Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16650

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.63549 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag wegens tijdigheid ingebrekestelling

De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 18 maart 2026, waarin het beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur zou zijn verstuurd. Opposant stelde dat de beslistermijn van zes maanden op 10 december 2025 was verstreken, omdat hij zijn asielwens op 10 juni 2025 had geuit, en niet op 11 december 2025 zoals verweerder stelde.

De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling van 11 december 2025 niet prematuur was, omdat de beslistermijn inderdaad op 10 december 2025 was verstreken. Hierdoor was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht en werd het verzet gegrond verklaard. De eerdere uitspraak werd vernietigd en het onderzoek werd hervat.

Vervolgens oordeelde de rechtbank dat verweerder binnen zestien weken, dan wel binnen acht weken indien opposant al is gehoord over zijn asielmotieven, alsnog een besluit moet nemen. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van opposant ter hoogte van €700,50.

Tegen deze uitspraak staat geen verzet of hoger beroep open, maar partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet en beroep gegrond, vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en draagt verweerder op binnen een termijn alsnog te beslissen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63549 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], opposant, tevens eiser, [1]
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2026 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 18 maart 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de beslistermijn van zes maanden voor eisers asielaanvraag op 11 december 2025 is verstreken. Omdat de ingebrekestelling van opposant op diezelfde datum is ontvangen door verweerder, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze prematuur, dus vóór het verstrijken van de beslistermijn, door opposant is verstuurd.

Is de ingebrekestelling prematuur verstuurd?

6. Opposant stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling van 11 december 2025 niet prematuur is verstuurd, omdat eiser zijn asielwens op 10 juni 2025 heeft geuit en de beslistermijn van zes maanden vanaf die datum is aangevangen. De beslistermijn voor de asielaanvraag van opposant is daarom verstreken op 10 december 2025, en niet 11 december 2025. In dit verband wijst opposant er op dat 10 december 2025 ook in het advocatenportaal staat aangegeven als de uiterlijke datum van de beslistermijn, en dit ook volgt uit hetgeen is opgenomen in het verslag van eisers aanmeldgehoor en de werkinstructie IB2025/2. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de door hem verstuurde ingebrekestelling prematuur is geweest, en dat zijn beroep niet tijdig beslissen om die reden niet-ontvankelijk was.
7. De rechtbank volgt opposant in zijn standpunt. Uit het dossier blijkt dat opposant, conform de werkinstructie IB2025/2, op 10 juni 2025 een loopbrief heeft ontvangen bij zijn aanmelding in Ter Apel. Dit is het bewijs dat hij op die datum zijn asielwens heeft geuit. Het is dus juist dat de beslistermijn, zoals ook door verweerder in het advocatenportaal staat aangegeven, op 10 december 2025 is verstreken. De ingebrekestelling van 11 december 2025 was, anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, niet prematuur.
8. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 18 maart 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

9. Het verzet is gegrond en de partijen zijn in de gelegenheid gesteld ter zitting gehoord te worden. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
10. De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser op 10 juni 2025 aangevangen is, en dat verweerder na zes maanden, op 10 december 2025, op de asielaanvraag van eiser had moeten beslissen. Eiser heeft op 11 december 2025 verweerder in gebreke gesteld. Eiser heeft vervolgens ten minste twee weken gewacht voordat hij op 29 december 2025 afzonderlijk beroep heeft ingesteld. Niet is gebleken dat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. Het beroep is daarom gegrond.
11. Omdat niet is gebleken dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zestien weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Indien eiser inmiddels wel is gehoord over zijn asielmotieven, dient verweerder binnen acht weken op zijn asielaanvraag te beslissen.
12. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-
13. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5. Het indienen van een verzetschrift levert 0,5 punt op met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 700,50-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 700,50-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Als een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan deze een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).