ECLI:NL:RBDHA:2026:16300

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
09-088493-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige diefstallen en oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere diefstallen gepleegd in 2024 en 2025, waaronder diefstal uit woningen, diefstal van een fiets, een auto en een geldbedrag met gebruik van een valse sleutel. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard op basis van onder meer camerabeelden, getuigenverklaringen en verhoren.

De verdachte heeft een strafblad met herhaalde veroordelingen voor soortgelijke vermogensdelicten en vertoont een hoog recidiverisico. De reclassering rapporteerde over problematiek op het gebied van verslaving, psychische aandoeningen (schizofrenie) en financiën, en adviseerde de oplegging van een ISD-maatregel.

De rechtbank acht de ISD-maatregel passend en noodzakelijk vanwege de ernst van de feiten, het recidiverisico en het belang van de samenleving. De maatregel wordt onvoorwaardelijk opgelegd voor de maximale duur van twee jaar. Tevens wordt een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor meerdere diefstallen en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/088493-26, 09/385604-24 (ttz. gev), 09/150351-26 (ttz. gev) en 09/078167-24 (tul)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Kooijmans en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. G.E.M. Later naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).
Dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026101176, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 59).
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
1.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 24 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 42-49);
2.
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , opgemaakt op 24 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 8-11).
Dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025208789, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 52).
Feit 1
1.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 39-40):
Op 20 juni 2025 kwamen wij ter plaatse. De meldster, genaamd [aangeefster] , woonachtig te 's-Gravenhage, verklaarde mij het volgende:
"In de avond van 19 juni 2025 stond mijn fiets in de achtertuin. Op 20 juni 2025 bekeek ik de beelden van afgelopen nacht. Ik zag op de beelden dat rond 05:00 uur, op dezelfde dag, een man door de tuin liep. Ik zag dat hij na enkele minuten de fiets pakte en met de fiets aan de hand de tuin verliet."
Ik vroeg [aangeefster] om de beelden te laten zien. Ze toonde mij op haar mobiele telefoon
de beelden, waarop ik een man zag met het volgende signalement:
- man;
- tussen de 180 en 190 cm lang;
- normaal postuur;
- donker getint;
- tussen de 45 en 55 jaar;
- zwarte jas;
- geel petje.
Ik vroeg de vrouw hoe zij bij [hulpverleningsinstantie] uitkwam in de zoektocht naar de fiets. Zij
verklaarde mij hierover het volgende:
“Toen ik rond keek, zag ik de desbetreffende fiets staan, op ongeveer vijftig meter van de voordeur van [hulpverleningsinstantie] .”
Toen wij bezig waren met de afhandeling zagen we een man, die voldeed aan het
bovenstaande signalement, naar buiten lopen. Vervolgens ging hij snel weer naar
binnen en verdween hij uit ons zicht. Ik vroeg de medewerkster van [hulpverleningsinstantie] of ze wilde
vragen of de man even met ons wilde komen praten. Hij kwam naar beneden. Ik herkende
de man van de beelden die [aangeefster] mij had laten zien.
Ik vroeg de man om zijn identiteitsbewijs. Ik hoorde hem zeggen dat hij die was
kwijtgeraakt. Ik vroeg hem naar zijn naam en geboortedatum. Ik hoorde hem zeggen dat
hij [verdachte] heet en geboren is op [geboortedatum] 1976. Ik zocht in de
politiesystemen op zijn naam. Ik zag dat de SKDB-foto overeenkwam met de man die voor
me stond.
Merk: Altec
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 30-31)
Ik zag dat de camerabeelden van de ring videodeurbel op 20 juni 2025 waren opgenomen. Ik herkende de man als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] .
Ik zag dat de man met beide handen het stuur vasthield van de zwarte omafiets en naar achteren liep waardoor de fiets naar achteren meerolde. Ik zag dat de tuindeur helemaal wijd openging en dat de man met de fiets uit het beeld verdween.
