ECLI:NL:RBDHA:2026:16270

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.49646
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 15c KwalificatierichtlijnArt. 29 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag wegens termijnoverschrijding zonder Bahaddar-omstandigheden

Eiser, een Somalische nationaliteit behorende tot de Abgaal-clan, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen door verweerder. Eiser stelde dat hij vanwege bedreigingen en aanvallen door Al Shabaab een reëel risico loopt bij terugkeer naar Somalië. Verweerder achtte de asielmotieven geloofwaardig maar vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade.

Eiser diende zijn beroep tegen het afwijzingsbesluit te laat in, namelijk twee dagen na de wettelijke termijn. Hij erkende de termijnoverschrijding en voerde geen verschoonbare reden aan. Eiser stelde dat op grond van het Bahaddar-arrest van het EHRM het beroep inhoudelijk beoordeeld moest worden, ondanks de termijnoverschrijding.

De rechtbank oordeelde dat geen bijzondere, individuele Bahaddar-omstandigheden aanwezig zijn die een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigen. De rechtbank vond het standpunt van verweerder dat eiser geen reëel risico loopt niet evident onjuist. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder bijzondere Bahaddar-omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49646

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen. Het bestreden besluit geldt tevens als terugkeerbesluit.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 28 oktober 2025 (NL25.50495) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen op grond van een belangenafweging.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Eiser heeft via een telefonische verbinding aan de zitting deelgenomen. M. Gure, tolk, is ter zitting verschenen.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] , heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot
de Abgaal-clan.
2. Eiser heeft - samengevat - het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser was in zijn woonplaats [locatie 1] een garage gestart die op een gunstige plek lag waar veel mensen kwamen. Vanwege de plek van de garage en de goede naam die eiser had opgebouwd bij de garage was Al Shabaab geïnteresseerd in de garage. Al Shabaab wilde namelijk explosieven plaatsen onder de auto’s van overheidsfunctionarissen. Eiser werd gevraagd om met Al Shabaab samen te werken. Eiser weigerde dit waarna hij door Al Shabaab werd bedreigd. Op een dag was eiser aan het werk en toen werd er op eiser geschoten en werd er een bom gegooid. Eiser raakte hierbij gewond. Eiser is toen vertrokken uit Somalië. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser om door Al Shabaab te worden gedood.
Het bestreden besluit
3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen met Al Shabaab.
4. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn volgens verweerder echter niet te herleiden tot één of
meerdere gronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook behoort eiser niet tot één
van de risicoprofielen in de zin van paragraaf C2/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Gelet hierop komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië nog steeds voor Al Shabaab te vrezen heeft. Dat eiser destijds door Al Shabaab is bedreigd, betekent niet dat hij op dit moment nog steeds voor hen heeft te vrezen. Hoewel op basis van de informatie in het meest recente ambtsbericht inzake Somalië van 31 maart 2025 wordt erkend dat Al Shabaab actief is in [locatie 1] , is Al Shabaab officieel niet aan de macht in deze stad. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk meer risico loopt om slachtoffer te worden van het geweld van Al Shabaab tegen burgers. Verweerder volgt eiser niet in zijn stelling dat hij door Al Shabaab zal worden gevonden, omdat hij op een dodenlijst staat. Dit volgt niet uit eisers verklaringen. Sinds de gebeurtenissen in het verleden heeft eiser ook niets meer van Al Shabaab gehoord en eisers familie heeft geen problemen ondervonden. Omdat eiser tot een grote clan behoort (Abgaal), heeft hij meer toegang tot connecties dan iemand die bij een kleinere clan hoort. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen bestaan in Somalië zal kunnen opbouwen. De algemene informatie, waarnaar eiser in zijn zienswijze heeft verwezen, leidt volgens verweerder niet tot een ander oordeel. Verder verwijst verweerder met betrekking tot artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (artikel 15c) naar het landgebonden beleid in paragraaf C7/30 van de Vc waaruit blijkt dat in de regio [locatie 1] (inclusief de hoofdstad [locatie 1] ) sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij meer risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarom komt eiser volgens verweerder ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Beoordeling door de rechtbank
Termijnoverschrijding beroep
6. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het beroep van eiser ontvankelijk is.
7. Eiser heeft op 2 oktober 2025 een besluit ontvangen waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. In dit besluit is opgenomen dat eiser binnen één week beroep moet instellen tegen dit besluit. Dit betekent dat eiser uiterlijk 9 oktober 2025 een beroepschrift had moeten indienen. Eiser heeft op 11 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. Eiser heeft niet bestreden dat hij te laat beroep heeft ingesteld. Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit betekent dat eisers beroep op grond van nationale procedureregels niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
9. Eiser stelt dat het beroep op grond van het arrest Bahaddar van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494) inhoudelijk moet worden beoordeeld. Volgens eiser leidt wat hij in het kader van zijn asielaanvraag heeft aangevoerd onmiskenbaar tot het oordeel dat bij uitzetting naar Somalië sprake zal zijn van een schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De Bahaddar-exceptie
10. De rechtbank moet van niet-ontvankelijkverklaring op grond van nationale procedureregels afzien als er zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden voordoen, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 22 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1664). Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, wanneer wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod, neergelegd in artikel 3 van Pro het EVRM, zou schenden. De beoordeling of er zich ‘Bahaddar-omstandigheden’ voordoen moet worden verricht in het licht van wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd, het standpunt van verweerder daarover en wat algemeen bekend is over het land van herkomst. De rechtbank moet in deze zaak dus toetsen of het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade evident onjuist is.
11. De rechtbank stelt vast dat verweerder het tweede asielmotief (eisers problemen met Al Shabaab) geloofwaardig heeft gevonden. Dit betekent dat verweerder gelooft dat eiser is bedreigd en is aangevallen door Al Shabaab nadat hij had geweigerd met hen samen te worden om explosieven te plaatsen onder de auto’s van overheidsfunctionarissen. Dit betekent echter niet dat eiser hiermee ook aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië nog steeds voor Al Shabaab te vrezen heeft. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Al Shabaab specifiek naar hem op zoek is of hem in het vizier heeft. De enkele, niet-onderbouwde, stelling dat eiser op een dodenlijst staat, is in dit kader onvoldoende. Uit eisers verklaringen is daarnaast af te leiden dat Al Shabaab vooral in eisers garage geïnteresseerd was vanwege de strategische ligging en de mogelijkheid om via hem explosieven te plaatsen onder auto’s, en niet zo zeer in hemzelf. Verweerder heeft er in dit kader verder terecht op gewezen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Al Shabaab – voor zover er wel naar hem zou worden gezocht – hem makkelijk in [locatie 1] zou kunnen vinden. De stad heeft een geschat aantal inwoners van ruim drie miljoen en een oppervlakte van 327 km2. Dat Al Shabaab in [locatie 1] actief is, is niet in geschil, maar nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij naar hem op zoek hebben of dat hij bij hen in de negatieve belangstelling staat of zal staan bij terugkeer, is dit onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Verder heeft verweerder terecht veel gewicht toegekend aan eisers verklaring dat hij zelf sinds zijn vertrek niets meer heeft vernomen van Al Shabaab (p. 17 nader gehoor) en dat dit ook geldt voor eisers familie.
12. Voor zover eiser stelt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, geldt dat niet in geschil is dat in eisers regio [locatie 1] (inclusief de hoofdstad [locatie 1] ) geen sprake is van het meest uitzonderlijke niveau van willekeurig geweld. Het is dus aan eiser om aannemelijk te maken dat en waarom hij persoonlijk meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hierin is eiser niet geslaagd, nu eiser alleen heeft gewezen op algemene landeninformatie en de individuele omstandigheden (de eerdere bedreiging en aanval door Al Shabaab) niet gelden als risicoverhogende omstandigheden. Het gaat namelijk in dit kader om willekeurig geweld.
13. In wat eiser verder heeft aangevoerd en overgelegd ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van verweerder evident onjuist is. Er doen zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen Bahaddar-omstandigheden voor die maken dat van niet-ontvankelijkverklaring van het beroep moet worden afgezien.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank zal het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaren.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gaan aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.