ECLI:NL:RBDHA:2026:16688

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
C/09/686910 / FA RK 25-4486
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 1:212 BWArt. 1:250 BWArt. 1:377b BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en voorlopige regeling gezag en omgang minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde op 20 mei 2026 het verzoek van de man om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige dochter, aangezien de moeder haar toestemming weigerde. De man is de verwekker van het kind en wenst gezamenlijk gezag met de moeder. De moeder verzet zich tegen erkenning uit vrees voor verstoring van de relatie en stressklachten.

De rechtbank weegt de belangen van de man, de moeder en de minderjarige af. Zij oordeelt dat erkenning niet zal leiden tot schade aan de belangen van de moeder of de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. De bijzondere curator adviseert toewijzing, stellende dat emotionele weerstand van de moeder onvoldoende is om erkenning te weigeren.

De rechtbank verleent de vervangende toestemming en beëindigt de bijzondere curator op grond van artikel 1:212 BW Pro. Voorlopig wordt het verzoek tot gezamenlijk gezag aangehouden tot na registratie van de erkenning. De ouders worden verwezen naar een traject ouderschapsbemiddeling. De bijzondere curator wordt opnieuw benoemd op grond van artikel 1:250 BW Pro om een herstelgesprek tussen vader en kind te begeleiden.

Er wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de man maandelijks informeert over de ontwikkeling van het kind. De rechtbank houdt verdere beslissingen over gezag en omgang aan tot 1 december 2026 en beveelt rapportage door de hulpverleningsinstanties en de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning door de man en stelt voorlopige regelingen omtrent gezag, omgang en informatievoorziening vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4486
Zaaknummer: C/09/686910
Datum beschikking: 20 mei 2026

Vervangende toestemming erkenning

Beschikking op het op 11 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Polat te Rijswijk.

