Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.9137
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak op grond van Dublinverordening

Verzoeker heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 juni 2026, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet verschenen waren.

De voorzieningenrechter overwoog dat aangezien de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed in de hoofdzaak, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter I. Helmich en griffier S.N. Lekatompessij op 19 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9137

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R. van Dooren).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met de zaak NL26.9137, op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.9137, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.