ECLI:NL:RBDHA:2026:16473

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/09/706451 / KG ZA 26-597
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:10 SvArt. 6:2:12 SvArt. 6:1:1 SvArt. 6:1:2 SvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot staking tenuitvoerlegging gevangenisstraf ondanks fout bij voorwaardelijke invrijheidstelling

De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding waarin eiser vorderde dat de Staat de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf zou staken en uitvoering zou geven aan een onterecht vroeg verleende voorwaardelijke invrijheidstelling. Eiser was veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor medeplegen van strafbare feiten en werd ruim een jaar te vroeg voorwaardelijk in vrijheid gesteld door een fout van het CJIB.

Eiser stelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door niet de formele procedure voor herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te volgen en door onjuiste informatie te verstrekken, en dat hij gerechtvaardigd op die datum mocht vertrouwen. De Staat voerde aan dat de executieplicht uit de wet volgt en dat de strafrechter exclusief bevoegd is om vrijheidsstraffen te wijzigen.

De rechtbank oordeelde dat eiser het resterende deel van zijn straf moet uitzitten omdat de executieplicht geldt en geen uitzonderingen zich voordoen. Het vertrouwensbeginsel kan niet leiden tot een afwijking van de wettelijke executieplicht. Bovendien had eiser moeten inzien dat hij nog een aanzienlijk deel van zijn straf moest uitzitten en had hij moeten informeren. De fout van de Staat leidt niet tot onrechtmatig handelen dat een voorziening rechtvaardigt.

