ECLI:NL:RBDHA:2026:16511

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33817
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 4:6 AwbArt. 30c VwArt. 8 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) af te wijzen. Hij vordert dat de rechtsgevolgen van dit besluit worden geschorst en dat hij tijdens de bezwaarprocedure rechtmatig verblijf houdt met behoud van de aan de RTB verbonden rechten en voorzieningen.

De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van een spoedeisend belang en of het beroep redelijke kans van slagen heeft. Verzoeker stelt dat hij zonder tijdelijke bescherming niet langer rechtmatig verblijf heeft en Nederland onmiddellijk moet verlaten, wat zijn gezinsleven met zijn Oekraïense partner zou schaden.

De minister voert aan dat verzoeker zich kan melden bij het COA in Ter Apel en recht heeft op opvang gedurende de behandeling van zijn lopende asielaanvraag, zodat hij niet zonder opvang komt te zitten. Ook is er geen sprake van een dreigende uitzetting.

De voorzieningenrechter volgt de minister en oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt. Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, zodat de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33817

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij vraagt de voorzieningenrechter te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit tot weigering van tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn 2001/55/EG, hierna: RTB) worden geschorst totdat op het bezwaar is beslist. Ook vraagt verzoeker de voorzieningenrechter te bepalen
dat hij tijdens de bezwaarprocedure rechtmatig verblijf houdt en de behandeling van het bezwaar in Nederland mag afwachten, met behoud van de aan de RTB verbonden rechten en voorzieningen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. De minister heeft bij besluit van 30 augustus 2023 beslist dat het recht op tijdelijke bescherming van verzoeker eindigt op 4 september 2023. Op diezelfde datum is ook de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet (Vw).
2.1.
Verzoeker heeft vervolgens op 25 februari 2026 nogmaals om bescherming op grond van de RTB gevraagd. Bij beschikking van 28 april 2026 is vervolgens de aanvraag
van verzoeker afgewezen.
2.2.
Verzoeker heeft vervolgens een opvolgende aanvraag ingediend. Bij besluit van 16 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister deze op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden
2.3.
Verzoeker heeft op 17 juni 2026 bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt in een voorlopige voorzieningsprocedure hangende beroep of sprake is van een spoedeisend belang en of het beroep van verzoeker redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft daarbij een voorlopig oordeel over de zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet te volgen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1
Volgens verzoeker is er een spoedeisend belang. Verzoeker stelt dat hij niet langer rechtmatig verblijf heeft en Nederland onmiddellijk moet verlaten. Het gezinsleven met zijn Oekraïense partner wordt dan doorbroken. Volgens eiser zijn de gevolgen van een gedwongen vertrek onmiddellijk en moeilijk herstelbaar.
4.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Daartoe voert hij aan dat in het bestreden besluit van 16 juni 2026 is vermeld dat verzoeker zich kan melden bij het COA in Ter Apel en gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag recht heeft op opvang. Dat de gemeentelijke opvang voor verzoeker eindigt, betekent volgens de minister daarom niet dat verzoeker zonder opvang komt te zitten. Daarnaast volgt uit het bestreden besluit niet dat verzoeker Nederland dient te verlaten en van een dreigende uitzetting is daarom geen sprake.
4.3.
De voorzieningenrechter volgt de minister hierin. Weliswaar eindigen de aan de RTB verbonden rechten en voorzieningen, waaronder de gemeentelijke opvang van verzoeker, maar uit het bestreden besluit volgt dat eiser zich kan melden bij het COA in Ter Apel en gedurende de behandeling van zijn lopende asielaanvraag recht heeft op opvang. Niet is gebleken dat verzoeker zonder opvang komt te zitten. Evenmin volgt uit het bestreden besluit dat verzoeker Nederland dient te verlaten of dat sprake is van een dreigende uitzetting. Eiser mag in Nederland verblijven tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw. Gelet hierop ontbreekt een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Evidente onrechtmatigheid
5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarvan is sprake als zonder nader onderzoek naar de relevante feiten en het toepasselijke recht ernstig moet worden betwijfeld of het door de minister ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure stand zal houden.
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat niet al zonder nader onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden ernstig worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het primaire besluit van 16 juni 2026. Van evidente onrechtmatigheid is daarom geen sprake.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra – Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.