ECLI:NL:RBDHA:2026:16645

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/688777
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:193b BWArt. 6:230m BWArt. 7:752 BWArt. 6:230g BWArt. 6:230l BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering aannemer en toewijzing schadevergoeding wegens gebrekkige uitvoering kozijnen en stucwerk

Partijen sloten op 15 maart 2022 een overeenkomst voor de verbouwing van een woning waarbij richtprijzen werden afgesproken, geen vaste prijs. De aannemer factureerde meer dan het overeengekomen richtprijsplafond, maar had dit tijdig gemeld en de opdrachtgever stemde mondeling in met de verhoging.

De opdrachtgever mocht betaling opschorten vanwege onduidelijke facturen en gebreken in het werk, waaronder gebrekkige kozijnen en losgekomen stucwerk. Diverse deskundigenrapporten stelden ernstige gebreken vast aan de kozijnen, waarbij slechts twee van de negentien kozijnen herbruikbaar waren.

De aannemer kwam in verzuim door niet tijdig herstel van de gebreken en het onterecht opschorten van herstel vanwege openstaande facturen. De rechtbank veroordeelde de aannemer tot betaling van een schadevergoeding van €56.247,83, plus wettelijke rente, deskundigenkosten en buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van de aannemer werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de aannemer af en veroordeelt hem tot betaling van €56.247,83 schadevergoeding, deskundigenkosten, incassokosten en proceskosten wegens gebrekkige uitvoering.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaak-/rolnummer: C/09/688777 / HA ZA 25-640
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats] ,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. S.A. van Leeuwen,
tegen

1.[partij B sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[partij B sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.M. Eerkes.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [partij A] van 14 juli 2025 met producties 1 t/m 22;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van [partij B] van 10 september 2025 met producties 1 t/m 25;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [partij A] van 9 februari 2026 met producties 24 en 25;
- de akte aanvullende producties van [partij B] van 13 februari 2026 met productie 26.
1.2.
Op 24 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen van de zitting gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Op 15 maart 2022 hebben partijen een overeenkomst gesloten voor de verbouwing van een woning in [plaats] (hierna te noemen: de woning). De uit te voeren werkzaamheden en de daaraan verbonden prijzen (met een totaalbedrag van +/- € 104.000) zijn door [partij A] genoteerd op een blad papier, verder zijn er geen schriftelijke afspraken gemaakt. In september 2022 is [partij A] begonnen met de werkzaamheden.
2.2.
Op 9 november 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen. Daarbij heeft [partij A] meegedeeld dat de eerder genoteerde prijzen met € 10.000 tot € 15.000 zouden oplopen. [partij B] hebben daarmee mondeling ingestemd.
2.3.
Op 22 december 2022 heeft [partij A] aan [partij B] factuur [nummer 1] toegezonden. Op deze factuur staat het volgende vermeld:
Geleverde arbeid en materialen voor de verbouwing op de [adres] te [plaats]
Arbeid [partij A] 104 uur à € 50,- € 5.200,00
21% over € 5200,- „ 1.092,00
Materialen „ 8.398,34
21% over € 8398,34 „ 1.763,65
Arbeid derden: [naam 1] / [naam 2] incl btw „ 6.887,22
[naam 3] incl btw „ 2.117,50
[naam 4] incl btw „ 3.388,00
[naam 5] incl btw
„ 1.210,00
Btw derden € 2.360,80 inclusief
Totaal te voldoen
€30.047,31
========
Betalingswijze: 14 dagen
2.4.
Op 27 december 2022 hebben [partij B] verzocht om een specificatie van de factuur.
2.5.
