ECLI:NL:RBDHA:2026:16635
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 30 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is, waar eiser eerder een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer op Kroatië van toepassing is vanwege zijn persoonlijke ervaringen en de situatie in Kroatië.
De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat lidstaten hun verdragsverplichtingen nakomen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat er een reëel risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Eiser slaagde hier niet in, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het AIDA-rapport 2023 en 2024, die geen structurele tekortkomingen in Kroatië aantonen.
Ook de medische situatie van eiser en zijn persoonlijke ervaringen, waaronder detentie en seksuele uitbuiting, rechtvaardigen volgens de rechtbank geen uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Kroatië tot onevenredige hardheid leidt en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.