Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703415 / KG ZA 26-394
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorgregeling en vaststelling vakantieverdeling in kort geding

Partijen zijn gescheiden en hebben een ouderschapsplan waarin de zorgregeling voor hun drie minderjarige kinderen is vastgelegd. De vader vordert nakoming van de zorgregeling en een dwangsom voor de moeder wegens niet-naleving, alsmede een vakantieverdeling voor de kinderen.

De moeder voert aan dat de kinderen niet altijd naar de vader willen en dat de woonsituatie van de vader niet optimaal is, met name voor een zorgkind met autisme. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vader inmiddels een geschikte woning heeft en dat er geen zwaarwegende redenen zijn om de zorgregeling niet na te komen. Het belang van continuïteit en structuur voor de kinderen weegt zwaar.

De rechtbank veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorgregeling voor de twee kinderen, wijst de dwangsom af vanwege het mediationtraject, en stelt de vakantieverdeling voor de zomervakantie vast. Voor overige vakanties is geen spoedeisend belang aangetoond. Partijen worden verwezen naar mediation om communicatieproblemen op te lossen.

Uitkomst: De moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling en de zomervakantie wordt vastgesteld, met verwijzing naar mediation en afwijzing van de dwangsom.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703415 / KG ZA 26-394
Vonnis in kort geding van 19 mei 2026
in de zaak van
[de vader]te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. M.A. Spek te Rijswijk,
tegen:
[de moeder]te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M.W. Kuiper te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door gedaagde overgelegde producties;
- de op 6 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2008 tot [datum 2] 2024.
2.2
Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats].
2.3.
Aan de echtscheidingsbeschikking van 23 juli 2024 is een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan gehecht, waarin partijen zijn overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de moeder en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ieder weekend van vrijdag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur bij de vader verblijven. Voor [minderjarige 1] gold een afwijkende 50/50 zorgregeling. [minderjarige 1] heeft sinds enige tijd haar hoofdverblijf bij de vader en heeft op onregelmatige basis contact met de moeder.

