn bij contactmomenten tussen de moeder en de kinderen. Ondertussen heeft Kracht ook de Raad benaderd om onderzoek te verrichten naar de situatie van de kinderen. De Raad heeft naar aanleiding daarvan besloten beschermingsonderzoek te starten. Omdat er voor de vader en de betrokken hulpverleners aanwijzingen waren dat de veiligheidsafspraken niet werden nagekomen, is door de betrokken hulpverlening geadviseerd dat er voorlopig geen contact tussen de vrouw en de kinderen plaatsvindt tot aan de bodemprocedure op 1 mei 2026, tenzij het contact begeleid wordt door een door Kracht goedgekeurd, volwassen persoon. Voorgaande heeft er toe geleid dat de vrouw de kinderen op 21 maart 2026 voor het laatst heeft gezien. Ondertussen zijn er ernstige zorgen over het welzijn van de kinderen, zowel lichamelijk als mentaal, die tegelijkertijd allen aangeven hun moeder heel erg te missen.
De vrouw wil zo snel mogelijk weer contact met de kinderen. De vrouw stelt dat zij, anders dan de man, in staat is om de kinderen structuur, continuïteit en duidelijkheid te bieden. Volgens de vrouw brengt de man de kinderen naar zijn broer of ouders die feitelijk voor de kinderen zorgen en worden afspraken over de zorgregeling niet nagekomen. Ook maakt de vrouw zich zorgen over de schoolgang van de kinderen. De vrouw is van mening dat niet alleen moet worden gekeken naar de veiligheid in de (thuis)situatie bij de vrouw, maar juist ook naar de veiligheid in de (thuis)situatie bij de man.
Ook de man maakt zich zorgen over de kinderen. Hij onderschrijft dat de kinderen hun moeder nodig hebben maar heeft er op dit moment geen vertrouwen in dat de veiligheid van de kinderen bij de vrouw kan worden gewaarborgd. De man is dan ook van mening dat het beschermingsonderzoek van de Raad moet worden afgewacht, voordat weer kan worden toegewerkt naar contact tussen de vrouw en de kinderen.
De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd dat er zo spoedig mogelijk weer contact tussen de kinderen en hun moeder moet zijn. Gelet op de sterk uiteenlopende verklaringen van de ouders, de zorgelijke verstandhouding en de spanningen tussen hen die zijn weerslag heeft op de kinderen heeft de Raad op de zitting geadviseerd om het contact tussen de vrouw en de kinderen voorlopig begeleid te laten plaatsvinden. Daarbij heeft de Raad aangegeven dat die omgangsbegeleiding op korte termijn (binnen twee weken vanaf de zitting) kan starten, mits de ouders aan Kracht te kennen geven dat ze hieraan mee willen werken. Met die toestemming kan Kracht de ouders vervolgens doorverwijzen naar [instantie] . Volgens de Raad is omgangsbegeleiding op dit moment de meest kansrijke omgangsvorm om het contact tussen de vrouw en de kinderen weer tot stand te brengen en om hier enige bestendigheid in te laten ontstaan. De pogingen in de afgelopen periode om omgang te laten plaatsvinden, waarbij de ouders dit zelf moesten organiseren, zijn telkens na een korte tijd gestrand. Begeleide omgang brengt mee dat de ouders het contact tussen de vrouw en de kinderen niet zelf hoeven te faciliteren en zorgt ervoor dat een neutrale derde betrokken is die toezicht houdt.
De man heeft op de zitting aangegeven het advies van de Raad te willen opvolgen. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij onbegeleid contact wenst met de kinderen en dat er geen enkele reden is waarom zij slechts begeleide omgang met de kinderen kan hebben. Echter, uitsluitend om de reden dat contact tussen de moeder en de kinderen bij [instantie] op heel korte termijn mogelijk is en zij dus snel haar kinderen weer kan zien, heeft zij aangegeven daar alsnog mee in te stemmen.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ouders overeenkomstig hun toezegging bij Kracht te kennen hebben gegeven in te stemmen met begeleide omgang en dat die omgang via [instantie] inmiddels is opgestart, dan wel op korte termijn zal starten.
Voor het vaststellen van een definitieve zorgregeling heeft de rechtbank op dit moment onvoldoende informatie. Enerzijds omdat voor die beslissing de uitkomsten van het reeds gestarte beschermingsonderzoek van belang kunnen zijn maar anderzijds ook omdat de verklaringen van de ouders over de gebeurtenissen zo uiteenlopen en zij elkaar daarin vergaande verwijten maken, dat er ook om die reden nader onderzoek nodig is. Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders en de Raad gesproken over uitbreiding van het beschermingsonderzoek met een gezags- en omgangsonderzoek. Beide ouders onderschrijven de noodzaak van deze uitbreiding en ook de Raad heeft aangegeven daar aanleiding voor te zien. Gelet daarop zal de rechtbank de Raad op grond van artikel 810, eerste lid, Rv, verzoeken het beschermingsonderzoek uit te breiden met een gezags- en omgangsonderzoek, ter beantwoording van (in ieder geval) de volgende vragen:
  • Zijn er zorgen over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij vader?;
  • Zijn er zorgen over de opvoedvaardigheden van vader?;
  • Zijn er zorgen over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij moeder en/of haar nieuwe partner?;
  • Zijn er zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder?;
  • Indien één van bovenstaande vragen met ‘ja’ moet worden beantwoord: wat is er voor nodig om die zorgen zoveel mogelijk weg te nemen?;
  • Welke zorgregeling is qua aard, duur en frequentie, gelet op de antwoorden op bovenstaande vragen, het meest in het belang van de kinderen?
