ECLI:NL:RBDHA:2026:16262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30710
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.M. van Veelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Vreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000Vreemdelingenbesluit 2000Arrest F.S. (ECLI:EU:C:2021:506)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf afgewezen

Eiseres, van Roemeense nationaliteit, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij voerde aan dat het gehoor onzorgvuldig was omdat zij in het Nederlands werd gehoord zonder tolk, en dat zij rechtmatig verblijf had als Unieburger binnen de vrije termijn van drie maanden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres zelf had aangegeven geen tolk nodig te hebben en voldoende Nederlands beheerst. Daarnaast was zij niet in staat aannemelijk te maken dat zij haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd, zoals vereist volgens het arrest F.S. De maatregel van bewaring werd gerechtvaardigd door het risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van uitzetting.

Eiseres stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden toegepast, maar de rechtbank vond de maatregel proportioneel gezien de omstandigheden. Ook de maximale duur van de inbewaringstelling was nog niet overschreden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30710

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres,

(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer H.R.W. Trok. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.
Zorgvuldigheid van het gehoor
2. Eiseres voert aan dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, omdat zij in de Nederlandse taal is gehoord. De ambtenaar die haar heeft gehoord had namelijk de hulp van een tolk in de Roemeense taal moeten inroepen, nadat uit haar antwoorden bleek dat zij de vragen die zien op of zij daadwerkelijk en effectief haar verblijf in Nederland heeft beëindigd als bedoeld in het arrest F.S. [2] , niet begreep. Maar volgens eiseres blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor ook dat zij op de andere vragen niet een duidelijk en juridisch relevant antwoord heeft gegeven.
2.1.
In paragraaf A2/5 van de Vc [3] is – onder meer – bepaald dat de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de hulp van een beëdigde tolk moet inroepen als door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is.
2.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het gehoor onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, omdat zij is gehoord in de Nederlandse taal. De reden hiervoor is dat uit het proces-verbaal van gehoor (M110) van 28 mei 2026 volgt dat eiseres in de Nederlandse taal is gehoord, omdat zij zelf heeft aangegeven dat zij geen gebruik wenst te maken van een tolk Roemeense taal en dat zij de Nederlandse taal voldoende beheerst om in het Nederlands gehoord te worden. De rechtbank overweegt dat eiseres het recht heeft om af te zien van de hulp van een tolk bij het gehoor. Daar komt bij dat uit het hiervoor genoemde proces-verbaal weliswaar blijkt dat eiseres op sommige vragen een merkwaardig antwoord geeft, maar dat zij op de vragen die zien op of zij daadwerkelijk en effectief haar verblijf in Nederland heeft beëindigd wel een duidelijk antwoord heeft gegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat de ambtenaar die eiseres heeft gehoord de hulp van een beëdigde tolk had moeten inroepen. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtmatig verblijf
3. Eiseres voert aan dat de bewaringsmaatregel onrechtmatig is opgelegd, omdat zij als Unieburger rechtmatig verblijf heeft in Nederland binnen de vrije termijn van drie maanden.
3.1.
Uit het eerdergenoemde arrest F.S. volgt dat het enkele fysieke vertrek van een Unieburger uit het grondgebied van een gastland niet volstaat om volledig aan het ten aanzien van hem genomen verwijderingsbesluit te voldoen. Om op dat grondgebied een nieuw verblijfsrecht te krijgen, moet deze Unieburger daarnaast ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd. Hierbij is onder meer van belang of er aanwijzingen bestaan dat eiseres in de periode die zij na haar verwijdering buiten Nederland heeft doorgebracht, het centrum van haar persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht.
3.2.
De rechtbank overweegt dat bij besluit van 27 september 2024, uitgereikt op 10 november 2024, is vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft. Op grond daarvan is eiseres al meerdere keren naar Roemenië uitgezet, laatstelijk op 3 september 2025. Vervolgens is eiseres vanuit Roemenië weer terug naar Nederland gekomen. Naar eigen zeggen verbleef eiseres ten tijde van haar aanhouding op 27 mei 2026 ongeveer drie maanden in Nederland. Eiseres heeft echter geen
bewijsstukken overgelegd met betrekking tot (de duur van) haar verblijf in Roemenië. Daarnaast volgt uit het dossier dat eiseres op 27 mei 2026 onder dezelfde omstandigheden is aangetroffen als waaronder haar verblijfsrecht is beëindigd; zij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en beschikt niet uit inkomsten uit werk of andere middelen van bestaan. Verder heeft eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan haar inbewaringstelling expliciet verklaard dat zij in Roemenië niet heeft gewerkt, dat zij in Nederland wil blijven en niet wil terugkeren naar Roemenië. Gelet op wat hiervoor is overwogen, vindt de rechtbank het weliswaar aannemelijk dat eiseres enige tijd in Roemenië heeft verbleven, maar is hiermee geen sprake geweest van een materiële wijziging van haar omstandigheden. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en het centrum van haar persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht zoals bedoeld in het arrest F.S. Als gevolg hiervan is het besluit van 27 september 2024 nog steeds van kracht en heeft eiseres geen (hernieuwd) rechtmatig verblijf in Nederland. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
De gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en haar aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [4] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de hiervoor genoemde gronden niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden de maatregel van bewaring dragen. [5]
Lichter middel
5. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich – gelet op de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, die niet zijn bestreden, en de motivering daarvan – terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval sprake is van een risico op onttrekking en dat geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij neemt de rechtbank met name in aanmerking dat eiseres eerder ook niet uit eigen beweging naar Roemenië is vertrokken en op zitting nogmaals heeft verklaard dat zij in Nederland wil blijven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Maximale duur van de inbewaringstelling
6. Voor zover eiseres stelt dat de maximale duur voor inbewaringstelling, zoals bedoeld in het Aroja [6] is verstreken, overweegt de rechtbank het volgende.
6.1.
Nog daargelaten de vraag of dit arrest in het onderhavige geval van toepassing is [7] , is de maximale duur van zes maanden (180 dagen) voor de inbewaringstelling naar het oordeel van de rechtbank nog niet verstreken. Eiseres heeft namelijk van 2 april 2025 tot en met 4 juni 2025, van 16 juli 2025 tot en met 3 september 2025 en van 28 mei tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op 11 juni 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gezeten. Deze perioden bij elkaar opgeteld zijn in totaal nog geen zes maanden.
Ambtshalve toets
7. Tot slot ziet de rechtbank ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [8]
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021, in de zaak F.S. tegen Nederland, ECLI:EU:C:2021:506.
3.Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
6.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, in de zaak Aroja, ECLI:EU:C:2026:148.
7.Het arrest heeft namelijk betrekking op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en en daarvan is geen sprake aangezien eiseres een Unieburger is.
8.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.