Op 31 maart 2023 hebben [partij B] het volgende bericht aan [partij A] toegezonden:
Inmiddels is het drie maanden geleden dat we je per mail gevraagd hebben om specificaties van de uren die je gewerkt hebt en de materialen die je gekocht hebt. Je gaf aan dat je de klus niet aangenomen hebt en je per uur hebt gewerkt. We hebben aangegeven bereid te zijn te betalen wat er uit gespecificeerd wordt, maar sinds de mail hebben we niks meer van je vernomen. Ook wachten wij nog op aankoopbonnen en garantiebewijzen van o.a. de vloerverwarming boven.
In die drie maanden zijn we helaas voor (nog) een aantal vervelende verrassingen komen te staan, zoals beschreven staat in bijlage 1. Je zult begrijpen dat wij bij iedere regenachtige dag vrezen voor lekkages. We zijn inmiddels moedeloos door alle onzekerheden waar wij mee geconfronteerd zijn en nog steeds worden. Na een roerige tijd verlangen wij naar een huis dat af is en waar we tot rust kunnen komen. Wetende wat er allemaal nog dient te gebeuren, komen wij zeker niet tot rust.
We willen je nog één maand de tijd geven om het huis naar behoren af te werken, de uren- en materialenspecificaties alsmede de aankoopbonnen en garantiebewijzen aan te leveren.
Graag zien wij een reactie binnen twee werkdagen tegemoet, anders zijn we genoodzaakt andere stappen te nemen.
2.6.
Op 13 april 2023 hebben [partij B] [partij A] opnieuw gesommeerd om tot herstel over te gaan.
2.7.
[partij A] zond op 19 april 2023 het volgende WhatsAppbericht aan [partij B] :
Hoi [partij B sub 1] , natuurlijk wil ik de resterende werkzaamheden nog uitvoeren zowel binnen als buiten .kan volgende week dinsdag en woensdag daar een start mee maken.de buitenwerkzaamheden zullen echter iets later worden uitgevoerd en wel in de week van 19 juni te beginnen op 21 juni .de gevraagde urenspecificatie zal ik jullie toesturen alsmede aankoopbonnen materialen. Ben er dan volgende week dinsdag uur of 9. Gr [partij A]
2.8.
Op 24 april 2023 stuurde [partij A] aan [partij B] een specificatie van de factuur met nummer [nummer 1] en ook een eindfactuur met nummer [nummer 2] ten bedrage van € 9.661,32. Deze factuur is onbetaald gebleven.
2.9.
Op 1 mei 2023 hebben [partij B] de volgende brief aan [partij A] toegezonden:
Op 15 maart 2022 hebben wij een overeenkomst gesloten betreffende verbouwing [adres] te [woonplaats] (hierna: Overeenkomst). Onder de Overeenkomst heeft [bedrijfsnaam] zich verplicht tot plaatsing en afronding van kozijnen binnen en buiten, plaatsing en afronding van de badkamer en doucheruimte, plaatsing en afronding van deurposten binnen . Tot op heden is [bedrijfsnaam] voornoemde verplichting nog altijd niet nagekomen.
[bedrijfsnaam] schiet daardoor tekort in de nakoming van de Overeenkomst. Aangezien er geen sprake is van overmacht, althans dit niet is gesteld, is dit haar toerekenbaar. Deze brief geldt daarom als een formele ingebrekestelling. De is bereid om opdrachtgever [bedrijfsnaam] nog een allerlaatste mogelijkheid te bieden om deze verplichtingen na te komen. Daarom verzoek ik, en voor zover nodig sommeer ik, [bedrijfsnaam] om, uiterlijk vóór 01 juni 2023 om 17:00 uur de voornoemde verplichting alsnog na te komen.
Indien [bedrijfsnaam] ook na het verstrijken van deze redelijke termijn in gebreke blijft, is [bedrijfsnaam] in verzuim. De gevolgen hiervan komen volledig voor rekening van [bedrijfsnaam] , waaronder begrepen maar niet beperkt tot de mogelijkheid voor De opdrachtgever tot het verkrijgen van schadevergoeding van alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de wanprestatie van [bedrijfsnaam] en de mogelijkheid tot ontbinding van de Overeenkomst.
