ECLI:NL:RBDHA:2026:16327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/09/690727 / FA RK 25-6505
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:251b BWArt. 1:252 BWArt. 1:253c BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag en ontzegging omgang afgewezen

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over het minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, alsmede de omgang tussen de vader en het kind te ontzeggen. De ouders hebben een complexe en gespannen relatie, waarbij sprake is van huiselijk geweld en langdurig geen contact tussen vader en kind sinds maart 2025.

De rechtbank concludeert dat de omstandigheden sinds het gezamenlijk gezag zijn toegekend aanzienlijk zijn gewijzigd, waardoor het verzoek ontvankelijk is. Gezien de ernstige verstoring van de ouderrelatie en het ontbreken van communicatie, acht de rechtbank gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind en wijst het eenhoofdig gezag toe aan de moeder.

Ten aanzien van de omgang wijst de rechtbank het verzoek tot ontzegging af, omdat het risico op ernstig nadeel voor het kind bij het opstarten van omgang groot is, maar omgang niet definitief uitgesloten mag worden. De rechtbank benadrukt het belang van hulpverlening en monitoring door een jeugdbeschermer om de omgang in de toekomst mogelijk te maken.

De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gedragen en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd in eenhoofdig gezag voor de moeder, terwijl het verzoek tot ontzegging van omgang wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6505
Zaaknummer: C/09/690727
Datum beschikking: 18 mei 2026

Gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 28 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. van der Zalm te 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder;
- het F9-formulier van 15 september 2025 van de zijde van de moeder met bijlage;
- het F9-formulier van 14 april 2026 van de zijde van de moeder met bijlagen.
Op 20 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat, de vader, mevrouw [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) en mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] namens Jeugdbescherming west (JBW).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats].
- [minderjarige] verblijft bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 2 juni 2022 is – voor zover van belang – een voorlopige en opbouwende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld waarbij [zorginstantie] het tempo van de uitbreiding en opbouwregeling met inachtneming van het belang van [minderjarige] diende te bepalen. Iedere verdere beslissing over de omgang, het gezag en de proceskosten is vervolgens pro forma aangehouden.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2023 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de vader gezamenlijk met de moeder het gezag over [minderjarige] uitoefent en is het ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2024 is een opbouwende zorgregeling vastgesteld waarbij er naar toe werd gewerkt dat vanaf de week van 20 mei 2024 als reguliere zou regeling dat [minderjarige] bij de vader verblijft:
 op dinsdag van 15:00 uur uit de opvang tot donderdagochtend naar de opvang;
 in de even weken van vrijdag tot en met zondag, waarbij de moeder op vrijdag [minderjarige] naar de vader brengt tussen 17:00 uur en 20:00 uur en hem op zondag weer bij de vader ophaalt tussen 17:00 uur en 20:00 uur.
- [minderjarige] en de vader hebben elkaar sinds 13 maart 2025 niet meer gezien.
- Bij vonnis van 21 augustus 2025 is door de voorzieningenrechter in kort geding voorlopig het contact tussen de vader en [minderjarige], zoals is bepaald in de beschikking van 9 februari 2024 van deze rechtbank, geschorst en is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank ten behoeve van de door de moeder nog aan te spannen bodemprocedure te rapporteren en advies uit te brengen.
- De Raad heeft onderzoek gedaan en op 20 januari 2026 een rapport uitgebracht.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 februari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming van Haaglanden van 4 februari 2026 tot en met 4 februari 2027.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht:
- het gezamenlijk gezag van partijen te beëindigen en haar alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten;
- de omgang tussen de vader en [minderjarige] te ontzeggen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag
Juridisch kader
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 251b, eerste lid, 252 eerste lid, 253q vijfde lid, of 277, eerste lid, BW beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n, tweede lid, BW is artikel 1:251a, eerste en derde lid, BW van overeenkomstige toepassing.