De vordering tot staking van de tenuitvoerlegging werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukte dat alleen de strafrechter bevoegd is om vrijheidsstraffen te wijzigen en dat de Staat gehouden is de straf uit te voeren zoals wettelijk bepaald.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot staking van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf af en bevestigt dat eiser het resterende deel van zijn straf moet uitzitten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706451 / KG ZA 26-597
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser,
advocaten mr. J.A.M. Sampers en mr. R.A.J. van der Leeuw, beiden te Roermond,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid)te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 5 juni 2026, met producties 1 tot en met 6.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 11 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van beide partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is bij vonnis van 17 januari 2023 door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, voor (samengevat) medeplegen van (opzettelijk) handelen in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie (hierna ‘het strafvonnis’). Deze veroordeling is op 6 september 2023 onherroepelijk geworden.
2.2.
Op 18 januari 2023 is [eiser] gevangengenomen in verband met de in het strafvonnis aan hem opgelegde veroordeling. Daarbij heeft [eiser] eerst in voorarrest gezeten; nadat de veroordeling onherroepelijk was geworden is de tenuitvoerlegging van het strafvonnis aangevangen.
2.3.
Op 20 april 2026 heeft de afdeling Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling van het Openbaar Ministerie met betrekking tot [eiser] een ‘Beslissing voorwaardelijke invrijheidstelling’ genomen. Die beslissing luidt voor zover hier van belang als volgt:
2.4.
In de beslissing voorwaardelijke invrijheidstelling is onder meer toegelicht dat [eiser] eerder niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.), maar dat hem op basis van nieuwe informatie van het Openbaar Ministerie, waaruit blijkt dat [eiser] met ingang van 12 mei 2026 terecht kan bij [instelling] (een instelling voor begeleid wonen), wel v.i. wordt verleend. Verder zijn aan de v.i. van [eiser] bijzondere voorwaarden verbonden, die (samengevat) inhouden dat [eiser] zich moet melden bij de reclassering, dat hij bepaalde verdovende middelen niet mag gebruiken, dat hij zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Mondriaan GGZ (of een soortgelijke zorgverlener), dat hij gedurende proeftijd in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang moet verblijven en dat hij meewerkt aan onderzoeken om zijn middelengebruik te controleren en beheersen.
2.5.
In een e-mailbericht van 15 mei 2026 heeft de zaakregisseur bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), Directie Executie, hierna ‘de zaakregisseur’, aan mr. F.A.G.M. Landerloo (de strafrechtadvocaat van [eiser], hierna ‘mr. Landerloo’) meegedeeld dat het CJIB een fout heeft gemaakt bij de berekening van de datum waarop [eiser] voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Daarbij is toegelicht dat de tijd die [eiser] in voorarrest heeft gezeten abusievelijk twee keer in mindering is gebracht. In het e-mailbericht is voor zover hier van belang het volgende vermeld:
De zaakregisseur heeft [eiser] vervolgens in de gelegenheid gesteld om een afspraak te maken over een gepast moment om te starten met de voortzetting van de detentie, uiterlijk binnen twee weken na de datum van het bericht.
2.6.
Mr. Landerloo heeft in een e-mailbericht van 16 mei 2026 aan de zaakregisseur laten weten dat bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de datum van zijn v.i. 12 mei 2026 is en dat hij daarom overweegt om een kort geding aanhangig te maken. Subsidiair heeft mr. Landerloo namens [eiser] voorgesteld dat [eiser] het strafrestant op een beperkt beveiligde afdeling mag ondergaan.
2.7.
Op 29 mei 2026 hebben de advocaten van [eiser] de conceptdagvaarding voor deze kortgedingprocedure aan de zaakregisseur gestuurd. In een begeleidend e-mailbericht hebben zij de zaakregisseur gevraagd per ommegaande te reageren als de conceptdagvaarding aanleiding geeft voor een minnelijke regeling.
2.8.
De zaakregisseur heeft [eiser] opgeroepen zich op 24 juni 2026 te melden bij de penitentiaire inrichting van zijn voorkeur en hem meegedeeld dat hij daarbij niet eerst in het arrestantenregime hoeft te verblijven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert
primairde Staat te veroordelen om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en de Staat te gebieden om uitvoering te geven aan het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling, op straffe van een dwangsom, en
subsidiairde Staat te veroordelen om tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] te staken en gestaakt te houden, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Omdat niet het Openbaar Ministerie, maar de zaakregisseur het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] heeft herroepen, is van een formeel besluit tot herroeping geen sprake. Daarom is er geen grond om [eiser] opnieuw gevangen te nemen. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan verder in materiële zin alleen worden herroepen als de veroordeelde zich niet aan de algemene of bijzondere voorwaarden heeft gehouden, maar daarvan is in de situatie van [eiser] geen sprake. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld ten opzichte van [eiser] door niet de formele route voor herroeping van het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling te volgen en door onjuiste informatie over de v.i.-datum aan [eiser] te verstrekken. [eiser] mocht vertrouwen op de mededelingen van de Staat over zijn v.i. en het moet voor risico van de Staat komen dat er fouten zijn gemaakt bij de berekening van de v.i.-datum.