2.10.
Op 26 mei 2023 heeft onderzoek in de woning plaatsgevonden door De Verbouwregisseur. In het onderzoeksrapport is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
Gevelkozijnen zijn vervangen, echter de afwerking rond de kozijnen voornamelijk aan de buitenzijde is nog niet afgerond. E.e.a staat al geruime tijd onafgewerkt. Binnen in de woonkamer zijn hierdoor al meerdere lekkages geweest.
Na diverse verzoeken aan aannemer om zijn werkzaamheden af te ronden is tot op heden geen reactie gekomen.
Aandachtspunt is de afwerking rond de kozijnen, waterslagen en aftimmering. Keuze van het materiaal moet nog besproken worden.
Ook een belangrijk aandachtspunt is de afdichting van de kozijnen aan de onderzijde op maaiveld niveau. Om deze deugdelijk aan te kunnen brengen zullen waarschijnlijk de kozijnen gede- en monteerd moeten worden.
Ok zitten er veel beschadigingen op de kozijnen.
2.11.
Op 1 juni 2023 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden, maar dit heeft niet tot een onderlinge oplossing geleid.
2.12.
Op 14 juni 2023 is het pleisterwerk van het plafond van de hal op de zolder losgekomen en naar beneden gevallen. Op 20 november 2023 is het pleisterwerk in een van de kamers, grenzend aan de hal op zolder, losgekomen en naar beneden gevallen.
2.13.
In een brief van 6 december 2023 heeft de advocaat van [partij B] aan [partij A] geschreven dat de verbintenis tot nakoming en herstel wordt omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, heeft hij verwezen naar een onderzoeksrapport van McLarens van 30 oktober 2023 en heeft hij [partij A] in gebreke gesteld en gesommeerd tot herstel van de gebreken aan het pleisterwerk binnen vier weken.
2.14.
In het bijgevoegde rapport van McLarens staat onder meer het volgende vermeld:
Onderzoeken waar gebreken zitten
Tijdens onze inspectie ter plaatse hebben wij de diverse bouwdelen aan een inspectie onderworpen. Met name bij de gevelkozijnen stelden wij vast dat diverse onderdelen van de in totaal 19 kozijnen niet die eigenschappen bevatten die bij vernieuwing van kozijnen normaliter minimaal verwacht mogen worden.
Met name ten aanzien van detaillering van aansluitingen, de wijze van constructieve bevestiging van kozijnen alsook de (gebrekkige) maatvoering, stelden wij in algemeenheid “
een gebrek aan vakmanschap” vast.
(…)
Welke gevolgschade er ontstaat/is ontstaan door deze gebreken.
Door de geconstateerde gebreken ten aanzien van detailleringen ontstaan diverse problemen door doorslag van vocht alsook tocht waardoor binnenafwerkingen beschadigen.
(…)
Welke herstelkosten zijn er gemoeid met het herstel van gebreken.
(…)
Op basis van onze inspectie zullen, om een volledig beeld te krijgen van de situatie en
noodzakelijk herstel, alle kozijnen gedemonteerd moeten worden.
2.15.
Op 15 maart 2024 heeft Alhra Kozijnen B.V. naar aanleiding van een inspectie van de kozijnen onder meer het volgende gerapporteerd:
We hebben met verwondering gekeken naar de gerealiseerde oplossing van stompe kozijnen, waar in basis niets mis mee is, mits op de juiste wijze ingemeten en gemonteerd met alle normen en kennis die daar voor nodig.
(…)
• De maatvoering is duidelijk niet goed; kozijnen zijn overwegend te groot en te strak gemonteerd, waardoor er door het uitzetten van het kozijn schades zijn
ontstaan. De las verbindingen in de hoeken van verschillende kozijnen zijn ontwricht en ook ruitbreuk is door de spanning op de kozijnen ontstaan. De kozijnen hebben een donkere kleur waardoor het uitzetten in de zomerdag zeker van toepassing is en door een vaak te strakke montage er simpelweg geen ruimte is om de uitzetting van het materiaal op te vangen.