De rechtbank stelt vast dat de beslissing van deze rechtbank van 24 februari 2023 waarbij het gezamenlijk gezag aan beide ouders is opgedragen, is gebaseerd op artikel 1:253c BW. De mogelijkheid om het op grond van artikel 1:253c BW tot stand gekomen gezamenlijk gezag te beëindigen wordt niet genoemd in artikel 1:253n BW en artikel 1:253n BW is in artikel 1:253c BW evenmin van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit zou tot de conclusie leiden dat er geen wettelijke grondslag is voor het verzoek.
De rechtbank is echter van oordeel dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat de wijzigingsmogelijkheid van artikel 1:253n BW bij gebrek aan een voorziening ook dient te gelden ingeval het gezamenlijk gezag is opgedragen op grond van artikel 1:253c BW. De rechtbank zal artikel 1:253n BW dan ook analoog toepassen.
Ontvankelijkheid
De rechtbank is gebleken dat er sinds 13 maart 2025 geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige], waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en hetgeen besproken is op de zitting blijkt in ieder geval dat sprake is geweest van een spanningsvolle relatie tussen de ouders. Beide partijen hebben daarin een andere beleving.
Volgens de moeder is onder andere sprake geweest van huiselijk geweld van de vader richting haar. Deels in het bijzijn van [minderjarige]. De moeder is angstig voor de vader en draagt een Aware-knop. Volgens de moeder is aan de vader een contact- en straatverbod opgelegd en is er bij de politie een Afspraak Op Locatie (AOL) en een Afspraak Op Persoon (AOP). De moeder heeft naar voren gebracht dat haar draagvlak voor gezamenlijk gezag is komen te vervallen. Er is geen communicatie en dat kan volgens haar ook niet van haar worden verwacht gezien het gedrag van de vader. Er moet rust en stabiliteit komen voor [minderjarige]. Het is belangrijk dat zij als hoofdverzorger van [minderjarige] overeind blijft. Daarom moet volgens de moeder een eind komen aan het gezamenlijk gezag.
De vader ervaart op zijn beurt partnergeweld vanuit de moeder jegens hem. De vader heeft ter zitting aangegeven dat er instanties zijn, waaronder Arose, die een negatieve mening over hem hebben, maar dat hij die zelf nooit heeft gesproken. De vader noemt ook het Kernteam van Veilig Thuis. Deze heeft hij pas gesproken in juli 2025. De vader heeft op zitting bevestigd dat het knettert in het contact tussen de ouders. Hij vindt dit alles geen reden om het gezamenlijk gezag te beëindigen.
De Raad heeft in het raadsrapport van 20 januari 2026 aangegeven dat uit het onderzoek naar voren komt, vanuit informanten, maar ook uit de gesprekken met de vader binnen het raadsonderzoek, dat vader uitspraken doet die door derden, maar ook door de moeder, als onveilig en niet wenselijk worden gezien. Zo geeft de vader zowel in gesprekken bij de Raad als bij de casusregisseur vanuit het Zorg en Veiligheidshuis aan dat hij niet weet hoe hij zal reageren en wat hij zal doen wanneer de Raad adviseert tot geen contact tussen [minderjarige] en de vader en de rechtbank dit zou bekrachtigen. De twee opties die de vader uitgesproken heeft, zijn beide drastisch.
De Raad heeft geen advies gegeven over het gezag; het onderzoek richtte zich alleen op de zorgregeling. Echter in het rapport zijn wel bevindingen neergelegd van de feitelijke omstandigheden op dit moment. Onder meer blijkt daaruit – zoals hierna zal blijken bij de beoordeling van de omgangsregeling – dat er sprake is van een zeer complexe ouderrelatie en dat [minderjarige] daarvan veel angst en spanning ervaart. Hoewel het onderzoek zich niet richtte op de gezagskwestie, acht de rechtbank de feitelijke omstandigheden wel mede van belang bij de beoordeling van het gezag.
