ECLI:NL:RBDHA:2026:16469
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.L.M. Steinebach - de Wit
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond in een besluit van 27 augustus 2025. Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Op 9 april 2026 vond de zitting plaats waarbij verzoeker, zijn gemachtigde, de gemachtigde van de minister en een tolk aanwezig waren. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat nu de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep, een voorlopige voorziening niet langer nodig is en wijst het verzoek daarom af.
Desondanks bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoeker recht heeft op een vergoeding van zijn proceskosten, die de minister moet betalen. De vergoeding is vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de beroepsmatige bijstand van een derde.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.L.M. Steinebach - de Wit en griffier A. Kanis, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.