Feit 2 en 3
1.
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , opgemaakt op 13 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 8-9):
Op 12 mei 2025 heeft mijn man de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd te Den Haag. Hierbij heeft hij het voertuig op slot gedaan.
Op die zelfde dag omstreeks 21:30 uur zag ik dat het voertuig nog voor mijn woning stond.
Op 13 mei 2025 liep ik naar de begane grond. Ik zag direct dat het licht in de woonkamer aan stond. Ik keek uit het raam en zag dat de auto niet meer op de oprit stond. Ik ben direct gaan zoeken naar de autosleutel maar die vond ik niet. Aan de autosleutel zat een kleine portemonnee en de huissleutels. In die portemonnee zat een ING bankpas. Ik heb mijn man wakker gemaakt en hij keek op zijn online bankierenapp. Hij zag dat er op dinsdag 13
mei om 03:39 bij de Esso Valkenbos precies 50 euro was gepind.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 23-24):
Op 12 juni 2025 heb ik camerabeelden bekeken welke zijn opgenomen met het video-bewakingssysteem van Esso, gevestigd aan Valkenboslaan 333 in Den Haag. De camerabeelden laten beelden zien in de nacht van 13 mei 2025.
Ik zag dat er een rode personenauto het terrein van Esso opreed.
Ik zag dat de man twee oranje pinpassen, vermoedelijk ING-bankpassen, uit een portemonneetje haalde die hij in zijn handen vasthield. Ik zag dat de man om 03:39 uur bankpas 1 kort tegen het scherm van het pinapparaat hield. Ik zag dat de medewerkster het briefje van 50 euro op de schuiflade legde en de lade vervolgens weer dicht deed.
Ik zag dat het kenteken van het voertuig [kenteken] betrof.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 14):
Ik zag dat de foto een schermopname betrof van het tankstation Esso aan de Valkenboslaan te Den Haag.
Gezien het feit ik reeds vier jaren werkzaam ben aan basisteam Beresteinlaan, alwaar
de eerste anderhalf jaar als Operationeel Expert-Wijkzorg van de wijken; Bouwlust &
Vrederust, heb veel kennis van de wijken en diens bewoners c.q. "bezoekers".
Ik keek dan ook naar de, mij toegekomen, foto (1) en herkende de man direct.
Ik herkende hem omdat hij "bewoner" is van een hulpverleningsinstantie, genaamd;
[hulpverleningsinstantie] , gevestigd aan de [adres 2] .
Ik herkende de man direct, voor 100%, bij het zien als;
- - [verdachte] - -
Dagvaarding III
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024272857, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 45).
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
1.
Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 4 november 2024, voor zover inhoudende (p. 30-34);
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 september 2024, voor zover inhoudende (p. 24);
3.
Het proces-verbaal van aangifte, door [aangever 3] opgemaakt op 25 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 7-10).
