Eiseres, van Sierra Leoonse nationaliteit en behorend tot de Kono bevolkingsgroep, verzocht asiel vanwege gedwongen inwijding als Sowei binnen een Bondo-gemeenschap en de daaruit voortvloeiende vrees voor vervolging en moord. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, met name omdat de verklaringen van eiseres niet samenhangend en onvoldoende onderbouwd waren.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van de gedwongen inwijding en de vrees voor vervolging in twijfel trok. Eiseres kon haar bezwaren tegen het worden van Sowei niet concreet en consistent onderbouwen, vertoonde tegenstrijdigheden in haar verklaringen over haar vrees en vlucht, en kon onvoldoende details geven over haar vlucht en de man die haar hielp. Ook de discrepanties met het TOELT-rapport en het AVIM-gehoor werden door de rechtbank als niet doorslaggevend beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en dat er geen aannemelijk risico op ernstige schade bij terugkeer naar Sierra Leone bestaat. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bevestigd.