Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16620

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
701558
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 UModVoArt. 13 AwArt. 6:162 BWArt. 1019h RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen inbreuk op modelrecht, auteursrecht en geen slaafse nabootsing van grasbetonplaten

Deze zaak betreft een kort geding tussen Cobefa Beton BVBA en [gedaagde] B.V. over vermeende inbreuk op modelrecht, auteursrecht en onrechtmatige slaafse nabootsing van grasbetonplaten. Cobefa stelt dat de grasbetonplaten van [gedaagde] inbreuk maken op haar Uniemodellen en auteursrechten en dat sprake is van slaafse nabootsing.

De rechtbank oordeelt dat de grasbetonplaat van [gedaagde] bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen, waardoor geen sprake is van modelrechtinbreuk. Ook is geen auteursrechtinbreuk vastgesteld omdat de creatieve elementen van de Cobefa-platen niet herkenbaar zijn overgenomen. Daarnaast is geen sprake van onrechtmatige slaafse nabootsing, omdat [gedaagde] voldoende afstand houdt tot de vormgeving van Cobefa.

De rechtbank wijst de vorderingen van Cobefa af en veroordeelt haar in de proceskosten van [gedaagde]. De kosten worden begroot op €19.218,25 inclusief griffierecht en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vorderingen van Cobefa worden afgewezen wegens geen inbreuk op modelrecht, auteursrecht en geen slaafse nabootsing; Cobefa wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/701558 / KG ZA 26-283
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van
COBEFA BETON BVBA,
te Komen-Waasten (België),
eiseres,
hierna te noemen: Cobefa,
Advocaten: mr. H.W. Roerdink en mr. F.V.F. Thelen,
tegen
[gedaagde] B.V.,te [vestigingsplaats],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
Advocaten: mr. M.W. Rijsdijk en mr. D.W. van Leeuwen.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Deze procedure gaat over zogeheten grasbetonplaten. Grasbetonplaten kenmerken zich door openingen in het beton waardoor gras kan groeien. De voorzieningenrechter komt in dit vonnis tot het voorlopige oordeel dat de grasbetonplaat van [gedaagde] bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan de modellen van Cobefa, zodat geen sprake is van modelrechtinbreuk. Ook van auteursrechtinbreuk en slaafse nabootsing is geen sprake. De voorzieningenrechter legt hieronder uit hoe hij tot dit voorlopige oordeel is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 30 maart 2026 met producties EP01 tot en met EP18;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 4 juni 2026 met producties GP01 t/m GP09;
- de akte overlegging producties van Cobefa van 10 juni 2026 met producties EP19 tot en met 25;
- de aanvullende kostenstaat van Cobefa;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
2.2.
Op 12 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

3.De feiten

Cobefa en haar grasbetonplaten en modellen
3.1.
Cobefa is een producent van betonproducten, waaronder grasbetonplaten.
3.2.
Cobefa heeft in haar collectie grasbetonplaten verschillende lijnen, waaronder ‘Grid’ en ‘Industrial’. Cobefa heeft in september 2023 in de Grid-lijn een grasbetonplaat gelanceerd met de naam ‘Brutal Speckled’ (hierna: de ‘Grid-grasbetonplaat’). In het voorjaar van 2024 heeft Cobefa in de Industrial-lijn een grasbetonplaat gelanceerd, eveneens met de naam ‘Brutal Speckled’ (hierna: de ‘Industrial-grasbetonplaat’). De genoemde grasbetonplaten worden hierna gezamenlijk aangeduid als de ‘Cobefa-grasbetonplaten’. Op onderstaande afbeeldingen afkomstig uit het promotiemateriaal van Cobefa zijn de Cobefa-grasbetonplaten te zien:
3.3.
Cobefa is houdster van verscheidene Uniemodelregistraties. Voor de Grid-grasbetonplaten heeft zij de volgende Uniemodellen geregistreerd (de modellen in 3.3.1 tot en met 3.3.3 worden hierna aangeduid als de ‘Grid-modellen’):
3.3.1.