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. I.G.M. van Gorkum,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • de brief van 18 juni 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 19 juni 2025 van de zijde van de man, met als bijlage een gewijzigd verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 9 juli 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het verweerschrift van de moeder, met bijlagen;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • het F9-formulier van 11 september 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 12 september 2025 van de zijde van de man, met bijlage.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in raadkamerhaar mening kenbaar gemaakt.
Op 22 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De man verzoekt, na wijziging:
  • aan de man vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de moeder vervangt, om [de minderjarige] te erkennen;
  • te bepalen dat de man en de moeder met het gezamenlijke gezag over [de minderjarige] zullen worden belast;
  • een zorg- c.q. omgangsregeling vast te stellen zoals verwoord in het lichaam van het verzoekschrift onder punt 55, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen regeling;
  • een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen zoals verwoord in het lichaam van het verzoekschrift onder punt 56, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen regeling;
  • een informatieregeling vast te stellen zoals verwoord in het lichaam van het verzoekschrift onder punt 58;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juli 2025 is mr. I.G.M. van Gorkum voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
wettelijk kader
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij haar mag erkennen als zijn dochter. Tot op heden weigert de moeder toestemming te geven, zonder enige grond dan wel deugdelijke onderbouwing. Het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] wordt door de erkenning niet geschaad. De ontwikkeling van [de minderjarige] op sociaal en emotioneel vlak wordt eveneens niet geschaad door de erkenning. Het is voor de identiteit van [de minderjarige] juist van belang dat de familierechtelijke banden vast staan.
De moeder verzet zich tegen erkenning door de man omdat zij meent dat erkenning door de man het belang van [de minderjarige] en het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding zal schaden. De moeder vreest dat een erkenning door de man de verhouding tussen haar en [de minderjarige] zal verstoren, omdat de man dan zal trachten al zijn rechten ten aanzien van [de minderjarige] op te eisen. De moeder ervaart stressklachten bij het idee dat de man op de geboorteakte van [de minderjarige] komt te staan. De erkenning zou de moeder in een zodanig onevenwichtige psychische toestand brengen dat zij niet in staat zal zijn om [de minderjarige] een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Erkenning is volgens de moeder op geen enkele wijze in het belang van [de minderjarige] .
De bijzondere curator meent dat het voor [de minderjarige] belangrijk is te weten wie haar vader is en dit, zowel familierechtelijke als juridisch, bevestigd te zien. De argumenten van de moeder geven met name blijk van emotionele weerstand. De bijzondere curator is van mening dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat de belangen van de moeder geschaad worden bij een erkenning van [de minderjarige] door verzoeker. Verzoeker lijkt in staat om de grenzen van moeder niet zodanig te overschrijden dat dit een erkenning in de weg staat. De bijzondere curator acht het dan ook aannemelijk dat verzoeker met een erkenning van [de minderjarige] een ongestoorde verhouding tussen de moeder en [de minderjarige] niet in de weg zal staan. De bijzondere curator adviseert daarom het verzoek van de man toe te wijzen.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen. De door de moeder aangevoerde argumenten om het verzoek af te wijzen zijn onvoldoende. De moeder stelt weliswaar dat zij lichamelijke klachten ervaart als gevolg van de stress rondom deze procedure en het idee dat de man op de geboorteakte van [de minderjarige] komt te staan, maar heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Zij heeft een uitdraai uit haar medisch dossier overgelegd, maar geen toelichting of verklaring van een behandelend arts. De door de moeder overgelegde uitdraai is wellicht helder voor artsen, maar maakt het voor de rechtbank niet duidelijk dat de stress die de moeder zegt te ervaren door een eventuele erkenning, daadwerkelijk haar fysieke gezondheid zal schaden. Ook is niet gebleken dat de ontwikkeling van [de minderjarige] dan wel de verhouding tussen de moeder en [de minderjarige] belemmerd wordt door de eventueel versterkte klachten van de moeder. De rechtbank neemt in haar beslissing ook mee dat ook door de bijzondere curator is geconstateerd dat de man afstand houdt van [de minderjarige] en ook de moeder en daarmee hun relatie niet verstoort. Ook is niet gebleken dat de man misbruik zal maken van zijn bevoegdheden als ouder, de opvoeding van [de minderjarige] zal frustreren of dat hij zich in het leven van de moeder en [de minderjarige] zal mengen, zoals door de moeder is aangevoerd. In dat kader merkt de rechtbank nog op dat het juist wenselijk is dat de man zich in het leven van [de minderjarige] gaat mengen, als zijnde haar vader.
