ECLI:NL:RBDHA:2026:16572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23670
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA-verlenging

Verzoeker had een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) geldig tot 1 september 2025 en vroeg verlenging aan voor arbeid in loondienst bij zijn werkgever. De minister wees deze aanvraag op 13 maart 2026 af. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij tijdens de bezwaarprocedure mocht blijven werken.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang omdat het bezwaar de rechtsgevolgen van het besluit niet schortte en verzoeker anders niet mocht werken. De minister verzette zich niet tegen het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek toegewezen, zodat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure arbeid mag verrichten.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, waaronder het griffierecht en een vergoeding voor het ingediende verzoekschrift. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, verzoeker mag tijdens bezwaarprocedure arbeid verrichten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23670

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Verzoeker is eerder in het bezit gesteld van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA), met een geldigheidsduur van 1 september 2023 tot 1 september 2025. Op 1 augustus 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor het verlengen van de geldigheidsduur van de GVVA-vergunning met als doel ‘Arbeid in loondienst’ bij zijn werkgever en tevens referent ‘[werkgever/referent]’. Met het besluit van 13 maart 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij hangende de bezwaarprocedure in zijn functie als kok arbeid mag verrichten voor zijn werkgever.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Verzoeker heeft op 19 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Dit bezwaar schort de rechtsgevolgen van het besluit van 13 maart 2026 alleen niet op. Omdat verzoeker gedurende de behandeling van het bezwaar niet mag werken, heeft verzoeker spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
6. De minister heeft op 19 mei 2026 schriftelijk laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening totdat op het bezwaarschrift is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening om deze reden toe.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker hangende de bezwaarprocedure arbeid voor referent mag verrichten.
7.1.
Omdat het verzoek wordt toegewezen krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij vanwege de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Ook moet de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- vergoeden. Er zijn geen andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure arbeid voor referent mag verrichten;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker van € 934,-;
- bepaalt dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.