Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16422

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/09/700201 / HA ZA 26-196
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 Landelijk procesreglementArt. 194 RvAVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake terugvordering geld en overdracht digitale administratie na beëindiging relatie

Partij A vordert betaling van €87.630,70 wegens vermeende onrechtmatige betalingen door partij B, alsmede overdracht van fysieke en digitale administratie, waaronder toegang tot het programma Moneybird, social mediakanalen en de website. De vordering volgt op het beëindigen van een affectieve relatie tussen partij B en een bestuurder van partij A.

Partij B voert verweer dat er geen fysieke administratie bestaat, dat de digitale administratie deels privégegevens bevat en dat de Facebookpagina eigendom is van partij B. Tevens betwist partij B de geldvordering en beroept zich op privacywetgeving (AVG) om toegang te weigeren.

Omdat partij A zich onttrok van rechtsbijstand en geen nieuwe advocaat aanstelde, kon zij geen verdere proceshandelingen verrichten. Hierdoor bleven de verweren van partij B onbeantwoord en werden de vorderingen afgewezen. Partij A wordt veroordeeld in de proceskosten van partij B.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van partij A af en veroordeelt haar in de proceskosten van partij B.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer/rolnummer: C/09/700201 / HA ZA 26-196
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[partij A] B.V., te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: voorheen mr. O.F.J. Moorman van Kappen, thans zonder advocaat,
tegen
[partij B], te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. J.M.C. Billet, te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 februari 2026, met de producties 1 tot en met 11;`
- de akte overlegging producties van [partij A] , met de producties 12 tot en met 21;
- de conclusie van antwoord, voorwaardelijk incidenteel verzoek tot het overleggen van stukken, tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met de producties A tot en met K;
- de akte houdende uitlating conform artikel 7.2 landelijk procesreglement van [partij B]
1.2.
Op de rolzitting van 22 april 2026 heeft mr. Moorman van Kappen zich onttrokken. Er heeft zich geen nieuwe advocaat voor [partij A] gesteld. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[partij B] en de heer [naam] (hierna: [naam] ) houden ieder een belang van 50% in de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). Op haar beurt houdt [bedrijfsnaam 1] de aandelen in twee werkmaatschappijen, te weten [partij A] en de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 2] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam] (hierna: [handelsnaam] ).
2.2.
[bedrijfsnaam 1] is enig bestuurder van [partij A] en [handelsnaam] , terwijl [naam] op zijn beurt enig bestuurder is van [bedrijfsnaam 1] .
2.3.
[partij A] richt zich op het verlenen van preventieve, psychiatrische, psychologische zorg en verblijfszorg voor mensen met een langdurige geestelijke
gezondheidsvraag of een middelenverslaving.
2.4.
[partij B] en [naam] hebben een affectieve relatie gehad, die die in het najaar van 2025 is geëindigd.
2.5.
Tot zekerheid van verhaal van haar geldvordering op [partij B] heeft
[partij A] in januari 2026 conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank N.V. en onder de vennootschap naar Litouws recht Revolut Bank UAB.

