ECLI:NL:RBDHA:2026:16299
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na drugsvangst en overschrijding redelijke termijn
De rechtbank Den Haag behandelde een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van een strafbaar feit onder de Opiumwet. Het openbaar ministerie vorderde aanvankelijk €105.733,62, later bijgesteld naar €28.626, gebaseerd op een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de productie van amfetamine.
De verdediging voerde een ontvankelijkheidsverweer en betwistte de hoogte van het voordeel, maar de rechtbank verwierp het ontvankelijkheidsverweer en oordeelde dat het voordeel niet reeds ontnomen was in een andere procedure. De rechtbank baseerde zich op een rapport waarin het voordeel werd berekend aan de hand van aangetroffen afvalstoffen en de groothandelsprijs van amfetamineolie.
De rechtbank ging akkoord met de tweede berekeningsmethode, ondanks bezwaren van de verdediging over de herkomst van het afval en de kostenberekening. De totale opbrengst werd geschat op €192.050, met kosten van €48.936,60, wat resulteerde in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €143.113,40. Dit voordeel werd pondspondsgewijs toegerekend aan vijf verdachten, waardoor het bedrag voor de veroordeelde €28.622,68 bedroeg.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar, matigde de rechtbank de betalingsverplichting met €5.000, waardoor de veroordeelde een bedrag van €23.622,68 aan de staat moet betalen. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 236 dagen.
Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €28.622,68 en legt een betalingsverplichting van €23.622,68 op wegens overschrijding van de redelijke termijn.