ECLI:NL:RBDHA:2026:16272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
26_2552
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening terugvordering bijstandsuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Leiden waarin een te veel betaalde bijstandsuitkering over de periode van 20 februari 2025 tot en met 31 mei 2025 werd teruggevorderd. Na intrekking van een eerder besluit werd een bedrag van €319,19 teruggevorderd. Verzoekster stelde een financiële noodsituatie te ervaren en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat het teruggevorderde bedrag inmiddels volledig was afgelost via inhoudingen op de bijstandsuitkering in de maanden november 2025 tot en met maart 2026. Daarnaast ontvangt verzoekster vanaf juni 2025 een ongekorte bijstandsuitkering. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening.

Verzoekster had ook aangevoerd dat zij minder vakantiegeld had ontvangen, maar dit punt dient in de bodemprocedure te worden behandeld. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang omdat het terugvorderingsbedrag volledig is afgelost.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2552

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. O.J. Massalova).

Procesverloop

Met het besluit van 14 augustus 2025 heeft verweerder de uitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet (PW) over de periode van 20 februari 2025 tot en met 31 juli 2025 herzien en de over deze periode te veel betaalde PW-uitkering, een bedrag van € 513,08, van verzoekster teruggevorderd.
Met het besluit van 2 december 2025 heeft verweerder het besluit van 14 augustus 2025 ingetrokken en daarvoor in de plaats de PW-uitkering van verzoekster herzien over de periode van 20 februari 2025 tot en met 31 mei 2025 en de over deze periode te veel betaalde PW-uitkering, een bedrag van € 319,19, van verzoekster teruggevorderd.
Met het besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door verzoekster tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft op 22 februari 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 23 maart 2026 heeft verzoekster aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente.
2. Verweerder heeft zich met het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoekster over de periode van 20 februari 2025 tot en met 31 mei 2025 te veel aan bijstandsuitkering heeft ontvangen. Gebleken is dat verzoekster in die periode € 282,82 per maand aan opslagkosten had, terwijl bij het verstrekken van de bijstandsuitkering rekening is gehouden met een bedrag van € 300,- per maand. Daarom dient de bijstandsuitkering over voornoemde periode te worden herzien en het te veel betaalde aan bijstandsuitkering, een bedrag van € 319,19, van verzoekster te worden teruggevorderd.
3. Verzoekster voert aan dat er sprake is van een financiële noodsituatie. Er is een gebrek aan voedselvoorziening en verblijfvoorziening. Zij moet daarom extra lenen bij familie voor haar basisvoorzieningen. Daarnaast drukt dit op haar gezondheid.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ter zitting heeft gezegd dat uit interne navraag blijkt dat in de maanden november 2025 en december 2025 een bedrag van € 68,45, in de maanden januari 2026 en februari 2026 een bedrag van € 70,08 en in de maand maart 2026 een bedrag van € 42,13 op de bijstandsuitkering van verzoekster is ingehouden. Verzoekster heeft niet betwist dat genoemde bedragen juist zijn. Met voormelde inhoudingen is het teruggevorderde bedrag van € 319,19 volledig afgelost. Gelet hierop en het feit dat verzoekster vanaf juni 2025 een ongekorte bijstandsuitkering ontvangt, ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang. Ter zitting heeft verzoekster er op gewezen dat aan haar € 200,- minder aan vakantiegeld is verstrekt. Of hiervan sprake is en zo ja, of dit terecht is, dient verzoekster aan de orde stellen in de bodemprocedure.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.