Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
09/065090-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling openlijke geweldpleging bij Oud en Nieuw rellen Delft

Op Oudejaarsavond 2023 vonden hevige wanordelijkheden plaats rondom een flat en een Lidl in Delft, waarbij politieagenten werden belaagd met zwaar vuurwerk en andere voorwerpen. De verdachte gooide vanaf de veertiende verdieping meerdere keren vuurwerk richting de politie en de Lidl. Hoewel de verdachte samen met anderen vuurwerk afstak en gooide, kon de rechtbank onvoldoende bewijs vinden voor opzet of voorwaardelijk opzet om hem te veroordelen voor poging tot zware mishandeling. Daarom sprak de rechtbank hem vrij van dit feit.

De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte wel een wezenlijke bijdrage had geleverd aan de openlijke geweldpleging door in de chaotische situatie vuurwerk af te steken gericht op de politie. Dit werd bewezen verklaard. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis bij niet-naleving. Daarnaast werden de vorderingen van drie benadeelde politieagenten voor immateriële schadevergoeding volledig toegewezen, met hoofdelijke aansprakelijkheid en wettelijke rente.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op de politie en de samenleving, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die zijn verantwoordelijkheid had genomen en excuses had aangeboden. Een gevangenisstraf werd niet passend geacht. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 17 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging zware mishandeling en veroordeeld tot taakstraf en schadevergoeding voor openlijke geweldpleging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/065090-25
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T. Sönmez naar voren is gebracht.
Deze strafzaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 09/098897-25), [medeverdachte 2] (parketnummer 09/098900-25) en [medeverdachte 3] (parketnummer 09/065091-25).

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 juni 2026 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Delft, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] en/of [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] en/of meerdere andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen althans eenmaal
- ( zwaar) vuurwerk en/of andere voorwerpen (vanaf een balkon van een flat) in de richting van genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of richting de Lidl heeft/hebben gegooid terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Delft, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten in de [straatnaam 1] en/of de [straatnaam 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] en/of [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] en/of meerdere andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren, door meerdere malen althans eenmaal
- de confrontatie te zoeken met genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of
- ( zwaar) vuurwerk en/of andere voorwerpen (vanaf een balkon van een flat) in de richting van genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of richting de Lidl te gooien en/of
- te schreeuwen naar en/of schelden op en/of gebaren maken naar genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of
- filmopnames te maken van bovenstaande handelingen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op Oudejaarsavond van 2023 hebben er hevige wanordelijkheden plaatsgevonden rondom de [flat] in Delft. Nadat de deuren van de Lidl in de [straatnaam 1] waren opgeblazen door middel van een brandbom, kwamen agenten ter plaatse om plundering van de winkel te voorkomen. Zij werden vervolgens belaagd door tientallen personen die zich hadden verzameld voor de ingang van de [flat] , veelal donker gekleed en gezichtsbedekking dragend. Er werd met zwaar vuurwerk richting de politie gegooid. De groep kwam meerdere malen oplopen richting de linie agenten, waarbij veel werd geschreeuwd en gescholden met woorden als “kanker joden” en “kanker Hollanders”. Tijdens het oplopen, waarbij de groep tot enkele tientallen meters afstand van de agenten kwam, werd er afgeteld en gefilmd met mobiele telefoons. Vervolgens werd er onder luid gejoel wederom meerdere malen (zwaar) vuurwerk in de richting van de agenten afgeschoten. Het vuurwerk kwam op slechts enkele meters afstand van hen terecht, waarbij meerdere agenten hebben beschreven hoe hard de knallen waren en hoe zeer zij de drukgolven daarvan door hun lichaam voelden gaan. Zij moesten wegduiken of naar achter stappen om niet geraakt te worden. Eén van de agenten kreeg kruit in haar oog, ondanks de beschermende bril die zij droeg. Een andere agent heeft beschreven hoe haar collega haar net op tijd opzij kon trekken, omdat het anders volledig mis was gegaan. Zij zag en voelde de projectielen rakelings langs haar hoofd schieten.