Een Uniemodel met registratienummer 015034346-0001, geregistreerd op 26 september 2023, binnen designklasse 25.01 (bouwelementen). Bij de modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
3.3.2.
Een Uniemodel met registratienummer 015034346-0004, geregistreerd op 26 september 2023, binnen designklasse 25.01 (bouwelementen). Bij de modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
3.3.3.
Een Uniemodel met registratienummer 015034346-0005, geregistreerd op 26 september 2023, binnen designklasse 25.01 (bouwelementen). Bij de modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
3.4.
Voor de Industrial Grasbetonplaten heeft zij de volgende Uniemodellen geregistreerd (de modellen onder 3.4.1 en 3.4.2 zullen worden aangeduid als de ‘Industrial-modellen’; en samen met de Grid-modellen als de ‘Cobefa-modellen’):
3.4.1.
Een Uniemodel met registratienummer 015050280-0001, geregistreerd op 21 februari 2024, binnen designklasse 25.01 (bouwelementen). Bij de modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
3.4.2.
Een Uniemodel met registratienummer 015050280-0002, geregistreerd op 21 februari 2024, binnen designklasse 25.01 (bouwelementen). Bij de modelregistratie horen de volgende afbeeldingen:
[gedaagde] en haar grasbetonplaat
3.5.
[gedaagde] is eveneens een producent van betonproducten. [gedaagde] heeft eveneens een grasbetonplaat in haar assortiment. De grasbetonplaat van [gedaagde] wordt verkocht onder de naam ‘[modelnaam]’ (hierna: de [modelnaam]). De [modelnaam] is door [gedaagde] voor het eerst aangeboden op de Vakbeurs Openbare Ruimte op 24 en 25 september 2025 in Utrecht. Ter illustratie dienen de volgende afbeeldingen:
Correspondentie tussen partijen
3.6.
Op 13 november 2025 heeft Cobefa een sommatiebrief gestuurd naar [gedaagde], waarin [gedaagde] werd gewezen op modelrecht- en auteursrechtinbreuk en het slaafs nabootsen van de Cobefa-grasbetonplaten. [gedaagde] heeft iedere inbreuk afgewezen. Nader overleg tussen partijen heeft niet tot een oplossing geleid. [gedaagde] heeft de verkoop van de [modelnaam] niet gestaakt.

4.Het geschil

4.1.
Cobefa vordert – kort samengevat – een inbreukverbod op de model- en auteursrechten van Cobefa op de Cobefa-grasbetonplaten en een verbod op het onrechtmatig slaafs nabootsen daarvan, met nevenvorderingen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv [1] .
4.2.
Cobefa legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] met het verhandelen van de [modelnaam] inbreuk maakt op de Cobefa-modellen in de zin van artikel 10 lid 1 UModVo Pro [2] , omdat het uiterlijk van de [modelnaam] bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen. Daarnaast stelt Cobefa dat [gedaagde] inbreuk maakt op de auteursrechten van Cobefa op de Cobefa-grasbetonplaten in de zin van artikel 13 Aw Pro [3] , omdat de Cobefa-grasbetonplaten auteursrechtelijk beschermde werken zijn waarvan Cobefa de rechthebbende is en de [modelnaam] daarvan een ongeoorloofde verveelvoudiging vormt, nu de creatieve elementen van de Cobefa-grasbetonplaten op herkenbare wijze zijn overgenomen in de [modelnaam]. Bovendien stelt Cobefa dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar handelt in de zin van artikel 6:162 BW Pro [4] , door de Cobefa-grasbetonplaten slaafs na te bootsen.
4.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Cobefa, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Cobefa in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.4.