  • Welke mogelijkheden en/of belemmeringen ziet de Raad bij de vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij één van de ouders?
  • Is (nadere) hulpverlening voor de vader, de moeder en/of [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
  • Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
De rechtbank ziet geen aanleiding om de Raad expliciet te verzoeken de MASIC methode en/of het NICHD protocol toe te passen in haar onderzoek, zoals door de vrouw wordt verzocht. De rechtbank laat het aan de deskundigheid van de Raad over om een beslissing te nemen over welke instrumenten er moeten worden ingezet om een weloverwogen advies uit te kunnen brengen ter beantwoording van bovenstaande vragen.
Daarnaast heeft de vrouw verzocht de Raad te gelasten onderzoek te doen naar welke geschikte hulpverlening voor de man noodzakelijk is. De rechtbank merkt in dat kader op dat een gezags- en omgangsonderzoek zich richt op de situatie bij zowel de vrouw als de man en de veiligheid van de kinderen aldaar. In het geval de Raad hulp voor de man noodzakelijk acht, kan de Raad dat dus meenemen in zijn advies.
De rechtbank zal hierna een
voorlopigezorgregeling bepalen, overeenkomstig het advies van de Raad. De rechtbank merkt hierbij expliciet op dat haar beslissing wordt ingegeven door het feit dat zij onvoldoende informatie heeft om een definitieve regeling vast te leggen en daarom een raadsonderzoek gelast en dat dit dus losstaat van het feit dat de vrouw op de zitting akkoord is gegaan met omgangsbegeleiding via [instantie] . Het is de rechtbank heel duidelijk dat de vrouw hier alleen mee heeft ingestemd, zodat zij de kinderen op korte termijn kan zien.
De rechtbank is gebleken dat eerder afgesproken of opgelegde regelingen om verschillende redenen niet zijn nagekomen. Hierdoor heeft de vrouw de kinderen de afgelopen maanden slechts sporadisch gezien. Daarnaast zijn de spanningen tussen de ouders, de klachten van de kinderen en de zorgen van de betrokken hulpverlening de afgelopen tijd alleen maar toegenomen. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat omgangsbegeleiding bij [instantie] op dit moment de meest kansrijke omgangsvorm is om het contact tussen de vrouw en de kinderen tenminste op kort termijn structureel tot stand te brengen. Voorgaande betekent niet dat de rechtbank van oordeel is dat de kinderen het ‘beter’ hebben bij de man of dat het bij de vrouw onveilig is of andersom. Met deze zorgregeling wordt beoogd enige stabiliteit en rust voor de ouders en de kinderen te creëren.
Omdat de Raad op de zitting heeft aangegeven dat de omgangsbegeleiding bij [instantie] op de dinsdag en donderdag kan plaatsvinden, zal de rechtbank een
voorlopigezorgregeling bepalen, in die zin dat de vrouw minimaal twee dagen in de week gedurende enkele uren begeleid contact heeft met de kinderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de kinderen van telefonisch contact met de vrouw te weerhouden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat als de kinderen behoefte hebben aan telefonisch contact met de vrouw, de man hieraan zal meewerken. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in het geval voornoemde
voorlopigezorgregeling tot en met de zomer goed verloopt, dat wil zeggen voor de kinderen veilig en structureel wordt nagekomen, het voor de hand ligt om verdere stappen vooruit te maken in uitbreiding van de zorgregeling in die zin dat de moeder de kinderen op meer dagen of meer uren gedurende de twee dagen ziet.
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling aanhouden tot 15 augustus 2026.
Tot slot merkt de rechtbank op dat de vrouw het gevoel heeft dat zij niet betrokken wordt door de bij de kinderen betrokken hulpverleningsinstanties. Daarom heeft de vrouw haar toestemming voor de hulpverlening vanuit Kracht recent ingetrokken. De rechtbank geeft de ouders mee dat het in belang van de kinderen is dat de hulpverlening bij Kracht wordt hervat. Kracht is immers tot voor kort betrokken geweest en kent daardoor de situatie van de man, de vrouw en de kinderen.
Hoofdverblijfplaats, kinderalimentatie en huurrecht echtelijke woning
Voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank op dit moment ook geen eindbeslissing of voorlopige beslissing zal nemen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de kinderalimentatie en het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank zal de beslissing op voornoemde onderwerpen daarom eveneens aanhouden tot 15 augustus 2026.
