Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16265

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30941
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbVreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling toegewezen

Verzoeker heeft bij besluit van 7 november 2025 uitstel van vertrek geweigerd gekregen door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen is op 8 november 2025 beroep ingesteld. Op 3 juni 2026 verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroep in de opvang te mogen afwachten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak kan worden gedaan. De minister verzet zich niet tegen het verzoek om uitzetting achterwege te laten. Daarom wordt het primaire besluit geschorst totdat op het beroep is beslist.

Het verzoek om de inhoudelijke behandeling van het beroep in de opvang te mogen afwachten kan niet in deze procedure worden beoordeeld, omdat het COA bevoegd is voor opvangbesluiten en de minister niet. Verzoeker wordt verwezen om zich tot het COA te wenden voor opvang en daarna eventueel een voorlopige voorziening te vragen.

De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst het uitzettingsbesluit en veroordeelt de minister in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30941

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1.1
Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister ambtshalve geweigerd aan verzoeker uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel
64 Vw [1] .
1.2
Op 8 november 2025 heeft verzoeker tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 3 juni 2026 heeft verzoeker (opnieuw) de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten einde te bewerkstelligen dat verzoeker de behandeling van het beroep in de opvang mag afwachten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.
3. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De minister heeft desgevraagd bij bericht van 3 juni 2026 aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening voor zover daarin gevraagd wordt uitzetting achterwege te laten.
5. Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat het primaire besluit wordt geschorst tot inhoudelijk op het beroep is beslist.
6.1
Voor zover verzoeker in het petitum tevens heeft verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de inhoudelijke behandeling van het beroep in de opvang mag worden afgewacht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
6.2
Nu enerzijds niet de minister bevoegd is om een beslissing te nemen in het kader van het Rva [3] maar het COa [4] en anderzijds in het bestreden besluit ook niet is beslist tot het beëindigen van de opvang van verzoeker ontbeert het verzoek op dit punt de vereiste connexiteit met het besluit van 7 november 2025.
6.3
De minister kan het COa ook niet opdragen om verzoekers voorzieningen op grond van de Rva 2005 te handhaven. Die bevoegdheid heeft de minister niet.
6.4
Dit leidt ertoe dat het verzoek op dit punt in de onderhavige procedure niet kan worden beoordeeld. Verzoeker zal zich eerst tot het COa moeten richten met het verzoek om de opvang niet te beëindigen, waarna hij bij een negatief antwoord en na daartegen beroep te hebben ingesteld, een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter kan vragen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is kennelijk gegrond.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst het primaire besluit totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht
3.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
4.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.