Op 18 juni 2026 heeft de rechter een verzoek tot verschoning ingediend in een civiele zaak bij de rechtbank Den Haag. Het verzoek is gebaseerd op het feit dat de eiser en de rechter in dezelfde omgeving wonen en hun kinderen mogelijk naar dezelfde school gaan, wat de kans op persoonlijke kennissen creëert.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting, aangezien een verschoningsverzoek niet ter terechtzitting hoeft te worden behandeld. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, maar uitzonderlijke omstandigheden of de schijn van partijdigheid kunnen aanleiding geven tot verschoning.
Gezien de omstandigheden acht de kamer het verzoek terecht om de schijn van partijdigheid te vermijden. Het verzoek tot verschoning is daarom toegewezen, en de behandeling van de hoofdzaak wordt overgenomen door een andere rechter. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van het verzoek.