ECLI:NL:RBDHA:2026:16299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
09-767628-19
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na drugsvangst en overschrijding redelijke termijn

De rechtbank Den Haag behandelde een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van een strafbaar feit onder de Opiumwet. Het openbaar ministerie vorderde aanvankelijk €105.733,62, later bijgesteld naar €28.626, gebaseerd op een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de productie van amfetamine.

De verdediging voerde een ontvankelijkheidsverweer en betwistte de hoogte van het voordeel, maar de rechtbank verwierp het ontvankelijkheidsverweer en oordeelde dat het voordeel niet reeds ontnomen was in een andere procedure. De rechtbank baseerde zich op een rapport waarin het voordeel werd berekend aan de hand van aangetroffen afvalstoffen en de groothandelsprijs van amfetamineolie.

De rechtbank ging akkoord met de tweede berekeningsmethode, ondanks bezwaren van de verdediging over de herkomst van het afval en de kostenberekening. De totale opbrengst werd geschat op €192.050, met kosten van €48.936,60, wat resulteerde in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €143.113,40. Dit voordeel werd pondspondsgewijs toegerekend aan vijf verdachten, waardoor het bedrag voor de veroordeelde €28.622,68 bedroeg.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar, matigde de rechtbank de betalingsverplichting met €5.000, waardoor de veroordeelde een bedrag van €23.622,68 aan de staat moet betalen. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 236 dagen.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €28.622,68 en legt een betalingsverplichting van €23.622,68 op wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/767628-19 (ontneming)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde 1],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 mei 2021, 5 maart 2024 (beide regie) en 3 juni 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 105.733,62 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag. Deze vordering is op de zitting van 5 maart 2024 bijgesteld naar een bedrag van 28.626 euro.

3.De ontvankelijkheid

Door de verdediging is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden in de ontnemingsvordering, omdat het berekende genoten voordeel al bij [veroordeelde 2] zou zijn ontnomen in een andere ontnemingsprocedure. Datzelfde voordeel bij de veroordeelde ontnemen, zou betekenen dat de ontnemingsmaatregel onterecht een punitief, bestraffend karakter krijgt.
De rechtbank verwerpt het verweer. In het dossier bevindt zich een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 november 2023, die ziet op het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde [veroordeelde 2] . [1] Uit de inhoud van deze uitspraak leidt de rechtbank af dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde 2] is gebaseerd op de financiële opbrengst van de verkoop van andere verdovende middelen dan waar het in deze ontnemingsprocedure om gaat. Er is dus in onderhavige ontnemingszaak geen sprake van een vordering die ziet op het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel dat reeds is ontnomen van [veroordeelde 2] .

