Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30121
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 9 lid 1 OpvangrichtlijnArt. 28 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel grensdetentie en afwijzing schadevergoeding

Eiser is op 2 mei 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van grensbewaking. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 10 juni 2026.

Eiser voerde aan dat de detentie niet langer dan 13 weken mocht duren en dat de maatregel onrechtmatig voortduurt indien deze termijn wordt overschreden. De rechtbank constateerde dat de termijn van 13 weken op 31 juli 2026 verstrijkt en dat er nog ruimte is om het asielberoep tijdig te behandelen, zodat niet duidelijk is dat de termijn wordt overschreden. Dit verweer faalde.

Daarnaast stelde eiser dat een onbeëdigde tolk werd ingezet zonder voldoende motivering. De rechtbank oordeelde dat de inzet van een onbeëdigde tolk gerechtvaardigd was vanwege de spoedeisendheid en het ontbreken van een beëdigde tolk, en dat eiser niet is geschaad.

Ten slotte voerde eiser aan dat de detentie onredelijk bezwarend was vanwege medische klachten. De rechtbank vond dat verweerder de medische situatie voldoende had betrokken en dat er geen aanleiding was de maatregel te wijzigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.30121
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.M. Seth Paul, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.P. Shanthan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
2.1
Eiser voert aan dat hij niet langer dan 13 weken in grensdetentie gehouden mag worden. Volgens eiser kan nu al worden geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig voortduurt als de 13 weken niet gehaald gaan worden.
2.2
In de uitspraak van 1 juli 2025 [1] heeft de Afdeling [2] artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na 13 weken vanaf de oplegging van de maatregel. Eiser voert aan dat het ernaar uitziet dat de vrijheidsontnemende maatregel over die termijn heen gaat. De rechtbank stelt vast dat er nog geen datum voor de behandeling van het asielberoep, ingediend op 24 mei 2026, bekend is. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting gevraagd aan de administratie van deze rechtbank en zittingsplaats of er ruimte is om het beroep in te plannen voor het verstrijken van de 13 weken, welke datum in die zaak op
31 juli 2026 verstrijkt. Geantwoord is dat er nog enkele plekken beschikbaar zijn. De rechtbank heeft dit ook op zitting met partijen besproken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het nu nog niet duidelijk is dat de 13 weken niet gehaald gaan worden. De beroepsgrond slaagt dus niet.
3.1
Verder voert eiser aan dat uit het proces-verbaal van gehoor volgt dat gebruik is gemaakt van een onbeëdigde tolk. Volgens hem had door verweerder uitgelegd moeten worden waarom hiervan gebruik is gemaakt en waarom niet kon worden gewacht op een beëdigde tolk.
3.2
Uit artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) volgt de verplichting om, wanneer het inschakelen van een tolk noodzakelijk is, een beëdigde tolk te gebruiken en als dat vanwege omstandigheden niet kan, de redenen daarvoor op schrift te stellen. In het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel is vermeld dat eiser is gehoord met behulp van een onbeëdigde tolk in de Tamil taal, omdat er ten tijde van het gehoor geen beëdigde tolk beschikbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gemotiveerd waarom van het inzetten van een beëdigde tolk is afgezien. Dat verweerder niet expliciet heeft gemotiveerd waarom sprake was van de volgens artikel 28, vierde lid, van de Wbtv vereiste spoed, maakt dat niet anders. Verweerder moest in deze procedure een besluit nemen over vrijheidsontneming en daaruit volgt al de spoedeisendheid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat hij door de inzet van deze tolk in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert ten slotte aan de detentie onredelijk bezwarend voor hem is. Hij heeft last van zijn hoofd vanwege klappen die hij eerder heeft gekregen en door het piekeren en de stress komt er bloed uit zijn neus. De rechtbank begrijpt dat de detentie eiser zwaar valt, maar de rechtbank oordeelt dat er geen feiten of omstandigheden zijn die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen dan wel de maatregel bij een afweging van belangen op te heffen. Tijdens het gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel is eiser bevraagd over zijn medische situatie. De minister heeft de door eiser genoemde medische omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging betrokken. Verder heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser zich zo nodig kan wenden tot de medische dienst. Eiser heeft ook aangegeven contact te hebben gehad met de medische dienst. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat de medische dienst ontoereikend is. Ook heeft verweerder ter zitting toegezegd contact op te zullen nemen met de regievoerder over eisers medische situatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.