[gedaagde] betwist dat sprake is van modelrechtinbreuk, omdat de Cobefa-modellen nietig zijn wegens gebrek aan nieuwheid en eigen karakter en omdat deze technisch bepaald zijn. Bovendien meent [gedaagde] dat de [modelnaam] bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen. Daarnaast betwist [gedaagde] dat sprake is van auteursrechtinbreuk, omdat Cobefa geen auteursrechthebbende is, en de Cobefa-grasbetonplaten geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor zover de Cobefa-modellen werken zijn in auteursrechtelijke zin, maakt [gedaagde] met de [modelnaam] geen inbreuk op de auteursrechten van Cobefa op de Cobefa-grasbetonplaten, omdat de creatieve elementen niet herkenbaar zijn overgenomen in de [modelnaam]. Verder voert [gedaagde] aan dat dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht. Ten slotte betwist [gedaagde] dat de [modelnaam] kwalificeert als een onrechtmatige slaafse nabootsing van de Cobefa-grasbetonplaten.
4.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Bevoegdheid
5.1.
Voor zover de vorderingen zijn gegrond op de Cobefa-modellen is deze rechtbank internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikelen 80 lid 1, 81 aanhef en onder a en 82 lid 1 UModVo, in samenhang met artikel 3 van Pro de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen, aangezien [gedaagde] in Nederland is gevestigd.
5.2.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op auteursrecht en/of onrechtmatige daad (slaafse nabootsing) is de rechtbank internationaal bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis-Vo [5] , aangezien [gedaagde] in Nederland is gevestigd. De rechtbank is relatief bevoegd op grond van artikel 102 Rv Pro, aangezien de vermeende inbreuk ook in het arrondissement Den Haag plaatsvindt.
Spoedeisend belang
5.3.
De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gegeven, nu de gestelde inbreuk op intellectuele eigendomsrechten voortduurt. Overigens is de spoedeisendheid niet (voldoende) door [gedaagde] bestreden.
Modelrechtinbreuk
5.4.
[gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer tegen de gestelde modelrechtinbreuk betoogd dat de Cobefa-modellen niet geldig zijn. Dit verweer kan in dit kort geding onbesproken blijven, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat, indien en voor zover de modellen geldig zijn, [gedaagde] daarop geen inbreuk maakt.
5.5.
Bij beoordeling van de gestelde inbreuk moet het volgende in aanmerking worden genomen. Volgens artikel 10 lid 1 UModVo Pro omvat de beschermingsomvang van een Uniemodel elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. Volgens lid 2 wordt bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. Tussen de beantwoording van de vragen of een model geldig is en wat de beschermingsomvang daarvan is, bestaat in die zin een verband dat, indien vaststaat dat een model geldig is, de beschermingsomvang daarvan (i) afhankelijk is van de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen, en (ii) ten opzichte van latere modellen niet groter is dan de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen. [6]
5.6.
De ‘geïnformeerde gebruiker’, de maatpersoon in het modellenrecht, is een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector. Deze gebruiker is gepositioneerd tussen de – op het gebied van het merkenrecht gehanteerde – maatpersoon de ‘gemiddelde consument’, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de strijdige modellen in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en anderzijds de maatpersoon ‘de vakman’ met grondige technische deskundigheid die in het octrooirecht als uitgangspunt geldt. Voor wat betreft het aandachtsniveau van deze geïnformeerde gebruiker geldt dat deze niet de gemiddelde consument is die een model gewoonlijk als een geheel waarneemt en niet op de verschillende details ervan let, en dat het evenmin gaat om de vakpersoon die in detail de minieme verschillen die mogelijkerwijs tussen de conflicterende modellen bestaan, kan onderscheiden. Het betreft de gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, de in de betrokken sector bestaande verschillende modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan. [7]
5.7.
De voorzieningenrechter gaat op basis van de standpunten van partijen voor deze geïnformeerde gebruiker uit van een bouwprofessional, zoals een (tuin- of landbouw-)
architect of projectontwikkelaar. Aangenomen kan worden dat deze geïnformeerde gebruiker de verschillende modellen kent en vanuit zijn kennis en belangstelling voor het type product in hoge mate aandachtig zal zijn en oog zal hebben voor details.