2.16.
In een rapport van onderzoeksbureau TOP Expertise van 13 juni 2024 is onder “Bevindingen” onder meer het volgende vermeld:
Wij hebben de kozijnen vanaf de zolder tot de begane grond stuk voor stuk beoordeeld. Voor wat betreft de plaatsing van de kozijnen hebben wij deze getoetst aan de BRL 0709. In deze richtlijn is aangegeven op welke wijze de kozijnen geplaatst moeten worden, welke tocht- en geluidsdichtingen aangebracht moeten worden en de te hanteren omtrekspeling.
(…)
Onderstaand treft u onze bevindingen/gebreken per kozijn. Er is echter ook sprake van gebreken die zich bij alle kozijnen voor- doen. Dit betreft onder meer de wind- en waterdichtingen.
De spouw is niet afgesloten, waardoor tocht/wind uit de spouw vrij spel heeft om binnen te dringen. De aannemer heeft wel een lat in de spouw geplaatst maar deze niet tochtdicht afgewerkt.
Waar mogelijk heeft de aannemer de buitenzijde afgedicht met compriband. Het compriband functioneert echter niet. (…)
Achter de compriband ontbreekt de waterkerende voorziening, compriband is niet geschikt als waterkerende voorziening.
Voorts blijkt dat de aannemer onder de kozijnen onbehandeld vurenhout heeft toegepast voor de plaatsing van de kozijnen, zie
foto 2. Volgens artikel 6.5.(6) dient hout met een geringere duurzaamheidklasse dan 2 het hout vooraf rondom dekkend (dikte min. 20 micrometer) te zijn geconserveerd.
(…)
Bij het toepassen van stompe kozijnen moeten de kozijnen met PUR worden afgewerkt. Op
foto 2is ook zichtbaar dat er harde PUR is toegepast in plaats van flexibele PUR. Harde PUR kan water opnemen waardoor lekkage ontstaat.
Voorts ontbreekt achter de kozijnen een kitvoeg als eerste af-dichting.
Voornoemde gebreken leiden er toe dat alle kozijnen sowieso gedemonteerd en herplaatst moeten worden om de juiste voorzieningen te treffen.
(…)
Conclusie:
Wij constateren dat de door aannemer geleverde en geplaatste kozijnen op geen enkele wijze voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen en de eisen uit het bouwbesluit en dat de kozijnen niet voldoen aan de eis van goed en deugdelijk werk.
Aan de hand van ons onderzoek zijn wij van oordeel dat van de 19 kozijnen slechts twee kozijnen kunnen worden hergebruikt. De overige kozijnen moeten worden vervangen.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[partij A] vordert – samengevat – betaling van € 39.708,63 aan openstaande facturen met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[partij B] voeren verweer. [partij B] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.4.
[partij B] vorderen – samengevat – een verklaring voor recht dat de verbintenis tot nakoming van [partij A] is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, en zij vorderen dat [partij A] wordt veroordeeld tot betaling van die schadevergoeding voor zover er nog iets overblijft na verrekening met de openstaande facturen. Verder vorderen ze vergoeding van de kosten voor de deskundigenrapporten en van de buitengerechtelijke kosten.
3.5.
[partij A] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
[partij A] heeft werkzaamheden verricht in opdracht van [partij B] en heeft daarvoor in totaal € 136.986,27 gefactureerd. Daarvan hebben [partij B] in totaal € 97.277,64 betaald. In conventie staan de laatste twee facturen (van € 30.047,31 en € 9.661,32) ter discussie.
Omvang overeenkomst
4.2.