Met betrekking tot het huurrecht overweegt de rechtbank dat de man in de echtelijke woning verblijft en dat de rechtbank op dit moment onvoldoende aanleiding ziet om het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toe te kennen. Bij een afweging van de belangen speelt een voorname rol dat de kinderen uiteindelijk zoveel als mogelijk in hun ouderlijk huis kunnen blijven wonen. Op dit moment zijn de kinderen voorlopig toevertrouwd aan hun vader.
De rechtbank gaat er in het kader van de kinderalimentatie vanuit dat partijen hun meest recente financiële gegevens ten behoeve van de volgende mondelinge behandeling zullen indienen waaronder en voor zover zij dat nog niet hebben gedaan, een aangifte inkomstenbelasting 2025, recente loonstroken uit 2026 en andere financiële stukken die van belang zijn.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Peildatum
Omdat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet worden aangenomen dat tussen de man en de vrouw een algehele gemeenschap van goederen bestaat. De rechtbank overweegt dat voor de omvang/samenstelling van de gemeenschap als peildatum 27 maart 2025, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, geldt. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – per bestanddeel de datum van de feitelijke verdeling als peildatum. Als uitgangspunt geldt bovendien dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen de man en de vrouw wordt verdeeld (artikel 1:100 BW Pro, zoals dat gold voor 1 januari 2018).
Omvang gemeenschap
Partijen hebben de volgende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap naar voren gebracht:
  • eenmanszaak [bedrijfsnaam] , voorheen de VOF;
  • inboedel echtelijke woning;
  • Honda Civic met kenteken [kenteken] ;
  • de bankrekeningen;
  • crypto valuta;
  • belastingschuld 2024.
De rechtbank ziet aanleiding om de beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan te houden en op een later moment, gelijktijdig met de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling, de hoofdverblijfplaats, de kinderalimentatie en het huurrecht van de echtelijke woning, te behandelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De voormalige VOF van partijen is in 2024 omgezet naar een eenmanszaak. Tussen partijen bestaat geschil over de waardering van deze eenmanszaak van de man. De vrouw verzoekt een deskundige te benoemen die de waarde van de eenmanszaak bepaalt en de verdeling van de waarde ervan tussen partijen en tevens de omzetting van de VOF naar de eenmanszaak onderzoekt om te voorkomen dat daaruit nog fiscale nadelige consequenties volgen. De man stelt dat hij geen ondernemer is, maar een zzp’er die via een schijnconstructie in de vorm van een eenmanszaak zijn inkomen verdient. Er is volgens de man dan ook sprake van een verkapt dienstverband waaruit hij loon ontvangt. De man heeft op de zitting aangegeven de jaarstukken van de eenmanszaak in te zullen dienen. Ook heeft de man aangegeven een waardebepaling van de eenmanszaak op de peildatum te zullen overleggen, opgesteld door zijn accountant. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de man voornoemde stukken en andere relevante stukken ten behoeve van de financiële afwikkeling van de VOF naar de eenmanszak ruim voor de volgende mondelinge behandeling zal indienen. Als de man die stukken heeft overlegd hoeft er wat partijen betreft – zo begrijpt de rechtbank – geen deskundige meer te worden benoemd voor de waardering van de eenmanszaak.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling dan ook eveneens aanhouden tot 15 augustus 2026.
Proceskosten
Omdat de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de kinderalimentatie, het huurrecht van de echtelijke woning en de verdeling wordt aangehouden, zal de rechtbank ook de beslissing ten aanzien van de proceskosten aanhouden.
Verwijzing meervoudige kamer
Gelet op de omvang en de complexiteit van de geschillen zal de rechtbank de zaak ten aanzien van voornoemde onderwerpen op grond van artikel 15 Rv Pro naar de meervoudige kamer verwijzen. Voorgaande heeft de rechtbank met partijen op de zitting besproken. Zij hebben hier beiden mee ingestemd.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] ;
*
bepaalt een
voorlopigezorgregeling, waarbij de vrouw minimaal twee dagen in de week gedurende enkele uren begeleide omgang heeft met de kinderen, een en ander af te stemmen met de begeleidende instantie (waarbij partijen hebben aangegeven zich tot [instantie] te wenden);
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken zal toesturen aan de Raad voor de Kinderbescherming;
*
houdt de behandeling aan tot
15 augustus 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de behandeling van de nevenverzoeken, te weten de definitieve zorgregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de kinderalimentatie (en de daarmee samenhangende verzoeken), het huurrecht van de echtelijke woning, de verdeling (en de daarmee samenhangende verzoeken) en de proceskosten wordt aangehouden tot
15 augustus 2026 pro forma;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen zitting van
de meervoudige kamer, in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming, en verwijst de zaak daartoe naar die kamer;
*
bepaalt dat de advocaten aanvullende stukken
waarop zij zich op de zitting willen beroepen uiterlijk veertien dagen vóór de dag van de zittingin afschrift aan de wederpartij en aan de rechtbank moeten doen toekomen;
*
houdt iedere beslissing ten aanzien van
de nevenverzoeken, te weten de definitieve zorgregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de kinderalimentatie (en de daarmee samenhangende verzoeken), het huurrecht van de echtelijke woning, de verdeling (en de daarmee samenhangende verzoeken) en de proceskostenaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 mei 2026.