5.8.
De beschermingsomvang van de Cobefa-modellen is afhankelijk van de afstand die bestaat tussen de modellen en de eerdere soortgelijke modellen (het vormgevingserfgoed). Tussen partijen is niet in geschil dat de Hydro-grasbetonplaten van Anders Beton en de SoliDrain tot het vormgevingserfgoed behoren. Deze grasbetonplaten van Anders Beton (links) en SoliDrain (rechts) zien er als volgt uit:
5.9.
Uit dit vormgevingserfgoed blijkt dat vóór de datum van depot van de Cobefa-modellen al rechthoekigvormige grasbetonplaten met een uniform doorlopend patroon van vierkante openingen op de markt waren. Het belangrijkste verschil van de Cobefa-modellen ten opzichte van dit vormgevingserfgoed is het rasterpatroon van de vierkante openingen.
Anders dan bij dit vormgevingserfgoed is dit patroon bij de Cobefa-modellen immers niet uniform doorlopend, maar wisselen open en dichte vlakken elkaar af. Dit leidt tot een – in de woorden van Cobefa – ‘speels’ patroon. Dit patroon met afwisselend open en dichte vlakken onderscheidt de Cobefa-modellen dus van het vormgevingserfgoed.
5.10.
De beschermingsomvang van de Cobefa-modellen strekt echter niet zo ver dat het alle grasbetonplaten met een patroon van afwisselend open en dichte vlakken omvat. De beschermingsomvang van de Cobefa-modellen strekt immers niet verder dan de modellen die bij de geïnformeerde gebruiker eenzelfde algemene indruk wekken.
5.11.
Hoewel de [modelnaam] ook een patroon kent van afwisselend open en dichte vierkante vlakken, is het patroon van de [modelnaam] naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk anders vormgegeven dan het patroon van de Cobefa-modellen. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe, aan de hand van een vergelijking tussen afbeeldingen van het in 3.4.1 genoemde Industrial-model (hierna ook: het model) en de [modelnaam].
Het model
[modelnaam]
5.12.
De meest opvallende verschillen tussen de [modelnaam] en het model zijn de volgende:
  • de [modelnaam] kent aanmerkelijk minder openingen dan het model. Het model telt 97 openingen. De [modelnaam] slechts 48 – minder dan de helft. Dat leidt ertoe dat bij de [modelnaam] aanzienlijk meer beton zichtbaar is;
  • de verdeling van de vlakken is anders. Waar het model verdeeld is in 7 x 15 (open en dichte) vlakken, kent de [modelnaam] een verdeling van 6 x 12 vlakken. Omdat de [modelnaam] minder vlakken heeft, is de afstand tussen de vlakken groter. Ook de omlijsting is daardoor bij de [modelnaam] breder. Hierdoor is bij de [modelnaam] meer beton zichtbaar;
  • het patroon van het model is asymmetrisch, dat wil zeggen: op (schijnbaar) willekeurige plekken in het raster zijn vlakken dichtgemaakt. Het patroon van de [modelnaam] is daarentegen symmetrisch, dat wil zeggen: de twee helften van de [modelnaam] zijn elkaars spiegelbeeld langs een (denkbeeldige) lengteas; en
  • bij het model worden openingen steeds afgewisseld met één dicht vlak. Bij de [modelnaam] worden de openingen afgewisseld met ‘groepjes’ van twee of vier dichte vlakken.
5.13.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter leiden voornoemde verschillen ertoe dat de [modelnaam] bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt dan het model, zodat geen sprake is van inbreuk op het model.
5.14.
