Eisers hebben een opvolgend beroep ingediend omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ontvankelijk en gegrond is, mede omdat de minister in een eerdere procedure al was opgedragen binnen een bepaalde termijn te beslissen, maar dit niet heeft gedaan.
De rechtbank constateert dat het dossier mogelijk nog niet compleet is, maar stelt dat de minister binnen vier weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Dit is een kortere termijn dan de gebruikelijke acht weken, vanwege het eerdere nalaten en het tijdsverloop.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 bij overschrijding van deze termijn. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 233,50 en het betaalde griffierecht van € 194 aan eisers.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eisers wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.