[partij B] hebben betoogd dat een vaste prijs van € 104.000 is overeengekomen, zodat zij maximaal dit bedrag verschuldigd zijn. [partij A] stelt dat hij op basis van regie zou werken en daardoor de werkelijke kosten in rekening kon brengen. De rechtbank is van oordeel dat tussen partijen geen vaste prijs is overeengekomen. Het handgeschreven overzicht dat door [partij A] is opgesteld en aan [partij B] is toegezonden bevat een opsomming van een aantal posten. Bij sommige posten staat ‘+/-’ of ‘excl. […]’ en bij het totaalbedrag staat ook ‘+/-’. Dit duidt erop dat geen vaste prijs is overeengekomen, maar dat gebruik is gemaakt van richtprijzen, zoals bedoeld in artikel 7:752, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.3.
[partij A] was dus bevoegd om op basis van regie de werkelijke kosten in rekening te brengen. Tegelijkertijd bepaalt het genoemde artikel dat richtprijzen met niet meer dan 10% mogen worden overschreden, tenzij de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor verdere overschrijding waarschuwt. In dit geval heeft [partij A] gewaarschuwd dat de eerder genoteerde prijzen met € 10.000 tot € 15.000 zouden oplopen. [partij B] hebben daarmee mondeling ingestemd. Dat betekent dat [partij A] op basis van de richtprijzen maximaal € 119.000 in rekening mocht brengen en dat [partij B] het meerdere boven dit bedrag niet zijn verschuldigd.
4.4.
[partij A] heeft nog aangevoerd dat sprake was van meerwerk, maar dat is onvoldoende onderbouwd. Ook na vragen van de rechtbank heeft hij niet concreet gemaakt welke werkzaamheden nog aan hem zijn opdragen die geen onderdeel waren van de overeenkomst van 15 maart 2022.
Consumentenbescherming
4.5.
[partij B] hebben een beroep gedaan op de wettelijke consumentenbescherming die is neergelegd in de artikelen 6:193b en 230m BW, omdat [partij A] het meerwerk niet schriftelijk heeft vastgelegd en omdat hij niet heeft voldaan aan precontractuele informatieplichten.
4.6.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van meerwerk, slaagt het beroep op artikel 6:193b BW niet. Van de precontractuele informatieplichten zoals bedoeld in artikel 6:230m BW is evenmin sprake: in dit geval is geen sprake van een overeenkomst op afstand zoals bedoeld in artikel 6:230g sub e BW (de overeenkomst is immers niet gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand) en evenmin van één van de situaties bedoeld in artikel 6:230g sub f BW (tussen partijen is immers meermaals en op meerdere manieren contact geweest voor aanvang van de werkzaamheden, zodat [partij B] zich in ruime mate op de overeenkomst kon bezinnen).
4.7.
De rechtbank moet wel ambtshalve toetsen of is voldaan aan de algemene informatieplicht die is neergelegd in artikel 6:230l BW (van toepassing op overeenkomsten die geen overeenkomst op afstand zijn en ook niet buiten de verkoopruimte zijn gesloten). Dit artikel verplicht de handelaar voor het aangaan van een overeenkomst met een consument op een duidelijke en begrijpelijke wijze informatie aan de consument te verstrekken over de totale prijs van de dienst die hij zal verlenen. Als dat niet goed mogelijk is, dan moet de handelaar in ieder geval inzicht geven in de wijze waarop de prijs moet worden berekend.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat [partij A] voldoende concreet heeft omschreven wat de totaalprijs zou worden van de werkzaamheden. Hij heeft een globaal totaalbedrag genoteerd en inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden daarvoor zouden worden verricht en welke posten daarbij nog onzeker waren. Toen de kosten hoger dreigden uit te vallen, heeft hij [partij B] gewaarschuwd en een concrete marge genoemd waarmee de eerder genoemde prijzen zouden worden verhoogd. Daarmee hebben [partij B] mondeling ingestemd. Zij waren op dat moment op de hoogte van de totale prijs van de werkzaamheden die [partij A] zou verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] daarmee voldaan aan de informatieplicht van artikel 6:230l BW.