De verschillen van de [modelnaam] ten opzichte van het in 3.4.2 genoemde Industrial-model zijn dezelfde als hiervoor in 5.12 uiteengezet. De verschillen van de [modelnaam] ten opzichte van de Grid-modellen zijn zelfs groter. Immers, naast de in 5.12 genoemde verschillen ten aanzien van het patroon, zijn de uiteinden van de Grid-modellen afgewerkt met een kartelrand en/of bevinden de openingen zich slechts op een gedeelte van de betonplaat. Dergelijke kenmerken kent de [modelnaam] niet. De [modelnaam] wekt daarmee bij de geïnformeerde gebruiker ook een andere algemene indruk dan de overige Cobefa-modellen.
5.15.
De conclusie uit het voorgaande is dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van modelrechtinbreuk geen sprake is. De voorzieningenrechter zal de daarop gebaseerde vorderingen dan ook afwijzen.
Auteursrechtinbreuk
5.16.
[gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweren tegen de gestelde auteursrechtinbreuk aangevoerd dat Cobefa niet de auteursrechthebbende op de Cobefa-grasbetonplaten is en dat de Cobefa-grasbetonplaten geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Deze verweren kunnen in dit kort geding onbesproken blijven, omdat, veronderstellenderwijs aangenomen dat Cobefa een beroep kan doen op auteursrechten op de Cobefa-grasbetonplaten, daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen inbreuk op wordt gemaakt door [gedaagde] met de [modelnaam]. Daartoe is het volgende redengevend.
5.17.
Van inbreuk op een auteursrechtelijk beschermd werk is sprake als dit zonder toestemming van de auteursrechthebbende openbaar wordt gemaakt (artikel 12 Aw Pro) of verveelvoudigd (artikel 13 Aw Pro). Onder verveelvoudigen valt ook het bewerken of nabootsen van het werk. Hiervan is sprake als oorspronkelijke creatieve elementen (die uitdrukking geven aan de keuzen die de persoonlijkheid van de auteur van het beschermde werk weerspiegelen), op herkenbare wijze zijn overgenomen in het beweerdelijk inbreukmakende werk. De algemene indruk die de conflicterende werken wekken, is niet doorslaggevend. [8] Het enkele feit dat iemand dezelfde trend of dezelfde artistieke stroming volgt als de auteur van een ouder werk, levert geen inbreuk op als er geen concreet identificeerbare creatieve elementen uit dat oudere werk zijn overgenomen. [9]
5.18.
Voor de beoordeling van de vraag of de [modelnaam] inbreuk maakt op de auteursrechten van Cobefa op de Cobefa-grasbetonplaten geldt – anders dan bij het modelrecht waarbij de vergelijking wordt gemaakt met (de afbeeldingen van) het model zoals dat is ingeschreven – dat de vergelijking moet worden gemaakt tussen de [modelnaam] en de Cobefa-grasbetonplaten zoals die door Cobefa op de markt zijn gebracht (de uitvoeringsvorm). Door partijen is echter niet betoogd, en het is de voorzieningenrechter ook niet gebleken, dat er een verschil is tussen de op de markt gebrachte exemplaren van de Cobefa-grasbetonplaten en de afbeeldingen van de Cobefa-modellen zoals die zijn ingeschreven. In dit geval zullen daarom de afbeeldingen uit de modelinschrijvingen en niet de uitvoeringsvormen van de Cobefa-grasbetonplaten worden vergeleken met de aangeboden [modelnaam]-grasbetonplaten.
5.19.
Gelet op het in 5.8 genoemde vormgevingserfgoed – dat voor de auteursrechtelijke beoordeling eveneens relevant is – is het concreet identificeerbare creatieve element van de Cobefa-grasbetonplaten, voor zover daarvan sprake is, het patroon met afwisselend open en dichte vlakken. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit element niet op herkenbare wijze overgenomen in de [modelnaam]. De voorzieningenrechter verwijst daarbij kortheidshalve naar de in 5.12 en 5.14 genoemde verschillen die hiervoor zijn besproken in het kader van de beoordeling van de gestelde modelrechtinbreuk. Het enkele feit dat [gedaagde] met de [modelnaam] dezelfde trend heeft gevolgd als Cobefa met de Cobefa-grasbetonplaten – in die zin dat [gedaagde] ook een grasbetonplaat op de markt heeft gebracht met een patroon met afwisselend open en dichte vlakken – levert geen auteursrechtinbreuk op, nu het concreet identificeerbare creatieve element uit de Cobefa-grasbetonplaten niet is overgenomen.
