Verzoekster heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep op 11 juni 2026 behandeld in een openbare zitting te Groningen, waarbij verzoekster, haar gemachtigde, de gemachtigde van de minister en een tolk aanwezig waren. Na sluiting van het onderzoek heeft de voorzieningenrechter op 19 juni 2026 uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat nu het beroep is behandeld en uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet langer nodig is en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.