Het verschuldigde bedrag
4.9.
[partij A] kan dus nog aanspraak maken op het volgende bedrag:
Maximaal te factureren:
€ 119.000,00
Reeds voldaan
-/-
€ 97.277,64
Nog verschuldigd:
€ 21.722,36
4.10.
Ten aanzien van de twee nog openstaande facturen van [partij A] hebben [partij B] een aantal posten betwist en enkele verrekenposten gepresenteerd, met een totaalbedrag van € 6.933,85. De rechtbank zal deze betwistingen/verrekeningen verder in het midden laten, omdat van de facturen slechts een deel (€ 21.722,36) verschuldigd is en daarmee al een hoger bedrag in mindering wordt gebracht dan voornoemd bedrag dat volgens [partij B] in mindering moet worden gebracht.
Opschorting en verrekening
4.11.
[partij B] hebben een beroep gedaan op opschorting en verrekening, omdat zij gebreken hebben geconstateerd in het opgeleverde werk en daardoor schade hebben geleden. [partij A] heeft betoogd dat [partij B] onterecht hebben opgeschort en daardoor in schuldeisersverzuim zijn geraakt.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat [partij B] hun verplichting tot betaling terecht hebben opgeschort. Factuur [nummer 1] dateert van 22 december 2022. Deze factuur bevat enkele algemene posten (zoals het aantal gewerkte uren en arbeid van derden) en vermeldt daarbij bedragen, zonder verdere onderbouwing van die bedragen. Op 27 december 2022 hebben [partij B] gevraagd om een nadere specificatie van die factuur, maar daarmee heeft [partij A] nog bijna vier maanden gewacht. [partij B] mochten de betaling van de factuur naar het oordeel van de rechtbank opschorten totdat zij een specificatie hadden ontvangen en het daarmee duidelijk was waarom zij het gefactureerde bedrag verschuldigd waren.
4.13.
Intussen liepen [partij B] aan tegen de gevolgen van gebreken in het werk en sommeerden zij [partij A] om de gebreken te herstellen. [partij A] was verplicht om aan die sommatie gehoor te geven en kon die verplichting niet opschorten vanwege de openstaande factuur. De conclusie is dus dat niet [partij B] , maar [partij A] in schuldeisersverzuim is geraakt, door het herstel van de gebreken onterecht op te schorten en eerst betaling van de factuur te eisen.
4.14.
In dit verband heeft [partij A] nog aangevoerd dat partijen op 1 juni 2023 met elkaar hebben gesproken om tot een onderlinge oplossing te komen en dat [partij B] hem zonder voorbehoud in de gelegenheid hebben gesteld om uitvoering te geven aan de overeenkomst. Als hij daarmee bedoelt dat het verzuim van [partij A] daardoor is gezuiverd, dan is dat onjuist. Op [partij A] rustte immers een verplichting tot herstel, en zijn verzuim kon hij alleen zuiveren door daarnaast ook vergoeding van schade en kosten aan te bieden (artikel 6:86 BW Pro). Dat hij dat heeft gedaan is niet gebleken.
4.15.
Zoals hierna in reconventie wordt overwogen, hebben [partij B] een vordering op [partij A] uit hoofde van vervangende schadevergoeding. Die schade zal worden vastgesteld op € 77.970,19. Nu dit bedrag op eenvoudige wijze is vast te stellen, slaagt het beroep op verrekening.
Conclusie in conventie
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat [partij B] nog een bedrag van € 21.722,36 aan [partij A] waren verschuldigd. Omdat [partij B] mochten opschorten zijn zij geen rente over de hoofdsom en geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Bovendien mogen zij verrekenen met de vordering tot schadevergoeding. Na verrekening resteert in conventie een bedrag van nihil. Daarom zullen de vorderingen van [partij A] worden afgewezen.