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I, dagvaarding II feit 1, 2 (primair) en 3 en dagvaarding III ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding Ihij op 24 maart 2026 te 's-Gravenhage, in een woning, gelegen aan het [adres 3] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere goederen (waaronder een laptop, laptoptas, portemonnee, een sleutelbos, een auto (Fiat Panda)) die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding II1
hij op
20juni 2025 te 's-Gravenhage een fiets (merk Altec)
diegeheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 13 mei 2025 te 's-Gravenhage een personenauto (gekentekend [kenteken] )
diegeheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op 13 mei 2025 te 's-Gravenhage een geldbedrag (te weten 50 euro) dat geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door zonder toestemming (contactloos) te pinnen met de pinpas van die [aangever 2] ;
Dagvaarding IIIhij op 25 augustus 2024 te 's-Gravenhage, in een woning, de [adres 4] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meer telefoons en een JBL speaker en een kentekenbewijs en een portomonnee (met inhoud) die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van een maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de duur van twee jaar wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de verdachte, bij gebrek aan betere alternatieven, een ISD-maatregel op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen, namelijk twee diefstallen uit woningen, een diefstal van een fiets, een diefstal van een auto en een diefstal van geld met een valse sleutel. Diefstal is een hinderlijk feit waarvan burgers en de maatschappij financiële schade en overlast ondervinden. Met het plegen van deze feiten heeft de verdachte geen blijk gegeven van respect voor de persoonlijke levenssfeer en de eigendomsrechten van anderen en kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Bovendien werkt het handelen van de verdachte gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving in de hand, zeker in de gevallen waar de verdachte in de woningen van de slachtoffers is geweest.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 mei 2026. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk is veroordeeld voor soortgelijke (vermogens)delicten, waaronder verschillende keren in de afgelopen vijf jaar. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen, onder meer tot gevangenisstraffen, de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 mei 2026. De reclassering heeft de leefgebieden financiën, psychosociaal functioneren en houding aangemerkt als delictgerelateerde factoren. Er is een benedengemiddelde intelligentie en psychopathologie (schizofrenie) vastgesteld. Daarnaast is er langdurig sprake van middelengebruik, hetgeen volgens de reclassering een luxerend effect heeft op de psychopathologie van de verdachte. Verder stelt de reclassering dat sprake is van een hoog recidiverisico.
Voldaan aan ‘harde criteria’
De feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij deze feiten pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de reclassering over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Dat advies van 15 mei 2026 is opgemaakt en ondertekend door V. Martens en M. de Boer. De reclassering adviseert om aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen.
Uit het rapport volgt dat het plegen van strafbare feiten door de verdachte te maken heeft met problemen op het gebied van verslaving, psychische gesteldheid en financiën. Tevens is door de reclassering in het rapport toegelicht dat de verdachte in de afgelopen jaren voldoende interventies aangeboden heeft gekregen, maar dat deze interventies onvoldoende tot gedragsverandering hebben geleid, mede door het grensoverschrijdende gedrag van de verdachte.
Conclusie
Dit alles bij elkaar genomen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de problematiek van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen.
Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De vordering tenuitvoerlegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering tenuitvoerlegging ter zitting gewijzigd, in die zin dat wordt gevorderd dat de bij parketnummer 09/078167-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 31 mei 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van een maand gevangenisstraf, niet ten uitvoer wordt gelegd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de bij parketnummer 09/078167-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 31 mei 2024 opgelegde gevangenisstraf, conform de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, afwijzen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
38m, 38n, 57, 63, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaarding I, dagvaarding II feit 1, 2 (primair) en 3 en dagvaarding III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
dagvaarding II
feit 1:
diefstal;
feit 2, primair:
diefstal;
feit 3:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
dagvaarding III
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
2 (TWEE) JAREN;
vordering tenuitvoerlegging
wijst af de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 31 mei 2024, gewezen onder parketnummer 09/078167-24 te weten een gevangenisstraf van een maand.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Anemaet, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
09/088493-26 (dagvaarding I)hij op of omstreeks 24 maart 2026 te 's-Gravenhage, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan het [adres 3] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meerdere goederen (waaronder een laptop, laptoptas, portemonnee, een sleutelbos, een auto (Fiat Panda)), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09/150351-26 (dagvaarding II)1
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te 's-Gravenhage een fiets (merk Altec), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 13 mei 2025 te 's-Gravenhage een personenauto (gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 mei 2025 te 's-Gravenhage, een personenauto (gekentekend [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
3
hij op of omstreeks 13 mei 2025 te 's-Gravenhage een geldbedrag (te weten 50 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door zonder toestemming (contactloos) te pinnen met de pinpas van die [aangever 2] ;
09/385604-24 (dagvaarding III)hij op of omstreeks 25 augustus 2024 te 's-Gravenhage, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, de [adres 4] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meer telefoon(s) en/of een JBL speaker en/of een kentekenbewijs en/of een portomonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.