Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16297

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
09/160102-21 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na vrijspraak betrokkene

De rechtbank Den Haag behandelde op 2 juni 2026 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 75.065,00 van betrokkene. Deze vordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Tijdens de terechtzitting van 12 mei 2026 heeft de officier van justitie haar standpunt toegelicht, terwijl de verdediging betoogde dat de ontnemingsgrondslag ontbreekt vanwege de vrijspraak in de strafzaak waarop de vordering is gebaseerd.

De rechtbank oordeelde dat de vrijspraak van betrokkene betekent dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering wegens vrijspraak van betrokkene.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/160102-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het Openbaar Ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ( [land 1] ),
BRP-adres: [adres] ( [land 2] Duitsland).

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F.A. Kuipers op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de betrokkene en haar raadsman mr. A. Kilinç op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 75.065,00 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het eerste lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag niet kan liggen in het eerste lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, vanwege de bepleite vrijspraak van het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De betrokkene is in de strafzaak vrijgesproken. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal daarom de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

7.De beslissing

De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.C. Kole, voorzitter,
mr. J. Herfkens, rechter,
mr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.