Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33510
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:54 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling naar Kroatië toegewezen

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen overdracht aan Kroatië op grond van de Dublinverordening. De rechtbank had eerder het beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Verzoeker heeft psychische en lichamelijke klachten en een geplande operatie, waardoor hij spoedeisend belang heeft bij het uitstellen van de overdracht. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn bezwaar aanwezig te zijn zwaarder weegt dan het belang van de minister om de overdracht uit te voeren.

Daarom wordt de overdracht opgeschort totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De overdracht van verzoeker naar Kroatië wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33510

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 juni 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats kennelijk ongegrond verklaard. [1] De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. [2]
Bij kennisgeving van 9 juni 2026 is verzoeker medegedeeld dat hij op 17 juni 2026 zal worden overgedragen aan Kroatië. Verzoeker heeft bezwaar ingediend tegen dat besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Verzoeker vraagt het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen zodat de overdracht naar Kroatië achterwege zal blijven en hij de behandeling van zijn bezwaarschrift in Nederland kan afwachten. Hierbij heeft verzoeker aangevoerd dat hij zowel psychische als lichamelijke klachten heeft en op 18 juni 2026 een operatie ondergaat.
3. Op het door verzoeker ingediende bezwaar is nog niet beslist. Bij kennisgeving van 9 juni 2026 is verzoeker medegedeeld dat hij op 17 juni 2026 om 14:35 uur op grond van de Dublinverordening [3] zal worden overgedragen aan Kroatië. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzet aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen aan Kroatië. De uiterste overdrachtstermijn wordt ten gevolge van deze uitspraak opgeschort.
5. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgelegd op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië zolang niet op het bewaarschrift is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.