Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16573

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32376
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, werd op 6 juni 2026 aangehouden en vervolgens op 8 juni 2026 vreemdelingenrechtelijk in bewaring gesteld. Hij stelde dat de vrijheidsontneming onrechtmatig was omdat het strafrechtelijke traject was beëindigd en dat de maatregel onvoldoende was gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat de beoordeling zich beperkt tot de vreemdelingenrechtelijke bewaring vanaf 8 juni 13:00 uur en dat het eerdere strafrechtelijke voortraject niet ter beoordeling stond. Verweerder had de maatregel gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met voldoende gronden waaronder het illegaal binnenkomen en onderduiken van eiser.

De rechtbank vond de motivering van de maatregel toereikend, ook met betrekking tot de gezondheidssituatie van eiser, die geen aanleiding gaf tot een lichter middel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32376

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij is op 6 juni 2026 om 19:00 uur aangehouden als verdachte van diefstal in vereniging en naar aanleiding daarvan op last van de hulpofficier van justitie om 23:06 uur opgehouden voor onderzoek.
2. Eiser stelt dat het strafrechtelijke traject is beëindigd na de genoemde ophouding. Volgens eiser is er hiermee geen wettelijke grondslag voor de vrijheidsontneming sindsdien tot aan het opleggen van de maatregel, dan wel de aanvang van de (vreemdelingenrechtelijke) ophouding op 8 juni 2026. Ook stelt hij dat niet is gebleken waarom de situatie op 8 juni 2026 zodanig anders was dan op twee eerdere momenten waarop hij na strafrechtelijke heenzending in vrijheid is gesteld dat hij dit keer (wel) in bewaring is gesteld. De toelichting hierop ontbreekt, aldus eiser.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser volgens het proces-verbaal M105-A vanaf 8 juni om 13:00 uur is overgenomen uit een strafrechtelijk voortraject en vreemdelingenrechtelijk is opgehouden. Aan deze ophouding als zodanig kleven geen gebreken. Wat zich daarvóór heeft afgespeeld is niet ter beoordeling van de bewaringsrechter. Uit het proces-verbaal van voorgeleiding (PL0900-2026196079-11) blijkt van een onderzoek in het kader van de strafrechtelijke verdenking tegen eiser. De enkele omstandigheid dat het verdere verloop van dat onderzoek niet nader is verantwoord, betekent niet dat het strafrechtelijke karakter daaraan is komen te ontvallen. De rechtbank gaat daarom niet verder in op eisers stelling dat hij vóór 8 juni 13:00 uur onrechtmatig is opgehouden. Evenmin gaat de rechtbank in op de vaststelling van eiser dat hij bij eerdere contacten met de autoriteiten niet in bewaring is gesteld. Ter beoordeling is immers uitsluitend de vraag of eiser nu op een juiste grondslag en op voldoende gronden in vreemdelingenbewaring is gesteld.
4. Verweerder heeft op 13 februari 2026 besloten tot de overdracht van eiser aan Frankrijk onder de Dublinverordening. De overdrachtstermijn is nog niet verstreken. Verweerder heeft de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a van de Vw. De maatregel wordt voldoende gedragen door gronden die onderbouwen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder stelt daartoe terecht onder meer dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. In de maatregel is in dat verband terecht opgemerkt dat eiser zonder geldig paspoort is ingereisd en dat hij in april 2026 is ondergedoken. Alleen al deze twee zware gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. De overige gronden hoeven dan ook niet te worden besproken aangezien ze niet kunnen leiden tot een gegrond beroep.
5. Verweerder heeft met de verwijzing naar de gronden voldoende gemotiveerd dat in dit geval een lichter middel niet volstaat om het bedoelde risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Anders dan in de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 29 juni 2016, is door verweerder in de maatregel onder het kopje ‘Gezondheid’ ook kenbaar betrokken wat eiser heeft verklaard over medische klachten en medicatiegebruik: “Betrokkene gaf aan in het verleden zijn oogkas en neus te hebben gebroken en hierdoor is hij af en toe duizelig. Verder gebruikt betrokkene pregabaline, Diazapam en Ketiapin.” In de maatregel is vervolgens terecht geconcludeerd dat dit hoeft te leiden tot het toepassen van een lichter middel, waarbij is verwezen naar de volwaardige medische zorgverlening in het detentiecentrum. Tijdens een daarvóór, om 14:03 uur, afgenomen verhoor heeft eiser verklaard dat het niet goed met hem gaat, dat hij ziek is en depressief. Dit eerdere gehoor was niet bedoeld als voorbereiding van de beslissing over het al dan niet opleggen van de maatregel. Eiser is in het gehoor direct voorafgaand aan de inbewaringstelling (vanaf 14:32 uur) opnieuw in de gelegenheid gesteld om over zijn gezondheid te verklaren. Die verklaringen zijn betrokken in de beoordeling van de vraag of met een lichter middel kan worden volstaan. Het enkele feit dat de eerdere verklaringen niet eveneens zijn benoemd in de maatregel van bewaring, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat verweerder voldoende is ingegaan op de vraag of de gezondheidssituatie van eiser aanleiding moet geven tot het toepassen van een lichter middel. Eiser heeft ook niet aangegeven welke van zijn klachten volgens hem hadden moeten leiden tot een andere belangenafweging.
6. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door op 19 juni 2026 mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.