ECLI:NL:RBDHA:2026:16684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
C/09/672171 / FA RK 24-6460
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 1:212 BWArt. 46b Wet op de Rechterlijke OrganisatieArt. 5 IRVKArt. 18 IRVK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning minderjarige en verwijzing naar rechtbank Rotterdam

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor de erkenning van zijn minderjarige kind, aangezien de moeder geen toestemming gaf. De rechtbank weegt de belangen van de moeder en het kind af en concludeert dat erkenning geen schade zal toebrengen aan de belangen van de moeder of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind.

De moeder voert verweer en stelt dat erkenning ernstige schade zou veroorzaken, mede door verstoorde communicatie en onbetrouwbaarheid van de man. De bijzondere curator adviseert echter toewijzing van het verzoek, omdat geen serieuze aanwijzingen zijn dat erkenning nadelig is voor het kind.

Daarnaast is er een impasse ontstaan rond de omgangs- en gezagsregeling, omdat de hulpverleningstrajecten in het arrondissement van de rechtbank Rotterdam moeten plaatsvinden, terwijl de rechtbank Den Haag geen bevoegdheid heeft om de zaak door te verwijzen. De rechtbank Den Haag verwijst daarom de zaak door naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling van gezag en omgang.

De rechtbank beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator en verzoekt de advocaat van de man de akte van erkenning aan de rechtbank Rotterdam te sturen. De beschikking is uitgesproken op 20 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning en verwijst de zaak voor gezag en omgang door naar de rechtbank Rotterdam.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6460
Zaaknummer: C/09/672171
Datum beschikking: 20 mei 2026

Vervangende toestemming erkenning

Beschikking op het op 5 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.E.M. Elbertse te Pijnacker.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.M.H. Vriesde te Rotterdam .

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. L.P. Lagerweij,
advocaat te Delft,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 18 september 2024 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • het verweerschrift van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 21 november 2024 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 29 november 2024 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 19 maart 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 24 maart 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 28 juli 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 22 augustus 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage;
  • het F9-formulier van 9 september 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 15 oktober 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 1 januari 2026 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 5 februari 2026 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 17 februari 2026 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 13 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
Op 22 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De man verzoekt:
  • een bijzondere curator ex artikel 1:212 BW Pro te benoemen voor [minderjarige] ;
  • de man vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] ;
  • na de erkenning van [minderjarige] de man te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over hem;
  • een omgangsregeling/zorgregeling vast te stellen waarbij de man [minderjarige] elke woensdag om 19.00 uur ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] dan weer ophaalt op vrijdag om 19.00 uur;
  • een omgangsregeling/zorgregeling vast te stellen waarbij de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de man in gelegenheid zal worden gesteld [minderjarige] te ontmoeten bij het omgangshuis, waarbij tijdstippen, duur aantal, frequentie en inhoud van de contacten wordt bepaald door de medewerkers van het omgangshuis, na overleg met de ouders, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank juist acht;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