3Het geschil

3.1
De vader vordert – zakelijk weergegeven – de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling en informatieregeling zoals die voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is vastgelegd in het ouderschapsplan dat is gehecht aan de beschikking van 23 juli 2024. Daarnaast vordert de vader te bepalen dat de moeder een dwangsom van € 250,- verbeurt voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 15.000,- Verder vordert de vader voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de volgende verdeling van de vakanties vast te stellen:
- Meivakantie en kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de moeder, tweede week bij de vader en in de oneven jaren andersom;
- Zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder, de tweede drie weken bij de vader en in de oneven jaren andersom;
- Herfst- en voorjaarsvakantie: bij de moeder van zaterdagavond 19.00 uur tot woensdag 12.00 uur, bij de vader van woensdag 12.00 uur tot zaterdag 19.00 uur.
3.2
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader vindt dat de zorgregeling zoals in het ouderschapsplan is vastgesteld, moet worden nagekomen. Dit is de afgelopen tijd niet goed verlopen. Na de echtscheiding beschikte de vader niet direct over een woning met voldoende slaapkamers, waar hij met alle kinderen zou kunnen verblijven. Sinds augustus 2025 beschikt hij over een zelfstandige woning met drie slaapkamers, op korte afstand van de woning van de moeder. Volgens de vader zijn de kinderen blij en enthousiast als ze bij hem zijn, ook om in zijn nieuwe woning te verblijven en te overnachten. De moeder moet de zorgregeling dus gewoon nakomen en de kinderen stimuleren om contact met de vader te hebben. Er zijn volgens de vader geen redenen om de zorgregeling niet na te komen. De afgelopen tijd zijn de kinderen een aantal keer niet conform de zorgregeling naar de vader toegekomen. De moeder werkt niet volledig mee aan de zorgregeling. Daarom acht de vader een dwangsom aangewezen.
3.3
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen zich aan het in de beschikking opgenomen ouderschapsplan moeten houden, tenzij nadien opgekomen omstandigheden met zich brengen dat nakoming niet langer in het belang van de kinderen moet worden geacht. De moeder stelt dat zij de zorgregeling wel wil nakomen, maar dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geregeld aangeven niet naar de vader te willen en bij haar te willen blijven. Het lukt haar naar haar zeggen niet de kinderen naar de vader te krijgen conform de zorgregeling, omdat zij zelf niet willen. Deze mening moet volgens de moeder gerespecteerd worden. Daarnaast is de moeder van mening dat de woonsituatie van de vader nog steeds niet optimaal is, omdat [minderjarige 2] bij de vader op een slaapbank moet overnachten. [minderjarige 2] is een zorgkind met een taalontwikkelingsstoornis en kenmerken van autisme. Het zorgt voor [minderjarige 2] voor te veel onrust om bij de vader conform de zorgregeling te overnachten, aldus de moeder.
4.2
De voorzieningenrechter volgt het verweer van de moeder niet en is van oordeel dat er geen zwaarwegende redenen zijn om de zorgregeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3], zoals in het ouderschapsplan is vastgelegd, niet na te komen. De vader heeft inmiddels een geschikte woonruimte voor de kinderen om te verblijven en te overnachten. Bovendien is het van belang dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdens de weekenden dan ook samen zijn met hun zus [minderjarige 1], die nu bij de vader woont. Het enkele feit dat de kinderen soms te kennen geven dat zij liever bij de moeder willen blijven en niet naar de vader willen gaan, acht de voorzieningenrechter onvoldoende. Niet is gebleken dat sprake is van ernstige bezwaren aan de zijde van de kinderen, die nopen tot een aanpassing van de zorgregeling. Het is naar oordeel van de voorzieningenrechter juist in het belang van de kinderen dat er weer continuïteit komt in het weekendcontact met de vader, nu hij passende woonruimte heeft weten te vinden waar de kinderen ook kunnen blijven slapen. Dat geldt te meer voor [minderjarige 2], die met zijn problematiek gebaat is bij een vaste structuur en voorspelbaarheid. Het enkele feit dat [minderjarige 2] kennelijk bij de vader op een slaapbank slaapt maakt het oordeel niet anders. Zo lang hij voldoende nachtrust krijgt is dat geen bezwaar.
4.3
Het is voor een goed verloop van de zorgregeling essentieel dat de ouders ieder voor zich naar de kinderen uitdragen dat zij zorgafspraken hebben gemaakt waar zij beiden achter staan en die ook door hen zullen worden uitgevoerd. Indien zich problemen voordoen met de uitvoering van de zorgregeling is het aan de ouders om (zo nodig met hulpverlening) die problemen samen aan te pakken. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een ouder de zorgregeling eenzijdig wijzigt. De zorgregeling die partijen onderling zijn overeengekomen is leidend, totdat partijen in onderling overleg anders overeenkomen of de rechtbank meer of anders beslist. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vader tot nakoming van de zorgregeling daarom toewijzen.
4.4
Zoals gezegd dienen partijen eventuele problemen die zij ervaren bij de uitvoering van de vastgelegde zorgregeling onderling te bespreken en op te lossen. Het is de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt. Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven bereid te zijn om de uitvoeringsproblemen van de zorgregeling bij een mediator te bespreken. De voorzieningenrechter heeft partijen daarom naar een mediator doorverwezen. Het is aan partijen om in samenwerking met de mediator duurzame afspraken te maken over de uitvoering van de zorgregeling. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit partijen zal lukken, omdat er geen sprake is van bezwaar tegen contact met de andere ouder, maar dat het gaat om problemen met de uitvoering van de contactregeling.
4.5
De vordering van de vader tot nakoming van de informatieregeling zal worden afgewezen bij gebrek aan belang. Daargelaten dat hij de kinderen iedere week ziet en dus zelf kennis kan nemen van hun dagelijkse wel en wee is niet onderbouwd dat de moeder op dit punt in gebreke blijft.
4.6
De gevorderde dwangsom op nakoming zal de voorzieningenrechter eveneens afwijzen. In het licht van het mediationtraject dat partijen aangaan, acht de voorzieningenrechter een dwangsom niet aangewezen. Dit laat onverlet dat het uitgangspunt is dat de zorgregeling vanaf heden correct moet worden nagekomen.
4.7
De vader heeft daarnaast gevorderd een vakantieregeling vast te stellen. De moeder heeft met de vordering van de vader omtrent de zomervakantie ingestemd. De kinderen zullen dus in de zomervakantie in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder verblijven en de tweede drie weken bij de vader. In de oneven jaren zal dit andersom zijn. De voorzieningenrechter zal de afspraak over 2026 in het dictum opnemen, nu daarbij een spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen over de mei-, herfst-, kerst-, en voorjaarsvakantie af vanwege het gebrek aan spoedeisend belang. Partijen kunnen daarover in de mediation desgewenst nadere afspraken proberen te maken.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1
veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorgregeling zoals is vastgelegd in de beschikking van 23 juli 2024, inhoudende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader zullen zijn ieder weekend van vrijdag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de vader de kinderen uit school zal halen en op zondag weer terug naar de moeder brengt;
5.2
bepaalt dat de kinderen de komende zomervakantie de eerste drie weken bij de moeder zullen verblijven en de tweede drie weken bij de vader;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
LEM