3.3.
De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
In artikel 6:2:10, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend
‘aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf voor meer dan twee jaren wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan, met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, niet langer kan zijn dan twee jaren.’. Vast staat dat [eiser] op grond van die bepaling pas op 13 juli 2027 in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling. In plaats daarvan is hij ruim een jaar eerder, op 12 mei 2026, voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of [eiser] het resterende deel van de aan hem opgelegde gevangenisstraf alsnog moet uitzitten totdat hem (op het regelmatige moment) v.i. wordt verleend. De voorzieningenrechter oordeelt dat dat zo is.
4.3.
De Staat is op grond van het bepaalde in artikel 6:1:1 en Pro artikel 6:1:2 Sv Pro verplicht om een onherroepelijke veroordelende beslissing van de strafrechter (zo snel mogelijk) ten uitvoer te leggen. Gelet op deze executieplicht, staat het de Staat (het OM) niet vrij wijzigingen aanbrengen in door de strafrechter genomen beslissingen of af te zien van (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van die beslissingen op andere gronden dan expliciet in de wet voorzien. Denk bij dat laatste met name aan het vervallen van de executieplicht op de voet van een wettelijk voorschrift (bijvoorbeeld executieverjaring), een positief gratiebesluit of aan een door de strafrechter genomen beslissing die op zodanige wijze tot stand zijn gekomen dat niet meer gesproken kan worden van een eerlijke behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
4.4.
Geen van deze in 4.3. genoemde uitzonderingsgevallen doet zich hier voor. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij op 12 mei 2026 voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld. De Staat heeft er terecht op gewezen dat het vertrouwensbeginsel geen grond oplevert om een uitzondering te maken op de executieplicht.
[eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de mededelingen van de Staat over zijn v.i.-datum. [eiser] is immers veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en gelet op artikel 6:2:10, eerste lid, aanhef en onder b, Sv had het voor hem (of zijn advocaten) duidelijk moeten zijn dat hij daarvan in ieder geval 5 jaar zou moeten uitzitten. Vast staat dat hij van die 5 jaar nog 427 dagen, dus bijna een kwart, niet heeft uitgezeten. Gelet op dit forse aantal dagen dat [eiser] nog in detentie te gaan had bij hem toch de vraag moeten rijzen of er niet sprake was van een vergissing en had hij daar toch ten minste naar moeten informeren. Dat heeft hij niet gedaan.
4.5.
Bovendien zou een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de gegeven omstandigheden in strijd zijn met het wettelijke uitgangspunt van artikel 6:2:10, eerste lid, aanhef en onder b, Sv dat van door de strafrechter opgelegde vrijheidsstraffen in ieder geval een bepaald gedeelte wordt uitgezeten. [eiser] heeft in dit verband nog naar voren gebracht dat aan zijn invrijheidstelling bijzondere voorwaarden zijn verbonden, zodat hij nog altijd een straf ondergaat, waarmee het vergeldingaspect van opgelegde gevangenisstraffen en de maatschappelijke veiligheid gewaarborgd blijven. Dit betoog kan niet worden gevolgd. Door [eiser] toe te staan om, onder voorwaarden, in vrijheid te verkeren, terwijl hij daar op grond van de wet nog geen recht op heeft, zou de Staat een wijziging aanbrengen in de aan [eiser] door de rechter onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf, waarbij de strafrechter ervan uit is gegaan dat [eiser] eerst detentie zou ondergaan en dat hij pas na verloop van de daarvoor geldende wettelijke termijn in aanmerking zou kunnen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Daartoe is uitsluitend de strafrechter, en niet de Staat, bevoegd.
4.6.
Hoewel de Staat een fout heeft gemaakt door [eiser] veel te vroeg voorwaardelijk in vrijheid te stellen (de Staat heeft dat overigens ook volmondig erkend), heeft [eiser] gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de Staat ten opzichte van hem ook onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken over de v.i.-datum van [eiser]. Zelfs al zou dan anders zijn geweest, dan geldt dat dat onrechtmatig handelen niet één van de door [eiser] gevorderde voorzieningen zou rechtvaardigen.
4.7.
[eiser] heeft nog gesteld dat de Staat heeft nagelaten om de juiste procedure voor het herroepen van voorwaardelijke invrijheidstelling te volgen. Volgens [eiser] moet het Openbaar Ministerie daarover beslissen op grond van artikel 6:2:12, eerste lid, Sv, en niet de zaakregisseur. Anders dan [eiser] meent doet die bepaling niet af aan de vaststelling dat [eiser] op grond van de wet (artikel 6:2:10, eerste lid, aanhef en onder b, Sv) nog niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, zodat de Staat verplicht is om de openstaande gevangenisstraf van [eiser] ten uitvoer te leggen. Waar voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van 20 april 2026 geen wettelijke grondslag bestond is ‘herroeping’ van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet aan de orde. Van onrechtmatig handelen door de Staat is in dit opzicht (dat wil zeggen: het nalaten te herroepen via de aangewezen weg) dus geen sprake.
4.8.
Het voorgaande betekent dat het gevorderde wordt afgewezen.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
€ 189,00
(plus de in de beslissing vermelde verhoging)
Totaal
2.101,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de zijde vang de Staat zijn begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
mvt