Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16455

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.18248
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag wegens niet aannemelijk gemaakte familierechtelijke relatie met referent

Eiser heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij zijn zoon, de referent, te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser de familierechtelijke relatie niet aannemelijk maakte; het overgelegde geboorteboekje bleek vals te zijn. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de aanvraag als nareisaanvraag behandeld had moeten worden en dat de minister ten onrechte geen nader onderzoek, zoals DNA-onderzoek, heeft laten uitvoeren.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de aanvraag niet als nareisaanvraag heeft beoordeeld, omdat de referent geen zelfstandige asielvergunning heeft. Daarnaast is het geboorteboekje door een deskundige als vals aangemerkt, en de verklaringen van eiser over het verkrijgen ervan waren tegenstrijdig. Hierdoor was er een contra-indicatie om voordeel van de twijfel te geven en nader onderzoek te verrichten.

De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag niet ten onrechte heeft afgewezen. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt op 8 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens het niet aannemelijk maken van de familierechtelijke relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18248

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag niet ten onrechte heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn zoon, referent. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 februari 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing.
2.1.
Met het besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met het primaire besluit van 9 februari 2024 heeft de minister eisers aanvraag voor een mvv met als doel 'verblijf als familie- of gezinslid van [referent] ' afgewezen. De minister legt hieraan ten grondslag dat eiser de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat het geboorteboekje, dat ter onderbouwing van de relatie is overgelegd, door Bureau Documenten vals is bevonden en daarom geen bewijswaarde heeft. Eiser krijgt daarom ook niet het voordeel van de twijfel om met een DNA-onderzoek alsnog de familierechtelijke relatie aannemelijk te maken. Volledigheidshalve heeft de minister wel getoetst of er sprake is van familieleven tussen eiser en referent. De minister stelt zich op het standpunt dat dit het geval is, maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiser valt. Het belang van de Nederlandse staat weegt zwaarder dan eisers persoonlijke belang.
4. Met het bestreden besluit heeft de minister eisers bezwaar tegen de afwijzing kennelijk ongegrond verklaard. De minister stelt zich allereerst op het standpunt dat terecht is getoetst aan het recht op gezinshereniging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in plaats van het toetsingskader van nareis. Referent heeft namelijk geen zelfstandige asielvergunning, maar een afgeleide vergunning op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden voor nareis. Daarnaast handhaaft de minister dat eiser de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat het geboorteboekje vals is bevonden. Eisers verklaringen over hoe hij aan het geboorteboekje is gekomen stroken niet met de inhoud van het Algemeen ambtsbericht Iran 2022. Eiser krijgt daarom geen voordeel van de twijfel en er wordt niet overgegaan tot nader onderzoek. Volledigheidshalve heeft de minister de in het primaire besluit gemaakt integrale beoordeling heroverwogen. De minister heeft in dat kader betrokken het overleggen van het valse geboorteboekje een contra-indicatie is en dat de verklaringen van eiser over de aanleiding voor het aanvragen van het nieuwe geboorteboekje van elkaar afwijken.
Heeft de minister de aanvraag als nareisaanvraag moeten beoordelen?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn mvv-aanvraag ten onrechte niet heeft behandeld als een nareisaanvraag. Ter zitting heeft zijn gemachtigde toegelicht dat referent in januari 2019 als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) een asielaanvraag heeft gedaan. De minister heeft niet op deze aanvraag beslist, maar aan eiser een afgeleide verblijfsvergunning toegekend. Volgens eiser heeft de minister zijn mvv-aanvraag voor verblijf bij referent vanwege de door referent gedane aanvraag moeten behandelen als nareisaanvraag.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers mvv-aanvraag niet hoeven te behandelen als nareisaanvraag. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een nareis situatie met referent. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat referent een (zelfstandige) asielvergunning heeft op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw. Dat referent in het verleden zelf een asielaanvraag heeft ingediend, maakt nog niet dat is voldaan aan de voorwaarden voor nareis. Bovendien zijn er geen rechtsmiddelen aangewend tegen de toekenning van de afgeleide vergunning aan referent. De rechtbank merkt verder op dat referent, ondanks zijn minderjarige leeftijd ten tijde van de aanvraag, niet aan te merken is als AMV, omdat hij met zijn moeder woont en zijn verblijfsvergunning van haar vergunning is afgeleid. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte gesteld dat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk is gemaakt?
6. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat de minister de ten onrechte heeft gesteld dat de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk is gemaakt. Volgens eiser heeft de minister in dat kader onvoldoende gemotiveerd waarom het vals bevonden document voldoende is om te concluderen dat er geen nader onderzoek, zoals DNA-onderzoek, wordt verricht. Daarnaast stelt eiser dat de minister bij het besluit om geen nader onderzoek aan te bieden onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind, referent. Ook heeft de minister, volgens eiser, onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de identiteit van hem en referent wel zijn vastgesteld.
6.1.
Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245, en 31 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:969, en de uitwerking van deze uitspraken in Werkinstructie 2022/7 volgt dat per individueel geval moet worden onderzocht of de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen de referent en het gezinslid in grote lijnen als aannemelijk kan worden beschouwd. Bij deze integrale beoordeling betrekt de minister ook expliciet of de vreemdeling het voordeel van de twijfel krijgt. De minister betrekt onder andere:
  • de hoeveelheid en bewijswaarde van de overgelegde documenten en de inspanning die de referent en/of het gezinslid heeft geleverd om de aanvraag te onderbouwen;
  • de aannemelijkheid en de samenhang van de verklaringen van de referent en/of het gezinslid voor het ontbreken van relevante documenten;
  • de leeftijd en het geslacht van de referent en de betrokkenen;
  • de omstandigheden waarin de referent en het gezinslid verkeren;
  • de omstandigheden en de administratieve praktijk in het land van herkomst;
  • eventuele contra-indicaties.
De minister hoeft geen voordeel van de twijfel te geven (en dus nader onderzoek aan te bieden), als sprake is van contra-indicaties. Daar kan onder meer sprake zijn als de referent of zijn gezinslid:
  • tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over (het ontbreken van) documenten;
  • valse of vervalste documenten heeft overgelegd; of
  • er anderszins onjuiste of misleidende informatie is verstrekt.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser niet ten onrechte geen voordeel van de twijfel gegeven en dus geen nader onderzoek hoeven aanbieden. De minister heeft een integrale beoordeling gemaakt, waarbij de verklaringen en overgelegde documenten zijn betrokken. Uit het onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat het door eiser overgelegde geboorteboekje met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Eiser heeft over het verkrijgen van het geboorteboekje onder andere verklaard dat de Iraanse autoriteiten de bevolking hebben opgeroepen om een nieuw geboorteboekje aan te vragen en dat hij pas later op advies van de gemeente een nieuw boekje heeft aangevraagd zodat de scheiding van zijn ex-vrouw daar in kon worden opgenomen. Deze verklaring is op zichzelf onvoldoende om af te doen aan het deskundigen advies van Bureau Documenten. Bovendien heeft eiser, zoals de minister niet ten onrechte stelt, wisselend en tegenstrijdig verklaard over de aanleiding voor het aanvragen van het nieuwe geboorteboekje. In de brief van 11 december 2023 is verklaard dat eiser door de Iraanse overheid is opgeroepen om zijn oude geboorteboekje in te leveren. Vervolgens is in de zienswijze van 6 februari 2024 toegelicht dat eiser geen persoonlijke oproep heeft gekregen maar pas later op advies van de gemeente een nieuw geboorteboekje heeft aangevraagd toen hij aangaf dat hij wilde scheiden. Eiser heeft verder ook geen contra-expertise overgelegd, waaruit blijkt dat het onderzoek van Bureau Documenten niet juist is. De minister heeft daarom mogen uit gaan van de conclusies van Bureau Documenten en het geboorteboekje als contra-indicatie voor het geven van voordeel van de twijfel mogen aanmerken. Het belang van het kind en het feit dat de identiteit van eiser en referent wel is vastgesteld maken niet dat de minister in dit geval, ondanks de contra-indicatie, wel voordeel van de twijfel had moeten geven. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft de aanvraag dan ook niet ten onrechte afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.