ECLI:NL:RBDHA:2026:16461

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23864
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Duitsland

Eiser, een Algerijnse asielzoeker, diende een beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit was gebaseerd op de Dublinverordening, waarbij Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege structurele tekortkomingen in de Duitse opvang en medische zorg, en dat hij vreest voor zijn veiligheid door familieproblemen. Hij verwees naar het AIDA-rapport 2024 en stelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij toch naar Duitsland zou worden teruggestuurd.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het AIDA-rapport bood geen nieuwe inzichten en eiser had onvoldoende bewijs voor het ontbreken van medische zorg. Ook was niet gebleken dat hij geen hulp kan zoeken bij Duitse autoriteiten.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het besluit van de minister in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23864

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Sahin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 27 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland. Op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening [3] heeft Nederland aan Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Op 9 april 2026 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er is namelijk in Duitsland sprake van structurele en systematische tekortkomingen in de opvang van asielzoekers. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het AIDA-rapport over 2024. [4] Daarnaast stelt eiser dat hij in Duitsland feitelijk geen toegang heeft gekregen tot medische zorg voor zijn tandklachten, ondanks zijn verzoeken om hulp. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom toch kan worden uitgegaan van adequate toegang tot medische zorg. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de problemen met zijn familieleden niet tot een ander oordeel leiden. Eiser heeft verklaard dat familieleden hem actief hebben opgespoord bij de opvanglocatie in Duitsland en dat hij vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer. Hij stelt daarom geen hulp bij de autoriteiten te hebben gezocht uit angst door zijn familie te worden getraceerd. Volgens eiser heeft verweerder deze omstandigheden onvoldoende betrokken bij de beoordeling, waardoor het besluit onvoldoende is gemotiveerd en terugkeer naar Duitsland in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [5] wegens het risico op een onmenselijke behandeling.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn Unierechtelijke en internationale verplichtingen nakomt. Dat is bevestigd in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [6] Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij of zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [7] Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo. [8]
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Daarbij stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser als Dublinterugkeerder geen toegang krijgt tot de asielprocedure, de opvangvoorzieningen of medische zorg. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport bevat geen wezenlijk andere informatie dan volgt dan uit de eerdere AIDA-rapporten die reeds door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn beoordeeld, zodat dat rapport geen aanleiding geeft voor een ander oordeel over de situatie in Duitsland. Eiser heeft verder niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland geen toegang tot medische zorg zal krijgen. De enkele verklaring van eiser dat hij geen behandeling voor tandklachten kreeg, is daarvoor onvoldoende. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Verweerder mag er dus op vertrouwen dat eiser in Duitsland, als hij daar recht op heeft, toegang tot de noodzakelijke medische zorg krijgt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat Duitsland gebonden is aan de Europese asielrichtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn. Indien eiser meent dat Duitsland tekortschiet in de toegang tot medische zorg, heeft verweerder terecht overwogen dat het op de weg van eiser ligt om zich daarover in Duitsland te beklagen. Niet gebleken is dat dit onmogelijk is, of dat hij eerder heeft geprobeerd om te klagen.
6. Wat betreft de gestelde problemen die eiser ervaart met zijn familie heeft eiser niet onderbouwd waarom hij in Duitsland niet terecht kan bij de Duitse (hogere) autoriteiten voor hulp. Niet gebleken is dat die hem niet zouden willen helpen of dat hulp vragen bij voorbaat onmogelijk of zinloos is.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.AIDA Country Report Germany: Update 2024.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Zie onder meer de uitspraken van 25 januari 2024 ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024 ECLI:NL:RVS:2024:1902 en 14 februari 2025 ECLI:NL:RVS:2025:588.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.