Bijzondere curator 1:212 BW
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in de zin van artikel 1:212 BW Pro in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
vooraf
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [de minderjarige] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank ziet aanleiding om vooruitlopend op de erkenning van [de minderjarige] door de man alvast het volgende te overwegen ten aanzien van het gezag.
Op de zitting is gebleken dat partijen wensen te werken aan de communicatie onderling. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
  • bestaat in geval van toewijzing van het verzoek tot gezamenlijke gezag van de ouders een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders, terwijl niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of is wijziging van het gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] ?
  • welke zorgregeling is in het belang van Vanessa en op welke wijze kan het contact worden vormgegeven?
  • is verdere hulpverlening voor de ouders en/of Vanessa noodzakelijk, en zo ja, welke?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Nu partijen gaan werken aan de communicatie onderling, is de rechtbank van oordeel dat het nog te vroeg is om een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag. De rechtbank zal daarom iedere beslissing ten aanzien van het gezag aanhouden tot na te noemen pro forma datum.
Vaststelling omgangs- c.q. zorgregeling
Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken, is gebleken dat [de minderjarige] en de man elkaar een paar keer hebben gezien sinds [de minderjarige] weet dat de man haar vader is. De afspraken tussen de man en [de minderjarige] zijn echter achter de rug van de moeder om gepland, met behulp van familieleden van de moeder. Dit heeft ervoor gezorgd dat het laatste omgangsmoment tussen de man en [de minderjarige] onrustig is verlopen toen de moeder erachter kwam dat er contact was. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen de man en [de minderjarige] .
In het gesprek met de kinderrechter is gebleken dat [de minderjarige] veel vragen heeft aan de man en openstaat voor een herstelgesprek met hem. Op de zitting is daarom besproken hoe dit gesprek vorm kan worden gegeven. Uit navraag na de zitting bij de bijzondere curator, is gebleken dat zij ervoor open staat om een dergelijk gesprek te begeleiden. De rechtbank zal de bijzondere curator derhalve opnieuw benoemen tot bijzondere curator over [de minderjarige] , maar nu in het kader van artikel 1:250 BW Pro. Op grond van artikel 1:250 BW Pro kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige of minderjarigen, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als – in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige of de minderjarigen – de belangen van (een van) de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige(n). De rechtbank moet beoordelen of zij de benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:250 BW Pro. Uit het kindgesprek en wat op de zitting is gesproken is gebleken dat [de minderjarige] wel enige weerstand toont in het opnieuw hebben van contact met de man, maar dat zij tegelijkertijd ook veel vragen heeft en benieuwd is naar zijn verhaal. Gelet hierop acht de rechtbank het wenselijk dat de eerder betrokken bijzondere curator betrokken blijft en [de minderjarige] begeleidt in een eerste gesprek met de man. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator dan ook om het herstelgesprek tussen de man en [de minderjarige] te begeleiden, waarbij [de minderjarige] al haar vragen kan stellen en de man zijn visie op hoe het is gegaan in het verleden met haar kan delen. De bijzondere curator wordt in dat kader ook verzocht de rechtbank te berichten hoe het gesprek is verlopen.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de bijzondere curator omgangsmomenten tussen de man en [de minderjarige] gaat begeleiden. Wel staat het de bijzondere curator vrij om te bemiddelen in het maken van eventuele afspraken voor omgangsmomenten (buiten de aanwezigheid van de bijzondere curator om) dan wel vervolggesprekken tussen de man en [de minderjarige] , als daartoe aanleiding bestaat.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding om een (voorlopige) omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank zal daarom ook het verzoek ten aanzien van de omgangsregeling ook aanhouden tot na te noemen pro formadatum.
De rechtbank merkt daarbij op dat het de bijzondere curator vanzelfsprekend wel vrijstaat te onderzoeken of tot een door alle betrokkenen gedragen omgang zou kunnen worden gekomen.
Informatieregeling