In reconventie
4.17.
[partij B] vorderen schadevergoeding omdat [partij A] de overeengekomen werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd, met name de plaatsing van de kozijnen en het aanbrengen van stucwerk in de woning.
Gebreken
4.18.
[partij B] hebben hun vordering onderbouwd met vier rapporten, opgesteld door respectievelijk De Verbouwregisseur, McLarens, Alhra Kozijnen en TOP Expertise. Uit al deze rapporten blijkt dat de geplaatste kozijnen gebreken vertoonden, zowel waar het gaat om het inmeten als ten aanzien van de montage. Hoewel McLarens 14 van de 19 kozijnen nog bruikbaar achtte na aanpassing, bleek na onderzoek van TOP Expertise – die het meest uitvoerige onderzoek heeft uitgevoerd – dat slechts twee van de 19 kozijnen konden worden hergebruikt.
4.19.
Tegenover deze rapporten heeft [partij A] slechts volstaan met een algemene betwisting van de gebreken. Hij heeft de door hem opgenomen kozijnmaten vergeleken met de maten die zijn opgenomen in de offertes die [partij B] hebben overgelegd en daaruit geconcludeerd dat zijn maten daarvan niet veel afwijken. Het is voor de rechtbank echter niet mogelijk om – zonder nadere toelichting, die niet is gegeven – daaruit te concluderen dat de conclusies in de door [partij B] overgelegde rapporten niet kloppen. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat [partij A] de geconstateerde gebreken aan de kozijnen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
4.20.
De gebreken ten aanzien van het losgekomen stucwerk zijn tussen partijen niet in geschil, zodat de rechtbank die gebreken als vaststaand aanneemt.
Verzuim
4.21.
[partij B] hebben op 31 maart 2023 een e-mail aan [partij A] gestuurd met een bijlage waarin een aantal gebreken in het werk worden beschreven, onder meer beschadigingen aan kozijnen en ramen en lekkages. Aan [partij A] werd een maand de tijd gegeven om de gebreken te herstellen en het werk af te maken. Op 13 april 2023 en 1 mei 2023 zijn soortgelijke sommaties verstuurd. [partij A] heeft aan deze sommaties geen gehoor gegeven omdat hij eerst betaling van de openstaande facturen verlangde. Zoals in conventie al is overwogen, is hij daardoor in schuldeisersverzuim geraakt: hij was niet in de positie om zijn verplichting tot herstel op te schorten.
4.22.
Doordat [partij A] geen gehoor gaf aan de sommaties, is hij in elk geval op 1 juni 2023 in verzuim geraakt. Toen ook onderling overleg niet resulteerde in een oplossing, hebben [partij B] op 6 december 2023 terecht een omzettingsverklaring aan [partij A] toegezonden. De gevorderde verklaring voor recht zal echter worden afgewezen, omdat bij een dergelijke verklaring geen belang bestaat als op dezelfde grondslag schadevergoeding wordt toegewezen.
4.23.
Ten aanzien van het losgekomen stucwerk hebben [partij B] [partij A] op 6 december 2023 gesommeerd om dit te herstellen binnen vier weken. Daaraan heeft hij geen gehoor gegeven, zodat hij ten aanzien daarvan met ingang van 4 januari 2024 in verzuim is geraakt. De wettelijke rente over de met herstel gemoeide kosten (€ 1.569,50) zal met ingang van die datum worden toegewezen.
Omvang van de schade
4.24.