  • Partijen hebben nimmer een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 23 september 2024 is mr. L.P. Lagerweij voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de biologische vader is van [minderjarige] .
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de man aan dat partijen weliswaar nooit een affectieve relatie hebben gehad, maar allebei een sterke kinderwens hadden. Met hulp van de huisarts is de moeder zwanger geraakt en de man wenst een actieve rol in het leven van [minderjarige] te vervullen als zijn vader.
De moeder meent dat erkenning door man ernstige schade zou toebrengen aan zowel haar belangen als die van [minderjarige] . De moeder stelt dat het toestaan van erkenning door de man, zonder een stabiele basis of een betrouwbare en ondersteunende relatie, een negatieve invloed zou hebben op de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . De huidige situatie en de procedure leveren de moeder ernstige stress en spanning op. Gelet op de verstoorde communicatie, de onbetrouwbaarheid van de man in het nakomen van afspraken en zijn onzorgvuldigheid in de zorg voor [minderjarige] is het verzoek om vervangende toestemming voor de erkenning ongegrond.
De bijzondere curator verwacht niet dat erkenning van [minderjarige] door de man belangen van de moeder bij een ongestoorde relatie met [minderjarige] zal schaden. Op de man valt ongetwijfeld wat aan te merken, maar er zijn geen serieuze aanwijzingen dat door de erkenning de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang zal komen. De bijzondere curator adviseert daarom het verzoek van de man toe te wijzen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] dan wel de belangen van [minderjarige] zelf worden geschaad bij toewijzing van het verzoek van de man. Alle door de moeder aangevoerde bezwaren zien niet op de hiervoor genoemde wettelijke criteria op grond waarvan het verzoek dient te worden afgewezen. De omstandigheid dat de moeder veel stress ervaart bij het idee dat de man [minderjarige] zal erkennen is onvoldoende om aan te nemen dat dit de verhouding tussen moeder en kind dan wel de belangen van [minderjarige] zelf zodanig zal beïnvloeden dat het verzoek moet worden afgewezen. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en hem vervangende toestemming verlenen voor de erkenning van [minderjarige] .
Bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezamenlijk gezag en omgangs- c.q. zorgregeling
De man heeft op 4 september 2024 voorlopige voorzieningen gevraagd, waaronder omgang met en gezag over [minderjarige] . De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft partijen in de beschikking van 16 december 2024 binnen het Uniform Hulpaanbod doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding (KKS) voor ouderschapsbemiddeling en begeleide omgang. De voorzieningenrechter heeft partijen verzocht deze rechtbank in de onderhavige bodemprocedure over de erkenning, gezag en omgang, te informeren over het verloop van de trajecten.
KKS heeft partijen aangemeld bij Jeugdformaat, die partijen heeft doorverwezen naar [instantie] . Na deze doorverwijzing, maar voordat voornoemde trajecten in gang zijn gezet, is de moeder met [minderjarige] verhuisd naar een tijdelijk adres in [plaats 1] . Jeugdformaat heeft dientengevolge de zorg beëindigd.
[instantie] had moeten zorgdragen voor overdracht van de hulpverlening aan de gemeente [plaats 1] , door een zogenaamd verhuisformat te sturen. Wegens ‘onderbezetting administratie’ is dit verhuisformat niet verstuurd. [instantie] heeft wel alsnog Ouder en Kind team [wijk] te [plaats 1] ingelicht over de verhuizing en de benodigde hulptrajecten. Dit team heeft partijen laten weten dat zij zich bij het wijkteam moeten melden voor de begeleide omgang en bij iHUB voor de ouderschapsbemiddeling. Na nog enige administratieve strubbelingen is, voordat in [plaats 1] enig traject is gestart, de moeder met [minderjarige] naar [plaats 2] verhuisd. Daar wonen zij nu en daar moeten dan ook de hulpverleningstrajecten opgestart worden.
De moeder heeft zich daarvoor aangemeld bij Enver in [plaats 2] . Enver heeft laten weten niet van start te kunnen gaan zonder doorverwijzing van de rechtbank Rotterdam. De advocaat van de moeder heeft daarom deze rechtbank verzocht om de zaak te verwijzen naar de rechtbank Rotterdam.
Eerst moet worden opgemerkt dat deze rechtbank partijen niet rechtstreeks kan doorverwijzen naar een hulpverleningstraject buiten het eigen arrondissement. De hulpverlening binnen het Uniform Hulpaanbod wordt gefinancierd door de gemeente waar het kind woont en iedere rechtbank heeft alleen samenwerkings- en financieringsafspraken met de gemeenten in het eigen arrondissement. Dat betekent dat deze rechtbank partijen niet kan doorverwijzen voor een traject in het arrondissement van de rechtbank Rotterdam. Dat moet de rechtbank Rotterdam doen. Daarvoor zou de zaak dus door de rechtbank Rotterdam verder moeten worden behandeld.
Een civielrechtelijke zaak die al is aangevangen, kan echter alleen worden doorverwezen naar een andere rechtbank op grond van Artikel 46b Wet op de Rechterlijke Organisatie. Dat artikel geeft een rechtbank de bevoegdheid een zaak naar een andere rechtbank te verwijzen indien dat gewenst is gelet op betrokkenheid van het gerecht bij die zaak. Daarvan is hier geen sprake.
Deze rechtbank heeft de advocaat van de moeder (en van de man) op dat moment laten weten dat verwijzing naar rechtbank Rotterdam niet mogelijk is.
De moeder heeft zich daarop gewend tot het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) in [plaats 2] . CJG heeft de moeder doorverwezen naar het wijkteam. Eind februari 2026 heeft de moeder een intake bij het wijkteam gehad. Het wijkteam heeft laten weten dat zij niet kan handelen zonder doorverwijzing van de rechtbank Rotterdam.
Inmiddels wachten ( [minderjarige] en) partijen al bijna anderhalf jaar op de start van de begeleide omgang en de ouderschapsbemiddeling. De huidige impasse, waarbij het Rotterdamse wijkteam niet kan starten bij gebreke van een verwijzing van de rechtbank Rotterdam en deze rechtbank noch de zaak kan verwijzen naar de rechtbank Rotterdam, noch partijen kan doorverwijzen naar de hulpverlenende instanties in [plaats 2] , is zeer onwenselijk. [minderjarige] heeft recht op veilig en gewaarborgd contact met zijn vader.
De enige optie die de rechtbank op basis van de wet heeft, is het afwijzen van de verzoeken van de man om gezag en omgang. De man zal dan een nieuwe procedure moeten starten bij de rechtbank in Rotterdam en is daarmee dan precies even ver als hij was op 4 september 2024.
De rechtbank ziet zich hier nu geconfronteerd met een inmiddels 3,5 jaar oud jongetje in wiens belang het is om contact met zijn vader te hebben, een moeder die bereid is daar aan mee te werken en zich inzet om dat veilig te laten begeleiden door professionele instanties, en een overheid die vastloopt in de regels en het niet voor elkaar krijgt om dit te organiseren. Met het oog op artikel 5 IRVK Pro, waarin de overheid de opdracht krijgt om te voorzien in ‘passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind,’ wat verder uitgewerkt is in artikel 18 IRVK Pro, acht de rechtbank het noodzakelijk deze impasse voor partijen te doorbreken. Het vereiste van ‘passende leiding en begeleiding’ vraagt nu om een creatieve en actieve rol van deze rechtbank. Daarom zal deze rechtbank, op grond van voornoemde artikelen in het IRVK, deze zaak – voor wat betreft de omgang en het gezag – doorverwijzen naar de rechtbank Rotterdam.
Deze rechtbank laat het aan de rechtbank Rotterdam om te oordelen over de ontvankelijkheid van de man betreffende zijn verzoek om gezag, nu die ontvankelijkheid er eerst zal zijn als de man [minderjarige] heeft erkend. Deze rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank Rotterdam te sturen, zodat de rechtbank Rotterdam die kan beoordelen.

Beslissing

De rechtbank:
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1988 te [geboorteplaats 2] , [land 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1985 te [land 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Rotterdam.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2026.