Op enig moment is besloten een charge te laten uitvoeren door politie bikers voor de ingang van de [flat] . Tijdens die charge is een van de bikers ten val gebracht door relschoppers en is er om ‘Assistentie collega’ geroepen, de uiterste noodoproep voor in het nauw gedreven politieagenten. Als reactie daarop is een groot deel van de aanwezige agenten vanaf de linie bij de Lidl naar de ingang van de [flat] gerend om hun collega te ontzetten. Ook op dat moment werden zij van alle kanten (fysiek en verbaal) belaagd en bekogeld met vuurwerk. Er waren meerdere harde knallen te horen, evenals het gesis en gepiep van vuurpijlen. Agenten voelden de hitte en de drukgolven van ontploffende cobra’s en zagen ook vuurwerk vlak naast hen op de grond tot ontploffing komen. Vanaf de galerijen van verschillende verdiepingen van de flat werd eveneens (zwaar) vuurwerk naar beneden gegooid, ook op het moment dat de agenten zich daar beneden bij de flat bevonden. De agenten voelden het gevaar dus niet alleen van voren en opzij komen, maar ook van boven. Zij konden daardoor niet meer alles tegelijkertijd waarnemen en zagen niet al het vuurwerk aankomen dat dichtbij hen tot ontploffing kwam. Dat droeg bij aan gevoelens van angst en machteloosheid.
Meerdere agenten hebben beschreven dat zij zich gedurende hun gehele politiecarrière nog nooit zo onveilig hadden gevoeld en hoeveel indruk deze situatie op hen heeft gemaakt. Ten gevolge van de bovenstaande gebeurtenissen hebben meerdere agenten bovendien zowel fysieke als psychische schade opgelopen. Eén van hen heeft blijvende gehoorschade overgehouden aan de zware knallen. De mobiele eenheid moest uiteindelijk uitrukken om het geweld tegen de politie te stoppen.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman geen (bewijs)verweer gevoerd.
Op specifieke standpunten wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.
3.4.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak van dit feit bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024000011, van de politie eenheid Den Haag, district Westland - Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1063).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 januari 2024 (p. 126-129);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [politieambtenaar 5] , opgemaakt op 3 januari 2024 (p. 467-469);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [politieambtenaar 3] , opgemaakt op 3 januari 2024 (p. 462-464);
5. Het proces-verbaal van aangifte van [politieambtenaar 4] , opgemaakt op 4 januari 2024 (p. 472-474);
6. Het proces-verbaal van bevindingen van verhoor getuige 6028, opgemaakt op 29 januari 2024 (p. 98-100);
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 januari 2024 (p. 102-107);
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 januari 2024 (p. 117-119);
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 januari 2024 (p. 130-134);
10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 januari 2024 (p. 120-122);
11. Het proces-verbaal van herkenning van [medeverdachte 1] , opgemaakt op 28 maart 2024 (p. 900-901);
12. Het geschrift, te weten een Rapportage Camerabeelden (p. 872-899);
13. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 maart 2024 (p. 733-734);
14. Het geschrift, te weten een Rapportage Camerabeelden (p. 640-732);
15. Het proces-verbaal van herkenning van [medeverdachte 3] , opgemaakt op 9 september 2024 (p. 811-812);
16. Het geschrift, te weten een Rapportage Camerabeelden (p. 749-810);
17. Het proces-verbaal van herkenning van [medeverdachte 2] , opgemaakt op 28 maart 2024 (p. 861-862);
18. Het geschrift, te weten een Rapportage Camerabeelden (p. 818-860);
19. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , opgemaakt op 26 mei 2024 (p. 503-508);
20. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] , opgemaakt op 12 september 2024 (p. 575-579);
21. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 3] , opgemaakt op 10 september 2024 (p. 523-528);
22. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt op 12 september 2024, (p. 553-558).
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1.
De gedragingen van de verdachte
Ten aanzien van de gedragingen van de verdachte stelt de rechtbank op basis van de beeldanalyse in het dossier het volgende vast.