3.Het geschil

in de hoofdzaak
3.1.
[partij A] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [partij B] veroordeelt tot betaling van aan Invervention van € 87.630,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling;
II [partij B] veroordeelt tot afgifte aan [partij A] van de volledige fysieke administratie en het wachtwoord van het programma Moneybird;
III [partij B] veroordeelt tot het overdragen van de controle over de facebookpagina van [partij A] , toegang tot de mailbox bij [partij A] van [naam] en de website van [partij A] ;
IV [partij B] veroordeelt tot betaling van een dwangsom € 2.500 voor iedere dag dat [partij B] na vijf dagen na betekening van het vonnis in gebreke zal zijn gebleven aan de veroordelingen onder II en II;
V [partij B] veroordeelt in de proceskosten, inclusief beslagkosten.
3.2.
[partij A] legt aan de vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Na het einde van de affectieve relatie heeft [partij B] de in die woning aanwezige administratie van [partij A] meegenomen. Deze administratie bestaat uit een fysiek deel (vijf à tien ordners met interventiecontracten, ontvangen en verstuurde rekeningen, bankrekening-afschriften, stukken over juridische geschillen e.d.) en uit een digitaal deel (namelijk een boekhouding die “in the cloud” in het programma Moneybird wordt bijgehouden). Toegang tot dit online boekhoudprogramma krijgt men slechts na het invoeren van inloggegevens en een wachtwoord. Alleen [partij B] beschikt over het wachtwoord om deze online administratie te kunnen benaderen. [partij A] heeft er dan ook recht op en belang bij om deze stukken per ommegaande weer in haar bezit terug te krijgen en weer toegang tot het programma Moneybird te krijgen.
[partij B] had niet alleen toegang tot de administratie maar ook tot de bankrekening van [partij A] . [partij B] heeft in de loop van de tijd zonder recht of titel betalingen gedaan voor privéuitgaven met een beloop van € 87.630,70. [partij B] dient dat bedrag terug te betalen.
[partij B] is ook bezig om zonder enig recht of titel de ondernemingsactiviteiten van [partij A] naar zich toe te trekken, zoals blijkt uit het feit dat zij zich de Facebook-pagina van [partij A] heeft toegeëigend en daarbij [naam] de controle over die pagina ontzegt. Daarbij komt dat [partij B] ook diverse andere social mediakanalen en de website zonder recht of titel naar zich toe heeft getrokken.
3.3.
[partij B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . Voor het geval dat de rechtbank de geldvordering van [partij A] niet direct afwijst en oordeelt dat [partij B] op dit punt nader bewijs moet leveren, verzoekt [partij B] op de voet van artikel 194 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) [partij A] te gelasten om volledige en leesbare bewijsstukken, afschriften, facturen, bestellingen, betalingsbewijzen, bankafschriften te overleggen, waaruit zou moeten blijken dat en waarom [partij B]
€ 87.630,70 verschuldigd is.
in het incident
3.4.
[partij B] vordert in het incident om verlof te verlenen om [naam] in vrijwaring op te roepen. Zij voert hiertoe, samengevat, aan dat zij de door [partij A] bedoelde betalingen heeft gedaan op verzoek/instructie van [naam] . Indien en voor zover [partij B] mocht worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [partij A] , bijvoorbeeld omdat [naam] diens bevoegdheid heeft overschreden, dient [naam] [partij B] te vrijwaren ten belope van dat bedrag, te vermeerderen met rente.
3.5.
De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

4.De beoordeling

in de hoofdzaak
4.1.
[partij B] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen, welk verweer als volgt kan worden samengevat: er is geen fysieke administratie van [partij A] , maar slechts digitale informatie die al meerdere malen aan [naam] ter beschikking is gesteld. Er bestaat geen website die toebehoort aan [partij A] . De gehele mailbox is overgedragen aan [naam] . De contracten worden beheerd via de e-mail en ook daar heeft [naam] toegang toe. De facebookpagina is opgericht door [partij B] en is eveneens haar eigendom, zodat [partij A] daaraan geen rechten kan ontlenen. Evenmin bestaat er recht op terugbetaling van de gepretendeerde onterechte onttrekkingen door [partij B] . De geldvordering heeft [partij A] niet gedocumenteerd onderbouwd en wordt betwist.
[partij A] (lees: [naam] ) mag geen digitale toegang krijgen tot het gehele Moneybird-account, welk account eigendom is van [partij B] aangezien hierin tevens privégegevens van [partij B] zijn opgenomen, als ook gegevens van andere aan haar gerelateerde ondernemingen, waaronder begrepen zeer gevoelige medische privacygegevens van veelal zeer bekende Nederlanders. Toegang verlenen aan derden is in strijd met onder andere de AVG en daarom ook niet toegestaan. Dit laat onverlet dat [partij B] [naam] op 10 december 2025 een uitnodiging heeft gestuurd voor de toegang van [partij A] en [bedrijfsnaam 1] . Deze uitnodiging is tot op heden niet geaccepteerd door [naam] .
4.2.
Omdat zich geen nieuwe advocaat voor [partij A] heeft gesteld, en [partij A] slechts door tussenkomst van een advocaat rechtsgeldige proceshandelingen kan verrichten, is geen mondelinge behandeling gehouden en is het partijdebat geëindigd. Omdat hierdoor de stellingen die [partij B] als verweer heeft aangevoerd, onweersproken zijn gebleven, moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van die stellingen. Hierop stranden de vorderingen van [partij A] .
4.3.
Gelet op deze uitkomst, komt de rechtbank niet toe aan het incidentele verzoek van [partij B] op de voet van artikel 194 Rv Pro.
4.4.
[partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [partij B] worden als volgt begroot:
- griffierecht € 93,00
- salaris advocaat € 1.290,00 (1 punt x € 1.290, volgens tarief IV)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld onder de beslissing)
Totaal: € 1.572,00
in het incident
4.5.
Omdat de vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen, heeft [partij B] geen belang bij haar vordering in het incident, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
Omdat [partij A] geen proceskosten heeft gemaakt in het incident, kan een proceskosten-veroordeling achterwege blijven.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten, aan de zijde van [partij B] tot op heden begroot op € 1.572,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij A] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;
in het incident
5.4.
wijst het gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
type: 1554