Het is de rechtbank op grond van de stukken, waaronder dus ook het raadsrapport, als ook op grond van wat ter zitting naar voren is gekomen, duidelijk geworden dat de verstandhouding tussen de ouders duurzaam en ernstig verstoord is. Ouders kunnen niet met elkaar overleggen en gezagsbeslissingen nemen. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De rechtbank acht een risico aanwezig dat [minderjarige] verloren raakt tussen de ouders als het gezamenlijk gezag in stand blijft. De rechtbank verwacht gelet op het patroon dat uit de stukken zichtbaar is geworden in de dynamiek tussen de ouders niet dat deze situatie op korte termijn zal verbeteren. De moeder is zeer angstig voor de vader en geeft aan overbelast te zijn. Dat heeft zijn weerslag op [minderjarige]. Naar het oordeel van de rechtbank is deze situatie niet in het belang van [minderjarige]. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en haar belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de moeder de vader blijft informeren over [minderjarige]. Hij heeft dat recht. Mogelijk ligt hierin een rol voor de jeugdbeschermer, als deze is gevonden.
Omgang
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377a BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van het derde lid van dit artikel ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft aangegeven dat contact tussen de vader en [minderjarige] feitelijk niet mogelijk is vanwege het contactverbod. De moeder is van mening dat er binnen de ondertoezichtstelling eerst individuele hulpverlening voor alle partijen moet worden opgestart. De vader, de moeder en [minderjarige] moeten rust krijgen om aan zichzelf te kunnen werken zonder dat er druk is dat er omgang moet plaatsvinden. Dat kan, volgens de moeder, pas weer worden bekeken als er een beeld is van hoe [minderjarige] zich daarbij voelt en ook hoe de vader de hulpverlening aanpakt. Er is werk voor alle partijen. De moeder heeft ook angst dat de vader [minderjarige] mogelijk zonder haar toestemming meeneemt naar het buitenland als de omgang wordt ontzegd. De vader heeft bij de Raad aangegeven naar het buitenland te zullen vertrekken dan wel geneigd te zijn de ‘de aanval aan te gaan’, zich ook niet aan de uitspraak te houden en [minderjarige] mee te nemen als hij [minderjarige] niet mag zien. Bovendien heeft de vader [minderjarige] al twee keer eerder meegenomen.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij een vader wil zijn voor [minderjarige] en hij het in zijn belang acht dat [minderjarige] ook kennis kan maken met zijn halfbroertje. De vader heeft aangegeven dat hij dacht dat er al rust en stabiliteit was tussen partijen nu zij eerder afspraken hadden gemaakt over de omgang waarbij ze elkaar niet hoefden te zien zodat de situatie veilig is. Samen gaat het namelijk mis. De vader heeft naar voren gebracht dat hij geen aanleiding ziet voor begeleide omgang, maar het wellicht wel fijn is voor [minderjarige] als er iemand mee kijkt. De vader geeft aan dat [minderjarige] en hij elkaar lange tijd niet gezien hebben en dat hij niet weet hoe [minderjarige] op hem reageert. Als er iemand mee kijkt, kan [minderjarige] ook ruimte krijgen als hij zich niet comfortabel voelt. De vader heeft naar voren gebracht dat er geen risico bestaat dat hij [minderjarige] mee naar het buitenland zal nemen. Het halfbroertje van [minderjarige] woont hier en [minderjarige] moet hier gewoon zijn school afmaken. De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij eigenlijk vindt dat eerdere uitspraken uitgevoerd hadden moeten worden door de moeder en hoopt dat er nu een uitspraak komt waaraan de moeder zich zal houden. De vader vindt eigenlijk dat er een dwangsom moet komen, zodat de moeder de eerder bepaalde omgangsregeling nakomt. Er moet gewoon omgang zijn, aldus de vader.