Op het moment dat de politie op 31 december 2023 bij de Lidl arriveerde, om 21.46 uur, stak de verdachte slechts één seconde daarna een stuk vuurwerk aan en gooide dit met kracht vanaf de veertiende etage van de [flat] in de richting van de Lidl. Enkele minuten later gooide hij opnieuw een brandend voorwerp over de rand van het balkon richting de Lidl. Een minuut later stak hij opnieuw een voorwerp, vermoedelijk vuurwerk, aan en gooide dit met kracht in de richting van de Lidl. Tussen 22.04 uur en 22.10 uur herhaalde hij dit meerdere keren. Om 22.25 uur pakte de verdachte een pot vuurwerk die NN05 op de reling had neergezet. Om 22.29 uur stak de verdachte opnieuw een onbekend vuurwerp aan en gooide dit met kracht in de richting van de linie agenten bij de Lidl zodra het brandde. Om 22.30 uur doet hij dit opnieuw met een stuk vuurwerk. Uit bodycambeelden is gebleken dat dit hetzelfde moment was dat een groep beneden aan de flat zich richting de linie agenten verplaatste en hen bekogelde met vuurwerk. De verdachte stak direct hierna nog een stuk vuurwerk aan en gooide dit ook met kracht over de rand van het balkon richting de Lidl. Om 22.47 uur herhaalt hij dit nogmaals. Ook dit moment komt overeen met het moment dat de linie agenten met vuurwerk belaagd werd door de groep beneden. Om 22.56 uur is te zien dat de verdachte even kort bij NN07 stond, waarop de verdachte wederom een brandend voorwerp over het balkon naar beneden gooide. Op hetzelfde tijdstip vond het incident met de gevallen biker plaats beneden aan de flat en liepen daar agenten. De verdachte bukte vervolgens samen met twee anderen, waarna de verdachte opnieuw een brandend voorwerp over de reling liet vallen. Direct herhaalde de verdachte dit nogmaals. Om 23.00 uur schoot NN05 vuurwerk van het balkon, waarbij de verdachte stond te lachen en te springen.
3.5.3.
Vrijspraak feit 1
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling te komen, moet er sprake zijn van opzet of van voorwaardelijk opzet – de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans – op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor het in vereniging plegen van dat feit is daarnaast vereist dat er een nauwe en bewuste samenwerking was met een of meer anderen, die was gericht op het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, dan hoeft niet te worden bewezen dat de verdachte elk onderdeel van de tenlastelegging zelf heeft begaan, maar is hij medeverantwoordelijk voor het geheel van de gedragingen die onder die nauwe en bewuste samenwerking vallen.
De rechtbank overweegt dat de verdachte samen met een aantal anderen vanaf de veertiende verdieping vuurwerk en/of andere brandende voorwerpen naar beneden heeft gegooid, zoals reeds is vastgesteld onder 3.5.2. Daarnaast werd ook vanaf andere verdiepingen (zwaar) vuurwerk naar beneden gegooid en bekogelde de groep die zich beneden voor de flat bevond de politie met cobra’s, mortieren en siervuurwerk. Naar het oordeel van de rechtbank kan in onvoldoende mate worden vastgesteld of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte en zijn medeverdachten met de groeperingen beneden aan de flat en op de andere verdiepingen. Gelet op de enorme knallen en lichtflitsen die te zien en te horen waren, werd er in ieder geval door die andere groeperingen zwaar vuurwerk op de politie afgevuurd, wat in de gegeven situatie onmiskenbaar een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleverde. Nu een nauwe en bewuste samenwerking niet kan worden vastgesteld, kan het afsteken van dat zware vuurwerk door die andere groepen echter niet aan de verdachte en zijn medeverdachten worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat wel tussen de verdachte en de medeverdachten op de veertiende verdieping sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Op screenshots van de camerabeelden is te zien hoe zij samenscholen, elkaar filmpjes laten zien van een explosie, dat zij samen vuurwerk afsteken en dat dat door één van hen wordt gefilmd. Dat vuurwerk gooiden zij vervolgens naar beneden, of schoten zij van het balkon af in de richting waar de agenten zich ongeveer bevonden. Gelet op de tijdstempels van de camerabeelden was dat ook op de momenten dat de politie daar direct onderaan de flat stond. Desalniettemin acht de rechtbank het op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende duidelijk of de verdachten daarmee ook het opzet hadden zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is niet gebleken. Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet is er naar het oordeel van de rechtbank te weinig informatie bekend over het soort en de zwaarte van het vuurwerk dat door de verdachten is afgestoken, de exacte richting waarin zij dat deden, waar dat vuurwerk tot ontploffing kwam en de mogelijke schade door (smeulende) restmaterialen die naar beneden kwamen na het ontploffen van het vuurwerk. Zodoende kan de rechtbank in onvoldoende mate vaststellen of het door de verdachten afgestoken vuurwerk een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd om tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen en zal zij hem daarvan vrijspreken.
3.5.4.
Openlijke geweldpleging
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de gedragingen van de verdachte zijn te kwalificeren als openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd onder feit 2.
De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5.2. is vastgesteld met betrekking tot de gedragingen van de verdachte, bezien in de context van de hevige wanordelijkheden die op dat moment plaatsvonden, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke bijdrage geleverd aan die wanordelijkheden door in de directe omgeving daarvan vuurwerk af te steken, gericht op het gebied voor de flat waar de politie op dat moment aanwezig was. De verdachte was op de hoogte van de ontstane situatie. Dat kan hem onmogelijk zijn ontgaan. Het was daar in de omgeving één grote chaos, er waren sirenes te horen, er werd geschreeuwd, er waren harde knallen te horen en ontploffingen te zien. De rechtbank acht dat geen “normale” situatie om vuurwerk af te steken, ook niet op Oudejaarsavond. Onder die omstandigheden wisten de verdachte en zijn medeverdachten dat ook. Door dat toch te doen, hebben zij een wezenlijke bijdrage geleverd aan de grimmige sfeer en chaos die er is ontstaan en daarmee ook aan de verstoring van de openbare orde die op dat moment plaatsvond.
Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat de verdachte door te handelen als hiervoor vermeld, aan de ten laste gelegde geweldshandelingen een voldoende significante bijdrage heeft geleverd om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 31 december 2023 te Delft, openlijk, te weten in de [straatnaam 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] en meerdere andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren, door meerdere malen althans eenmaal
- de confrontatie te zoeken met genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en
- ( zwaar) vuurwerk en/of andere voorwerpen (vanaf een balkon van een flat) in de richting van genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en richting de Lidl te gooien en
- te schreeuwen naar en schelden op en gebaren maken naar genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en
- filmopnames te maken van bovenstaande handelingen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien deze niet naar behoren wordt uitgevoerd, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging uitdrukkelijk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in het bijzonder de verantwoordelijkheid die de verdachte vanaf zijn eerste verhoor heeft genomen voor zijn handelen. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat rekening dient te worden gehouden met het aanzienlijke tijdsverloop dat sinds de onderhavige feiten heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft verzocht bij bewezenverklaring van openlijke geweldpleging te volstaan met een taakstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf zou volgens de raadsman niet noodzakelijk zijn, gelet op de geruime tijd die inmiddels is verstreken en het feit dat de verdachte zich sindsdien niet schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, waardoor het recidiverisico verwaarloosbaar is.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging waarbij politieagenten van alle kanten zijn belaagd en bekogeld met (zwaar) vuurwerk. De verdachte heeft hieraan bijgedragen door eveneens vuurwerk, doch niet bekend van welk kaliber, van een van de galerijen van de flat naar beneden te gooien. Door zijn handelen heeft de verdachte een aandeel gehad in de ernstige ongeregeldheden en de schade die het geweld heeft veroorzaakt. De gedragingen van de verdachte getuigen bovendien van een gebrek aan respect voor politieambtenaren en de maatschappelijke functie die zij vervullen. Het behoeft geen uitleg dat dit soort gedrag, in alle gevallen maar in het bijzonder tegen de politie, volkomen onacceptabel is. Meerdere agenten hebben bovendien verklaard over de enorme impact die deze geweldsexplosie op hen heeft gehad en dat zij zich gedurende hun hele carrière zelden zo onveilig hebben gevoeld. Dat de rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Dergelijke ontwrichtende feiten veroorzaken daarnaast veel overlast en gevoelens van angst en onveiligheid voor omwonenden en in de samenleving in het algemeen, zeker wanneer zij plaatsvinden op een moment waarop mensen gezamenlijk het nieuwe jaar willen vieren. De massale inzet van hulpdiensten die ieder jaar weer moet uitrukken voor dergelijke ongeregeldheden kost de maatschappij daarbij ook nog eens een hoop geld. Dat de verdachte hierin ook een aandeel heeft gehad, rekent de rechtbank hem eveneens aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 april 2026. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een vergelijkbaar feit als het bewezenverklaarde. Gelet daarop zal de rechtbank het strafblad van de verdachte niet in zijn nadeel meewegen.