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van de ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting is besproken dat de moeder de man maandelijks per e-mail, via een nieuw aan te maken gmail-mailadres, zal informeren. Zij zal hem elke maand een of meerdere (recente) foto’s van [de minderjarige] sturen alsook een kort verslagje van hoe het met haar gaat.
Brief aan [de minderjarige]
Zoals met [de minderjarige] is besproken in het kindgesprek, zal de kinderrechter haar een brief sturen met een korte toelichting op de hiervoor genomen beslissingen. Een kopie van deze brief treffen partijen hieronder aan.
Beste [de minderjarige] ,
Op 21 april 2026 hebben wij elkaar gesproken over jou en je vader. Je hebt mij verteld dat je niet begrijpt waarom je vader nu ineens contact met jou wil. Hij heeft jou en je moeder verlaten toen jij nog heel klein was, zei je. Sinds toen heb jij niets meer van hem gehoord, tot eind 2024. Toen, en in april 2025, heb je hem gezien en dat verliep niet goed. Je hebt tegen mij gezegd dat je nu weet wie hij is en dat dat wel genoeg is.
Ik heb jou gevraagd of het misschien een goed idee is als je eerst eens een keertje met je vader praat. Jij weet zelf natuurlijk wel dingen, bijvoorbeeld dat hij je niet eens een keer een kaartje heeft gestuurd, maar van het verleden weet jij zelf niet veel. Jij was nog heel klein toen je vader wegging. Wat daar gebeurd is, weet je alleen van je moeder. Ik heb tegen je gezegd dat het misschien wel fijn is om van je vader zelf te horen waarom hij weg is gegaan. Dan zou je hem ook kunnen vragen waarom hij nooit meer iets van zich heeft laten horen. Toen ik jou dat vroeg, knikte je met je hoofd van ‘ja’.
Ik denk dat jij dat gesprek heel erg spannend vind. Zo spannend dat je niet hardop ja durfde te zeggen, maar alleen knikte. Dat begrijp ik heel goed, [de minderjarige] . Je kent je vader nu alleen van de keer in december 2024 en de keer in april 2025. Beide keren waren niet leuk voor jou. En dan zou je hem nu een derde keer zien. Dat is me nogal wat.
Omdat je je vader wel wil spreken, maar dat ook eng voor je is, ga je dat samen met mevrouw Van Gorkum doen. Je kent haar al, want je hebt haar eerder over je vader gesproken. Mevrouw Van Gorkum blijft erbij als jij met je vader praat. Ik hoop dat dat er voor zorgt dat jij je veilig en ook een beetje ontspannen voelt. In dat gesprek mag je alles aan je vader vragen. Je zou bijvoorbeeld kunnen beginnen met de vragen die je hebt opgeschreven in die hele mooie brief die je op school hebt getypt.
Jouw ouders gaan ook met elkaar praten en doen dat ook met iemand erbij. Jouw ouders vinden het moeilijk om een gesprek met elkaar te hebben zonder boos of verdrietig te worden. Dat is niet jouw schuld. Soms gaat het zo tussen grote mensen. En ook grote mensen hebben dan een beetje hulp nodig, vandaar dat er ook bij hun gesprek iemand bij is.
Om jouw vader alvast een beetje informatie over jou te geven, gaat je moeder hem regelmatig een berichtje sturen. Daarin schrijft zij wat dingen over jou, bijvoorbeeld hoe het op school gaat, of dat je griep hebt gehad, of van je fiets bent gevallen. Je moeder stuurt dan ook een fotootje van jou, zodat je vader weet hoe je eruit ziet nu.
Over een tijdje ga ik weer praten met jouw ouders. Dan hoor ik hoe het allemaal gaat. En mevrouw Van Gorkum gaat mij laten weten hoe jouw gesprek met je vader is gegaan. Dan gaan we het erover hebben hoe het verder moet met jou en je vader.
Ik wens je het allerbeste, [de minderjarige] , en ik hoop dat je een fijn gesprek met je vader gaat hebben.
Hartelijke groetjes,
Clea Witteman, kinderrechter

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1980 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1984 te [geboorteplaats 1] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
*
bepaalt dat de man vóór de hierna te noemen pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator in de zin van artikel 1:212 BW Pro voor deze procedure als beëindigd;
*
benoemt tot bijzondere curator in de zin van artikel 1:250 BW Pro over [de minderjarige] :
mr. I.G.M. van Gorkum,
kantoorhoudende te (2593 BM), Laan van Nieuw-Oost-Indië 133A, ‘s-Gravenhage;
bepaalt dat de ouders binnen veertien dagen na deze beschikking per e-mail contact opnemen met de bijzondere curator voor een afspraak;
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk op 1 december 2026 verslag dient te doen aan de rechtbank en aan beide partijen;
bepaalt dat de ouders binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, desgewenst, hierop schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de wederpartij te worden toegezonden;
*
bepaalt dat de moeder met ingang van vandaag de man maandelijks per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] , en daarbij zal voegen een kopie van het laatste schoolrapport en een goed gelijkende recente kleurenfoto van [de minderjarige] ;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man],
(de man)
wonende te [adres 1]
en
[de moeder],
(de moeder)
wonende te [adres 2]
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot
1 december 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2026.