3.De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is op 23 februari 2023 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens onder meer het volgende strafbare feit:
- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
Bij de regiezitting van 5 maart 2024 is de vordering gewijzigd, in die zin dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 28.626. Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het onderzoek Cicade wordt niet meer bij het bedrag betrokken.
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel in het onderzoek Dali’, opgemaakt op 6 april 2021. In dit rapport zijn twee berekenmethoden gehanteerd waarvan het openbaar ministerie de methode heeft gebruikt waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het aangetroffen afval. Het wederrechtelijk verkregen vermogen zou € 143.113,40 zijn. Vervolgens is uitgegaan van vijf verdachten, waaruit volgens het openbaar ministerie kan worden afgeleid dat de veroordeelde 20% van het totale voordeel heeft genoten. Dit komt volgens de officier van justitie neer op een bedrag van € 28.626.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 3 juni 2026 bij deze vordering gepersisteerd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, althans het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op nihil. Verder heeft de verdediging verzocht de berekening te hanteren die resulteert in een lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 3 februari 2023 gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag:
Bewezen is verklaard dat de veroordeelde:
in de periode van 21 december 2019 tot en met 14 april 2020, te Beusichem, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(-olie), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 6 april 2021 is opgemaakt (p. 22-25):
5.2.2.1. Berekenmethode 2: Aantreffen hoeveelheden afval
Op deze locatie werd afval gerelateerd aan de vervaardiging van BMK (omzettingsafval) en amfetamine aangetroffen. Dit afval werd op de volgende wijze aangetroffen:
• 2x een witte emmer van 30 liter met daarin elk +/-10 liter basische afval
• 1x IBC van 1000 liter Gevuld met 780 liter basische vloeistof met de geur van amfetamine
• 1x IBC van 1000 liter. Gevuld met 500 liter basische vloeistof met de geur van amfetamine
• Een afgeslepen IBC van 1000 liter Gevuld met 780 liter basische vloeistof met de geur van amfetamine
• Een half afgezaagde IBC van 1000 liter Gevuld met 400 liter neutrale vloeistof, geur amfetamine-achtige stoffen
• 1x IBC van 1000 liter Gevuld met circa 600 liter afi/al, geur amfetamineachtige stoffen
In totaal werd er dus 2950 liter afval aangetroffen dat is vrijgekomen bij de vervaardiging van amfetamine base (olie).
Hoeveelheid verbruikte BMK
Bij de vervaardiging van BMK uit een preprecursor (bijvoorbeeld APMN) met behulp van een sterk zuur (bijvoorbeeld zoutzuur), waarna met behulp van de vervaardigde BMK volgens de Leuckart (loog) methode amfetamine base (olie) wordt vervaardigd, dat er voor 1 liter ruwe BMK ongeveer 8 liter gerelateerd afval (vloeibaar (meng)afval) bij vrijkomt. In totaal werd op deze locatie ongeveer 2950 liter gerelateerd afval (omzettings en afval van de kookstappen van amfetamine) aangetroffen. Hiervoor zou ongeveer 368 liter ruwe BMK zijn verwerkt.
Hoeveelheid geproduceerde amfetamine base (olie)
Van deze 368 liter ruwe BMK kan middels factor 1:0,9, hiervan ongeveer 331 liter amfetamine base (olie) vervaardigd worden. Bij het drugslaboratorium is echter nog 164 liter amfetamine base (olie) aangetroffen Ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden uitgegaan van een opbrengst ten aanzien van (331 liter - 164 liter) 167 liter amfetamine base (olie)
Van 331 liter amfetamine base (olie)kan ongeveer tussen de 595 kilogram en 794 kilogram natte onversneden amfetaminepasta vervaardigd worden.
5.2.2.2 Opbrengst
Uit hetgeen hiervoor werd weergegeven blijkt dat de geproduceerde, niet aangetroffen hoeveelheid amfetamine base (olie) een hoeveelheid is van circa 167 liter
De gemiddelde groothandelsprijs van amfetamineolie af laboratorium was € 1.150,- per liter.
De prijzen zijn afkomstig van de rapportage Prijzen, Drugs & (Pre-)Precursoren, van de politie Deze rapportage is opgesteld door het Team Synthetische Drugs Intel & Expertise, DLR Afdeling Specialistische Ondersteuning op december 2019 en betreft de actueelste versie tijdens het opstellen van deze rapportage.
De opbrengst van 167 liter amfetamine base (olie) is in dat geval 167 liter x € 1.150,- = € 192050,-
5.2.2.3 Kosten
Kosten, die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict en die niet zouden zijn gemaakt als de strafbare feiten niet waren gepleegd, worden meegenomen, voor zover over deze kosten voldoende bekend is geworden en deze in redelijkheid in aftrek van de opbrengsten moeten worden genomen
Productiekosten m.b.t chemicaliën
Bij de berekening van de door de verdachten gemaakte kosten bij de productie van amfetamine base (olie) aan de Voorkoopstraat 5 te Beusichem wordt in de basis uitgegaan van de bedragen genoemd in het "Pv kosten amfetamineproductie 2015" en aangevuld met gegevens zoals hierna benoemd.
In dit proces-verbaal worden de kosten berekend van de benodigde chemicaliën en hardware, uitgaande van of terug gerekend naar 1 liter BMK.
Ad 5:
Prijzen van chemicaliën variëren enorm, er wordt uitgegaan van een gemiddelde legale aankoopprijs. Vaak worden chemicaliën crimineel doorverkocht om gebruikt te worden in illegale laboratoria Uit een aantal onderzoeken en ambtshalve bekend is dat deze prijs dan gemiddeld met de factor 7 verhoogd wordt Dit geldt echter niet voor de precursor BMK en de pre precursor APAAN die komen sowieso uit het illegale circuit Deze prijzen zijn afkomstig uit onderzoeken, criminele boekhoudingen en ambtshalve bekend. De volgende gemiddelde prijzen worden gerekend per hoeveelheid benodigde chemicaliën:
Uit onderzoek blijkt dat in het drugslaboratorium BMK werd vervaardigd uit de pre precursor APAAN. Daarnaast werden enkel stoffen aangetroffen die gebruikt worden bij de productie tot amfetamine base (olie). Er werd namelijk geen methanol en zwavelzuur aangetroffen waarmee amfetamine base (olie) omgezet kan worden naar de vaste stofamfetamine(sulfaat). Derhalve zullen de kosten voor deze stoffen ook niet meegenomen worden in de kosten berekening. De verhoudingen van bovenstaande tabel hebben als uitgangspunt de berekening van 1 liter BMK Ook is door het LFO reeds gesteld dat vanuit 368 liter BMK ongeveer 331 liter amfetamine base (olie) vervaardigd kan worden.