In het rapport van de Raad is te lezen dat de Raad een omgangsregeling op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] vindt. De Raad acht contactherstel tussen [minderjarige] en de vader op dit moment niet haalbaar. Uit het onderzoek is volgens de Raad naar voren gekomen dat [minderjarige] op dit moment nog te veel angst en spanning ervaart vanuit de complexe ouderrelatie. De Raad acht hulpverlening voor [minderjarige], maar ook voor beide ouders, noodzakelijk om de hinder die hij ervaart van de complexe ouderrelatie te doen wegnemen en mogelijk ruimte bij hem te kunnen creëren tot contactherstel met de vader. Op welke termijn dit aan de orde gaat zijn, is volgens de Raad niet vast te stellen. De Raad is van mening dat het tempo door de hulpverlening van [minderjarige] dient te worden bepaald en dat hier monitoring voor nodig is vanuit een regiehouder. Hierbij doelt de Raad op een jeugdbeschermer binnen de ondertoezichtstelling. Op dit moment is er nog geen jeugdbeschermer.
De rechtbank overweegt als volgt. In algemene zin is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij met allebei zijn ouders contact kan hebben. De rechtbank is echter gelet op de bevindingen van de Raad van oordeel dat het risico te groot is dat bij het (weer) opstarten van omgang op dit moment, dit ernstig nadeel op zou leveren voor de ontwikkeling van [minderjarige], zoals door de Raad omschreven. Gelet op het advies van de Raad ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de omgangsregeling, zoals bepaald door deze rechtbank bij beschikking van 9 februari 2024, niet langer dient te gelden. De rechtbank gaat ervan uit dat het opstarten en inzetten van de nodige hulpverlening voor de vader, de moeder en [minderjarige] nodig zijn, voordat omgang weer kan worden gestart. De dynamiek tussen ouders moet zodanig zijn dat er geen te groot risico op escalaties meer is en dat het draagvlak van de moeder voor contact (weer) van een voldoende niveau is. Het uitgangspunt is wel dat zodra er positieve stappen worden gezet er door de betrokken jeugdbeschermer moet worden bekeken of contact tussen de vader en [minderjarige] weer mogelijk is. De rechtbank geeft daarbij aan vader in overweging om het advies op te volgen om hulpverlening te zoeken bij De Waag of een gelijkwaardige partij. Een communicatietraining vanuit het werk van de vader is niet gelijk te stellen aan een emotieregulatietraining bij De Waag. Voor de moeder geldt dat zij, zoals de Raad heeft aangegeven, inzichtelijk dient te krijgen in welke mate haar angst en haar ervaringen met de vader impact hebben op de wijze waarop zij met [minderjarige] over de vader spreekt en hiermee, mogelijk onbedoeld, een beeld van de vader vormt voor [minderjarige]. [minderjarige] moet de mogelijkheid krijgen om zich een eigen beeld te vormen van zijn vader. De rechtbank acht het daarbij van belang dat de moeder het advies van De Raad volgt en zoveel mogelijk neutraal over de vader praat tegen [minderjarige].
Zoals hiervoor al overwogen, acht de rechtbank het wenselijk dat de jeugdbeschermer gaat onderzoeken welke ruimte en mogelijkheden er zijn om met of na hulpverlening in het belang van [minderjarige], juist binnen de ondertoezichtstelling, weer contact met vader op te starten. Bij een ontzegging van de omgang kan de jeugdbeschermer mogelijk geen stappen zetten. De rechtbank zal daarom de vader de omgang niet ontzeggen, zoals door de moeder verzocht. Dit verzoek wordt dus afgewezen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat - met wijziging in zoverre van de beschikking van 24 februari 2023 van deze rechtbank - voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1996 in [geboorteplaats], het gezag zal toekomen over het minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats];
bepaalt - met wijziging in zoverre van de beschikking van 9 februari 2024 van deze rechtbank - dat de zorgregeling die tussen [minderjarige] en de vader is vastgesteld niet meer geldt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, tevens kinderrechter, bijgestaan door S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2026.