ECLI:NL:RBDHA:2026:16581
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en kennelijk ongegrondverklaring
Eiser, van Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende problemen met de Beritan-stam, problemen op de universiteit en vrees voor militaire dienstplicht. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij concrete problemen ondervond door de situatie van zijn vader in 2010 en geen ernstige gewetensbezwaren had tegen militaire dienst.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van de door eiser aangevoerde problemen in twijfel trok. De overgelegde documenten waren kopieën zonder echtheidscontrole en betroffen niet eiser persoonlijk. Ook was de vader van eiser niet veroordeeld en nog werkzaam als docent, wat de minister mee mocht wegen. Daarnaast was het onduidelijk welke problemen eiser met de Beritan-stam of andere groeperingen had, mede omdat hij vaag bleef in zijn verklaringen en geen concreet gevaar aannemelijk maakte.
Ten aanzien van de militaire dienstplicht concludeerde de rechtbank dat eiser geen ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren had aangetoond. Zijn verklaring dat hij in Nederland wel dienst zou doen, mocht door de minister worden meegewogen. Ook het feit dat eiser zijn Turkse paspoort had vernietigd, werd door de minister terecht gezien als mogelijk te kwader trouw, wat de afwijzing als kennelijk ongegrond ondersteunde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de asielaanvraag definitief af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter N.M. Spelt op 4 juni 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.