Eiser heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij zijn zoon, de referent, te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser de familierechtelijke relatie niet aannemelijk maakte; het overgelegde geboorteboekje bleek vals te zijn. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de aanvraag als nareisaanvraag behandeld had moeten worden en dat de minister ten onrechte geen nader onderzoek, zoals DNA-onderzoek, heeft laten uitvoeren.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de aanvraag niet als nareisaanvraag heeft beoordeeld, omdat de referent geen zelfstandige asielvergunning heeft. Daarnaast is het geboorteboekje door een deskundige als vals aangemerkt, en de verklaringen van eiser over het verkrijgen ervan waren tegenstrijdig. Hierdoor was er een contra-indicatie om voordeel van de twijfel te geven en nader onderzoek te verrichten.
De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag niet ten onrechte heeft afgewezen. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt op 8 juni 2026.