Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1], geboren op [geboortedag 1] 1984,
,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eisers, familieleden van een referent met een verblijfsvergunning asiel, vroegen een MVV aan om in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eisers stelden dat de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro onjuist was uitgevoerd.
De rechtbank oordeelde dat er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dat de minister erkende dat het gezinsleven in Syrië niet kan worden uitgeoefend. Echter, de minister heeft niet voldoende gemotiveerd waarom dit geen doorslaggevend gewicht heeft in de belangenafweging. Ook is niet meegewogen dat de referent al 4,5 jaar niet samenwoont met zijn gezinsleden.
De rechtbank stelde vast dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en dat de belangenafweging daardoor niet zorgvuldig is. De minister wordt opgedragen een nieuwe belangenafweging te maken, waarbij ook de nieuwe informatie over het contact via moderne communicatiemiddelen en de arbeidscontracten van de referent betrokken moeten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eisers vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing van de MVV-aanvraag en draagt de minister op een nieuwe belangenafweging te maken binnen zes weken.