5.20.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van auteursrechtinbreuk. De daarop gebaseerde vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
Slaafse nabootsing
5.21.
Cobefa heeft als meest verstrekkende verweer tegen de gestelde slaafse nabootsing aangevoerd dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht, zodat aan een oordeel dat sprake is van slaafse nabootsing geen rechtsgevolg worden gegeven. Ook dit verweer kan onbesproken blijven, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat, indien en voor zover Cobefa wel een beroep kan doen op de slaafse nabootsingsleer, van onrechtmatig slaafs nabootsen geen sprake is.
5.22.
Uitgangspunt is dat het nabootsen van een product van een ander alleen dan onrechtmatig is, indien moet worden aangenomen dat men zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van het product op bepaalde punten een andere weg had kunnen inslaan en men door dit na te laten verwarring sticht. Gelet op dat wat hiervoor in het kader van de beoordeling van zowel de modelrechtelijke als de auteursrechtelijke grondslagen is overwogen, heeft [gedaagde] met de [modelnaam] voldoende afstand gehouden tot de vormgeving van de Cobefa-grasbetonplaten. Gevaar voor verwarring is daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te duchten. Ook de op slaafse nabootsing gebaseerde vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.23.
Cobefa zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde]. [gedaagde] maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. De voorzieningenrechter zal – in navolging van partijen – bij de begroting van de proceskosten een verdeling aanhouding van 75% voor proceskosten die zien op het IE-deel en 25% voor proceskosten die zien op het niet-IE-deel.
5.24.
[gedaagde] heeft een specificatie van haar advocaatkosten tot een totaalbedrag van € 26.478,94 overgelegd. Van dit bedrag is 75% en dus € 19.859,21 toerekenbaar aan het IE-deel.
5.25.
Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de categorie ‘normaal kort geding’ met een maximumtarief van € 18.000. Het bedrag aan advocaatkosten van [gedaagde] dat toerekenbaar is aan het IE-deel (€ 19.859,21) overstijgt dit bedrag van € 18.000,-. Hierdoor is een bedrag van € 18.000,- toewijsbaar voor het IE-deel.
5.26.
Voor het niet-IE-deel van de zaak zal de voorzieningenrechter de advocaatkosten van [gedaagde] begroten aan de hand van het liquidatietarief voor een gemiddeld Handel-KG (contradictoir) [10] van € 1.177. Dit betekent dat voor het niet-IE-deel een bedrag van (25% x
€ 1.177) = € 294,25 zal worden toegekend.
5.27.
Het totale toegewezen bedrag aan advocaatkosten (voor het IE-deel en het niet-IE-deel) bedraagt dus € 18.294,25. Dit bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 735 en de nakosten van € 189, waarmee het totaalbedrag uitkomt op € 19.218,25 (plus de verhoging van de nakosten in geval van betekening zoals vermeld in de beslissing).
5.28.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt Cobefa in de proceskosten van [gedaagde] van € 19.218,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend;
6.3.
veroordeelt Cobefa in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, tot de dag van volledige betaling;
6.4.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel, rechter, bijgestaan door mr. E.E. de Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
2.Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Uniemodellen (Uniemodellenverordening)
3.Auteurswet
4.Burgerlijk Wetboek
5.Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
6.Hoge Raad, 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1983 (Apple/Samsung), r.o. 4.3
7.HvJ EU 20 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:679, (PepsiCo & Grupo Promer/BHIM), r.o. 53 en 59
8.HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580/23 en C-795/23 (Mio en Konektra), r.o. 86 en 87
9.HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580/23 en C-795/23 (Mio en Konektra), r.o. 90
10.Aanbeveling tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken