Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege bedreigingen door het Al Mahdi leger en de AAH-militie, die voort zouden komen uit de werkzaamheden van zijn broer voor het Amerikaanse leger. Hij stelde dat hij in Irak ontvoerd en mishandeld was en dat er een aanslag op zijn leven was gepleegd. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van deze beweringen en onvoldoende bewijs van een reëel risico.
De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat de minister de familieband tussen eiser en zijn broer aannam na onderzoek van documenten, maar de geloofwaardigheid van de bedreigingen terecht betwijfelde. De verklaringen van eiser over de ontvoering en het tijdsverloop van de bedreigingen waren ongerijmd en niet overtuigend onderbouwd.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister terecht oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De aangevoerde algemene informatie over de situatie in Irak en de milities bood onvoldoende onderbouwing voor het persoonlijke risicoprofiel van eiser.
Daarom bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter T.M. Weeda op 17 juni 2026.