Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16641

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL24.51378
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na beslissing op asielberoep

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond in een verlengde procedure. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep behandeld. Op de datum van deze uitspraak is op het beroep uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoekster een vergoeding van proceskosten toekomt, welke door de minister moet worden betaald. De vergoeding is vastgesteld op € 934,00, gebaseerd op een vast bedrag per proceshandeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er wordt geen extra vergoeding toegekend voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter T.M. Weeda en griffier M.P. de Zwart, en is in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het asielberoep reeds is beslist, met toekenning van proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51378

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Deijer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Zij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 december 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep met nummer NL24.51377, op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, G.I. Marcus-Goerewitsj als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL24.51377, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3.1.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep aanleiding te bepalen dat verzoekster een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,00. Omdat in het beroep al een punt is toegekend voor de behandeling ter zitting, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de behandeling van het verzoek ter zitting een punt toe te kennen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,00 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.