Hierdoor worden de kosten voor de grondstoffen als uitgangspunt gesteld op € 257,60, zie bovenstaande tabel onder "Kosten (€) (uit APAAN)' Echter dient dit bedrag verlaagd te worden door de methanol en zwavelzuur te corrigeren, samen € 10,- Dus € 257,60 - € 10,- = € 247,60 Deze uitkomst dient gebruikt te worden ten aanzien van de 167 liter ontbrekende amfetamine base (olie)
Eerder is al gegeven dat de omzetting van BMK naar amfetamine base (olie) de factor 1:0,9 kent. Dit betekent dat voor de 167 liter amfetamine base (olie) / 0.9 =186 liter BMK nodig is. Dus 186 x € 247,60 = € 46.053,60.
Ad 6:
De prijzen van de hardware variëren tevens afhankelijk van grootte omvang, kwaliteit enzovoort. Uit informatie uit onderzoeken, boekhoudingen en ambtshalve is gebleken dat er kan gerekend worden met de volgende gemiddelde de prijzen:
Hel aantal keren (hel aantal syntheses) dat de hardware gemiddeld gebruikt kan worden is op basis inschatting 20 keer. Dit betekent het bedrag aan hardware van 15 500 euro nodig voor de aanschaf gedeeld wordt door 20. Dit betekent 775,- euro kosten voor hardware per synthese. In het reactievat van gemiddeld 250 liter inhoud wordt gemiddeld 50 liter BMK gebruikt. Dit betekent 775 - euro gedeeld door 50 liter BMK ongeveer 15,5 euro aan kosten voor hardware per liter BMK per synthese.
Daarnaast zijn er ook nog kosten gemaakt voor de hardware van het drugslaboratorium. Door verdachten is niet verklaard over deze kosten. Derhalve worden deze kosten vastgesteld, conform het Pv kosten amfetamineproductie 2015. op € 15,50 per liter BMK. In casus dus 186 x € 15,50 = € 2.883,-.
De totale kosten komen daarmee uit op € 41.349,20 + € 2.588,50 = € 43.937,70.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening:
Opbrengst € 192.050,-
Kosten € 48.936,60
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 143.113,40
De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen, gelet op de tweede berekenmethode. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
De rechtbank overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
Berekeningsmethode
In de rapportages zijn twee berekeningsmethoden gepresenteerd. De eerste methode is gebaseerd op de aangetroffen en verbruikte formamide. De tweede methode is gebaseerd op de aangetroffen hoeveelheid afval. Beide berekenmethoden komen uit op een ander bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens de verdediging is door het openbaar ministerie onvoldoende onderbouwd waarom voor de tweede berekeningsmethode is gekozen, die op een hoger bedrag uitkomt. De rechtbank is van oordeel dat de tweede berekeningsmethode in het rapport wordt gedragen door een zorgvuldige motivering. De rechtbank is van oordeel dat daaruit voldoende blijkt waarom de tweede
berekeningsmethode het meest betrouwbaar is (ten opzichte van de eerste) .
Afkomst afval
De afvalmethode waarbij is aangenomen dat het aangetroffen afval in haar geheel amfetamine gerelateerd is, zou volgens de raadsman niet deugen. De omschrijvingen van het afval zouden te globaal zijn en het afval zou ook afkomstig kunnen zijn van de melkveehouderij. Deze stellingen zijn naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de bewijsmiddelen, onvoldoende concreet gemaakt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om niet uit te gaan van deze methode.
Groothandelsprijs
Door de verdediging is ook betoogd dat gerekend is met een onjuiste groothandelsprijs. De groothandelsprijs in het rapport is gebaseerd op de rapportage Prijzen, Drugs & (Pre-) Precursoren, van de politie. Deze rapportage is opgesteld door het Team Synthetische Drugs Intel & Expertise, DLR Afdeling Specialistische Ondersteuning in december 2019 en betreft de actueelste versie tijdens het opstellen van de rapportage. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen en zal het verweer van de raadsman verwerpen.
Kostenverschil in rapportage
De raadsman heeft betoogd dat de kostenberekening innerlijk tegenstrijdig is en daarom onbetrouwbaar is. De rechtbank constateert met de raadsman dat in het rapport ten aanzien van de kosten verschillende totaalbedragen worden genoemd. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om de kostenberekening in het geheel terzijde te stellen.
Wel zal de rechtbank in het voordeel van de verdachte het hoogste kostentotaal gebruiken in haar berekening.
4.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het totale door de veroordeelde en andere veroordeelden wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 143.113,40.
4.6.
Toerekening van het voordeel
De veroordeelde heeft met anderen van een strafbaar feit geprofiteerd. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De veroordeelde heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel. Ook bieden de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten voor een andere toerekening dan een pondspondsgewijze toerekening van het voordeel aan veroordeelde. Dit zou slechts anders zijn als de veroordeelde aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen, met als uitgangspunt dat er in totaal vijf personen betrokken zijn geweest.
Dat betekent dat het bedrag uitkomt op 20% van € 143.113,40. Dat is € 28.622,68.

5.De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 28.626.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de veroordeelde en overschrijding van de redelijke termijn.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 7 april 2021, de dag waarop de ontnemingsvordering door het openbaar ministerie is gedateerd. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026, ruim vijf jaar na aanvang van de redelijke termijn.
Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en dat deze overschrijding aanvullende matiging van het ontnemingsbedrag tot gevolg moet hebben. De rechtbank zal een bedrag van € 5000,- in mindering brengen.
5.4.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 23.622,68.

6.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 28.622,68;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 23.622,68 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 236 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Parketnummer 05/025651-21 (ontneming).