Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16617

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16804
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 11 EurodacverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De minister had op 24 maart 2026 het besluit genomen en Nederland had op 5 januari 2026 een verzoek tot terugname bij Duitsland ingediend, dat op 8 januari 2026 werd aanvaard.

Eiser stelde dat Frankrijk verantwoordelijk zou moeten zijn, omdat hij daar een verblijfsvergunning had die geldig was tot 25 februari 2025. Hij overhandigde een kopie van deze vergunning en verwees naar relevante artikelen uit de Dublin- en Eurodacverordening. De rechtbank oordeelde echter dat de kopie onvoldoende bewijs bood en dat uit Eurodac bleek dat eiser in Duitsland een asielverzoek had ingediend en dat Duitsland de verantwoordelijkheid had aanvaard.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het verzoek van Duitsland had geaccepteerd en dat er geen aanleiding was voor nader onderzoek naar Frankrijk. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de minister de aanvraag niet hoefde te behandelen en eiser terecht aan Duitsland werd overgedragen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16804

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , op 11 juni 2026 op zitting behandeld Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland op 5 januari 2026 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 8 januari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat niet Duitsland maar Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser stelt, onder verwijzing naar artikel 12, eerste lid en vierde lid, van de Dublinverordening, dat hij in Frankrijk over een verblijfsvergunning beschikte die in ieder geval geldig was tot en met 25 februari 2025. Ter onderbouwing heeft hij een fotokopie van deze verblijfsvergunning overgelegd. Dat uit Eurodac niet blijkt dat Frankrijk hem internationale bescherming heeft verleend, maakt dit volgens eiser niet anders. Eiser wijst erop dat artikel 12 van Pro de Dublinverordening verantwoordelijkheid toekent aan de lidstaat die een geldige verblijfstitel heeft afgegeven en dat dit begrip ruimer is dan een verblijfsstatus die is verleend op grond van internationale bescherming. Daarnaast volgt volgens eiser uit artikel 11 van Pro de Eurodacverordening dat Eurodac primair gegevens registreert over vingerafdrukken en asielaanvragen en niet over alle afgegeven verblijfsdocumenten. Onder verwijzing naar het arrest
Ghezelbash [4] stelt eiser zich op het standpunt dat de minister, ondanks het door Duitsland geaccepteerde claimverzoek, had moeten verifiëren of eiser daadwerkelijk over een verblijfsvergunning in Frankrijk beschikte. Daarbij wijst eiser erop dat uit de door hem overgelegde geboorteakte blijkt dat een dochter van hem in Frankrijk is geboren en dat hij naar aanleiding daarvan destijds een verblijfsvergunning heeft verkregen.
5.1.
De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten naar een mogelijke verantwoordelijkheid van Frankrijk. Uit Eurodac blijkt dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft vervolgens een claimverzoek bij de Duitse autoriteiten ingediend. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek aanvaard. Daarmee staat de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming vast. De door eiser overgelegde fotokopie van een gestelde Franse verblijfstitel biedt onvoldoende onderbouwing om te twijfelen aan deze verantwoordelijkheid, dan wel om aan te nemen dat eiser een verblijfsrecht in Frankrijk heeft. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser in het Dublingehoor weliswaar melding maakt van zijn verblijf in Frankrijk, maar niet van een verblijfsrecht. Dat had gelet op de vragen die in dat gehoor worden gesteld wel voor de hand gelegen. De minister stelt verder terecht dat het enkel een kopie betreft waarvan de echtheid niet kan worden onderzocht. Dat eiser geen origineel kan overleggen, is niet gebleken. Daarbij komt dat uit Eurodac niet is gebleken dat eiser in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of dat hem in Frankrijk internationale bescherming is verleend. Ook uit de overgelegde Franse geboorteakte van de gestelde dochter van eiser wordt geen informatie vermeld waaruit kan worden afgeleid dat aan eiser een verblijfsrecht of verblijfsvergunning in Frankrijk is verleend. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Bovenkant formulier
Onderkant formulier

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat de minister de asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Duitsland.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.16805.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.HvJ EU 7 juni 2016, C-63/15,