Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.21950
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing MVV-aanvraag wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM

Eisers, familieleden van een referent met een verblijfsvergunning asiel, vroegen een MVV aan om in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eisers stelden dat de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro onjuist was uitgevoerd.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dat de minister erkende dat het gezinsleven in Syrië niet kan worden uitgeoefend. Echter, de minister heeft niet voldoende gemotiveerd waarom dit geen doorslaggevend gewicht heeft in de belangenafweging. Ook is niet meegewogen dat de referent al 4,5 jaar niet samenwoont met zijn gezinsleden.

De rechtbank stelde vast dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en dat de belangenafweging daardoor niet zorgvuldig is. De minister wordt opgedragen een nieuwe belangenafweging te maken, waarbij ook de nieuwe informatie over het contact via moderne communicatiemiddelen en de arbeidscontracten van de referent betrokken moeten worden.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eisers vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing van de MVV-aanvraag en draagt de minister op een nieuwe belangenafweging te maken binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.21950
V-nummers: [v-nummer 1], [v-nummer 2] en [v-nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], geboren op [geboortedag 1] 1984,

[eiser 2],geboren op [geboortedag 2] 2006, en
[eiser 3],geboren op [geboortedag 3] 2011
,
allen met onbekende nationaliteit, samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian en mr. H. Palancyan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een mvv [1] . Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eisers hebben op 18 maart 2022 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] ’. Zij beogen verblijf in Nederland bij [referent] (hierna: referent). Eisers zijn de moeder, broer en zus van referent en verblijven in Syrië. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
3 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigden van eisers, M. Driessen-Yousef als tolk Arabisch en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

4. Niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eisers en referent. De minister neemt aan dat referent voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Tussen partijen is de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in geschil. De rechtbank toetst vol of de minister alle relevante feiten en omstandigheden de belangenafweging heeft betrokken. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafweging getuigt van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eisers en referent bij de uitoefening van het gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.
5. De minister heeft zich in het bestreden besluit onder meer op het standpunt gesteld dat er weliswaar een onoverkomelijke belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven in Syrië uit te oefenen, maar dat dit niet leidt tot een verplichting om het familie- en gezinsleven van eisers en referent in Nederland toe te staan, omdat zij het familie- en gezinsleven door middel van moderne communicatiemiddelen kunnen uitoefenen.
6. Eisers betogen dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte in hun nadeel heeft laten uitvallen. Referent heeft een asielstatus. Dit houdt in dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven met zijn moeder, zus en broer in Syrië uit te oefenen. Volgens werkinstructie 2020/16 moet dit zwaar in het voordeel meewegen. De minister erkent deze belemmering, maar legt niet uit waarom dit geen doorslaggevend gewicht heeft. De motivering is op dit punt summier.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat als een onoverkomelijke belemmering bestaat, dat in het voordeel van eisers en referent moet meewegen. De minister heeft in het bestreden besluit een objectieve belemmering aangenomen. Dat betekent dat de minister ervan uitgaat dat het gezinsleven niet in Syrië kan worden uitgeoefend. Van de minister mag dan worden verlangd dat hij verder toelicht waarom dit niet doorslaggevend is. Uit rechtspraak van het EHRM [3] volgt dat in een belangenafweging meer gewicht toekomt aan een onoverkomelijke belemmering om het familie- en gezinsleven in een ander land uit te oefenen naarmate de tijd verstrijkt. [4] De minister heeft in het kader van de objectieve belemmering niet meegewogen dat referent al 4,5 jaar niet meer samenwoont met zijn gezinsleden. Deze omstandigheid is dus niet kenbaar meegewogen in de belangenafweging. Alleen al om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De minister dient dit alsnog in de belangenafweging te betrekken.
8. Op de zitting heeft referent aangegeven dat hij maar één keer per week contact heeft met zijn gezinsleden door middel van moderne communicatiemiddelen omdat zijn gezinsleden beperkt internet hebben. Verder heeft hij aangegeven dat hij een arbeidscontract heeft van 40 uur per week en op zoek is naar nog meer betaald werk om te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezinsleden. Hoewel de minister niet kan worden tegengeworpen dat hij deze informatie had moeten betrekken in de besluitvorming, omdat dit pas in beroep naar voren is gekomen, draagt de rechtbank de minister op om deze omstandigheden te beoordelen en bij de nieuw te maken belangenafweging te betrekken.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 april 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.Zie het arrest van het EHRM van 9 juli 2021, M.A. tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718.