Persoon van de verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht. Hij is ZZP’er en werkt fulltime als elektromonteur. Zijn werkgever is niet op de hoogte van de strafzaak. Hij woont bij zijn moeder, in dezelfde wijk als waar de onderhavige feiten hebben plaatsgevonden. De medeverdachte [medeverdachte 2] is zijn broer en de medeverdachte [medeverdachte 1] is zijn neef. Met hen heeft hij sinds het bewezenverklaarde nog weinig contact. De verdachte leidt verder een rustig leven. Zijn vader is niet op de hoogte van de strafzaak, vanwege schaamtegevoelens heeft de verdachte hem niet geïnformeerd. Een gevangenisstraf zou zijn hele toekomst overhoop gooien.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor openlijke geweldpleging tegen personen, lichamelijk letsel ten gevolge hebben, vermeld een taakstraf van 150 uur. De rechtbank overweegt voorts, in navolging van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:1470), dat naar haar oordeel voor dergelijke grootschalige rellen gevangenisstraf het uitgangspunt moet zijn. Gelet op de grootschaligheid en de langdurigheid van het gepleegde geweld, het feit dat dit geweld evident was gericht tegen de politie en de schade die het heeft opgeleverd voor de maatschappij, acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf ook in dit geval passend.
De rechtbank weegt echter ook mee dat de verdachte als enige van de medeverdachten zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en meerdere malen zijn excuses heeft aangeboden, zowel op het politiebureau aan meerdere politiemedewerkers als ter terechtzitting aan de aanwezige benadeelde partijen. De verdachte heeft getoond inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen en heeft getoond zich bewust te zijn van de enorme impact die dit handelen heeft gehad op de politiemedewerkers die ter plaatse waren. Dit weegt de rechtbank in zijn voordeel mee.
Gelet op bovenstaande acht de rechtbank het niet passend hem een gevangenisstraf op te leggen.
Ten aanzien van de hoogte van de op te leggen straf zal de rechtbank wel naar boven afwijken van het oriëntatiepunt voor openlijk geweld, om recht te doen aan de strafverzwarende omstandigheden die hierboven zijn beschreven.
Met betrekking tot het tijdsverloop merkt de rechtbank op dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat het tijdsverloop derhalve geen aanleiding biedt voor strafmatiging.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, nu het bewezenverklaarde al enkele jaren geleden heeft plaatsgevonden en de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie of justitie.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 180 uur passend en geboden.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
De vorderingen
[politieambtenaar 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 534,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de schade gevorderd.
[politieambtenaar 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 534,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de schade gevorderd.
[politieambtenaar 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.700,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de schade gevorderd.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van alle drie de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van alle drie de vorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
[politieambtenaar 5]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 534,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 534,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 534,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 5] .
[politieambtenaar 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 534,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 534,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 534,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 2] .
[politieambtenaar 4]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.700,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.700,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € € 2.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 4] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder
Fout! Verwijzingsbron niet gevonden..6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
180 (honderdtachtig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
90 (negentig) DAGEN;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [politieambtenaar 5] toe tot een bedrag van € 534,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [politieambtenaar 5] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 534,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 5] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [politieambtenaar 2] toe tot een bedrag van € 534,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [politieambtenaar 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 534,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [politieambtenaar 4] toe tot een bedrag van € € 2.700,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [politieambtenaar 4] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.700,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 4] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 27 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. de Wit, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.