[partij B] hebben de omvang van de schade onderbouwd door middel van de eerder genoemde deskundigenrapporten. Hoewel de eerste rapporten nog uitgingen van geringere schadebedragen, heeft TOP Expertise (die het meest uitvoerige onderzoek heeft verricht) geconstateerd dat slechts twee van de 19 kozijnen konden worden hergebruikt. [partij A] heeft dat onvoldoende betwist. [partij A] heeft vraagtekens gezet bij het feit dat zo weinig kozijnen konden worden hergebruikt, maar [partij B] hebben daartegenover onweersproken aangevoerd dat TOP Expertise als enige deskundige onderzoek heeft kunnen doen tijdens en na de demontage van de kozijnen in de woning. Daardoor was TOP Expertise het best van al deze onderzoekers in staat om de staat van de kozijnen en de mogelijkheid voor hergebruik te beoordelen. Dat de opdracht tot vervanging van de kozijnen toen al was gegeven, zoals [partij A] heeft aangevoerd, maakt niet dat de conclusies van TOP Expertise niet kunnen worden gevolgd.
4.25.
Verder hebben [partij B] toegelicht dat zij zich feitelijk genoodzaakt zagen om alle kozijnen te vervangen, ook de twee waarvan TOP Expertise had aangegeven dat ze konden worden hergebruikt. Leverancier Alhra achtte een aanzienlijke kans op beschadiging aanwezig als de kozijnen werden hergebruikt en was niet bereid om op die kozijnen garantie te verstrekken. Om die reden hebben [partij B] besloten alle kozijnen te laten vervangen. Naar het oordeel van de rechtbank komen ook de kosten van deze twee kozijnen voor rekening van [partij A] , nu niet in geschil is dat ook deze twee kozijnen moesten worden aangepast en de noodzaak tot vervanging voortvloeit uit de gebrekkige prestatie van [partij A] .
4.26.
Naast het herstel van de kozijnen hebben [partij B] nog andere
herstelwerkzaamheden moeten laten uitvoeren, waaronder de afwerking van de kozijnen,
stuc- en pleisterwerk en schilderwerk. Nu [partij A] naast de hiervoor genoemde verweren de berekening van de schade verder niet heeft betwist, zal de rechtbank de schadebegroting van [partij B] tot uitgangspunt nemen. Het totaalbedrag aan schade bedraagt € 77.970,19. Na verrekening in conventie kan daarvan (€ 77.970,19 -/- € 21.722,36 =) € 56.247,83 in reconventie worden toegewezen.
4.27.
[partij B] hebben ook recht op vergoeding van de kosten van de deskundigen (De Verbouwregisseur, McLarens en TOP Expertise) die ze hebben ingeschakeld om de schade en de aansprakelijkheid vast te stellen. De gevorderde deskundigenkosten van € 5.298,03 zijn daarom in beginsel toewijsbaar. Anders dan [partij A] heeft betoogd, komt ook het onderzoek van TOP Expertise voor vergoeding in aanmerking omdat het heeft bijgedragen aan de vaststelling schade en aansprakelijkheid. Wel is het zo dat de rapporten elkaar voor een groot deel overlappen en dat – achteraf bezien – met het rapport van TOP Expertise had kunnen worden volstaan. Daarom zal de rechtbank de gevraagde vergoeding matigen tot een bedrag van € 4.000,00. De gevorderde wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf 10 september 2025, de datum van de eis in reconventie.
4.28.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten heeft [partij A] alleen de hoogte bestreden, maar de werkzaamheden niet betwist. Omdat de hoofdvordering niet valt onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), toetst de rechtbank de gevorderde vergoeding aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De hoogte van het gevorderde bedrag (€ 1.881,19) is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar.
In conventie en in reconventie
4.29.
[partij A] is in beide zaken (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
3.870,00
(3 punten × € 1.290,00)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.540,00

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af;
in reconventie
5.2.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] een bedrag van € 56.247,83 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 54.678,33 met ingang van 1 juni 2023 en de wettelijke rente over een bedrag van € 1.569,50 met ingang van 4 januari 2024, tot aan de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] een bedrag van € 4.000,00 aan deskundigenkosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 10 september 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] een bedrag van € 1.881,19 aan buitengerechtelijke kosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 10 september 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B] van € 5.540,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
verklaart de onderdelen 5.2 t/m 5.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.