De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 11 juni 2026 behandeld.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.