Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (het college),
Inleiding
15 augustus 2024. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
3. Bij primair besluit van 15 augustus 2024 heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat zij met haar (ex-) partner een gezamenlijke huishouding voert. Eiseres en haar (ex-)partner hebben dezelfde woning als hoofdverblijf, en zij hebben samen meerdere kinderen. Eiseres en haar (ex-)partner hebben volgens het college voldoende middelen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.
4. Bij het bestreden besluit van 2 december 2024 heeft het college het door eiseres ingediende bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het college heeft dit besluit doen steunen op de overweging dat eiseres en haar (ex-)partner een gezamenlijke huishouding voeren. Zij zijn nog met elkaar gehuwd en hebben samen vier kinderen. Daarom is alleen van belang of zij hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Eiseres heeft niet betwist dat daarvan sprake is. Gelet op dit onweerlegbare rechtsvermoeden is er geen aanleiding om eiseres als zelfstandig subject van bijstand aan te merken. De omstandigheid dat eiseres feitelijk gescheiden woont en haar eigen boodschappen doet, maakt dit volgens het college niet anders.
6. Deze beroepsgronden vormen (vrijwel) letterlijk een herhaling van wat door eiseres in bezwaar is aangevoerd. Het college is in het bestreden besluit op de bezwaargronden ingegaan en heeft aan de hand daarvan het primaire besluit heroverwogen.
Eiseres heeft in beroep verzuimd om aan te geven waarom de beoordeling door het college onjuist is. Kort samengevat heeft het college (nogmaals) aangegeven dat eiseres en haar (ex) partner, met hun kinderen, nog steeds hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en dat zij reeds daarom een gezamenlijke huishouding voeren. De omstandigheid dat de relatie is verbroken, zoals eiseres stelt, maakt voor de beoordeling van het recht op bijstand geen verschil. Gelet hierop slaagt het beroep niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.