Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.14064
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 3 ProcedurerichtlijnArt. 28 lid 1 onder a ProcedurerichtlijnArt. 30c lid 1 aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000Art. 30c lid 1 aanhef en onder c Vreemdelingenwet 2000Art. 3.109 lid 6 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stelling asielaanvraag wegens niet verschijnen op gehoor

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag buiten behandeling te stellen omdat hij niet is verschenen op het nader gehoor van 18 februari 2026. De minister legde tevens een inreisverbod van twee jaar op. De rechtbank heeft het beroep behandeld waarbij eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank overweegt dat op grond van de Procedurerichtlijn en de Vreemdelingenwet het niet verschijnen zonder geldige reden kan leiden tot buiten behandeling stelling van de aanvraag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet verschijnen aan omstandigheden te wijten was waarop hij geen invloed had. Ook het betoog dat contact opnemen via de gemachtigde volstond, wordt verworpen omdat eiser zelf contact had moeten opnemen.

Verder oordeelt de rechtbank dat het onthouden van de rust- en voorbereidingstijd geen zelfstandig besluit is en dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag wegens het niet verschijnen op het gehoor zonder geldige reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14064

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

1.1
Bij besluit van 6 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, Vw [1] en daarbij aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.2
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.14065) op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Wat vindt de rechtbank

Standpunten partijen
2.1
Bij het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser niet is verschenen op het nader gehoor van 18 februari 2026, waarvoor hij bij brief van 10 februari 2026 is uitgenodigd. Eiser heeft daarvoor geen reden opgegeven. Ook heeft eiser niet binnen twee weken ná uitbrengen van het voornemen op 18 februari 2026 contact opgenomen met de bevoegde autoriteiten en blijkt uit de zienswijze niet dat eiser contact heeft opgenomen met zijn gemachtigde.
2.2
Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hierna - voor zover relevant - worden ingegaan.
De buiten behandeling stelling
3. Uit artikel 14, derde lid, en artikel 28, eerste lid, onder a, van de Procedurerichtlijn volgt dat de lidstaten mogen aannemen dat de vreemdeling impliciet van het verzoek om internationale bescherming heeft afgezien wanneer is vastgesteld dat de vreemdeling niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud, tenzij hij binnen een redelijke tijd aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed heeft. Het feit dat er geen persoonlijk onderhoud met de vreemdeling heeft plaatsgevonden belet de beslisautoriteit niet het verzoek om internationale bescherming, als zij dat als ongegrond beschouwt, af te wijzen.
Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de minister een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd buiten behandeling stellen indien de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen. Bij het beoordelen van de toerekenbaarheid betrekt de minister of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het niet verschijnen. [2]
4.1
In het voornemen van 18 februari 2026 heeft de minister – nadat is gebleken dat eiser zonder opgaaf van redenen niet is verschenen bij het op diezelfde dag geplande gehoor – eiser een termijn van twee weken gegeven om contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. In reactie hierop heeft eisers gemachtigde namens eiser betoogd dat hij, doordat hij in zijn hoedanigheid als gemachtigde van eiser binnen de termijn van twee weken bij de minister heeft aangegeven dat eiser in het AZC Ter Apel verblijft voldaan heeft aan de oproep om contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. De minister had eiser daarom opnieuw kunnen uitnodigen voor een gehoor en mocht daarom eisers aanvraag niet buiten behandeling stellen op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
4.2
De rechtbank volgt dit betoog niet. Daartoe wordt allereerst overwogen dat niet in geschil is dat eiser een uitnodiging heeft ontvangen voor een nader gehoor op 18 februari 2026 en dat hij daarbij – zonder daarvoor voorafgaand aan het gehoor een reden te geven – niet is komen opdagen. Niet is gebleken dat hij niet in staat was om te verschijnen. Voor zover in de zienswijze door eisers gemachtigde wordt gesuggereerd dat het niet verschijnen wellicht te maken heeft met een ongeval vlak voor eisers vlucht is dat op geen enkele wijze geconcretiseerd. Eiser heeft immers geen enkel medisch document overgelegd waaruit zou blijken dat het voor hem om medische redenen niet mogelijk was om voor het gehoor te verschijnen. Overigens kan eiser ook dan worden verweten dat hij dit niet voorafgaand aan het geplande gehoor heeft laten weten. Verder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eiser vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde niet wegneemt dat eiser degene is die moet worden gehoord en dat het dus gaat om eiser zelf die zich binnen de in het voornemen gegeven termijn bij de bevoegde autoriteiten dient te melden. Dat eiser dit niet heeft gedaan kan hem naar het oordeel van de rechtbank worden verweten. Anders dan eisers gemachtigde ter zitting heeft gesteld is immers op geen enkele wijze gebleken dat het voor eiser vanuit de opvanglocatie waar hij stelt te verblijven niet mogelijk was om contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. Voor zover eisers gemachtigde ter zitting heeft betoogd dat het niet mogelijk was om met eiser te spreken over de redenen voor het niet verschijnen omdat het hem niet werd toegestaan om eiser te bezoeken op de opvanglocatie stelt de rechtbank vast dat dit betoog niet nader is onderbouwd. Gelet op het voorgaande bestaat er dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet opnieuw uit te nodigen voor een nader gehoor en dat de aanvraag van eiser niet buiten behandeling kon worden gesteld.
De rust- en voorbereidingstermijn
5.1
Eiser wijst er op dat de minister weliswaar in de uitnodigingsbrief van
10 februari 2026 heeft aangegeven dat hem op grond van het bepaalde in artikel 3.109, zesde lid, Vb [3] , de rust-en voorbereidingstijd wordt onthouden, maar dat de minister in zowel het voornemen als het bestreden besluit heeft nagelaten te motiveren waarom dit is gebeurd. Eiser stelt dat de onthouding van de rust-en voorbereidingstijd een zelfstandig besluitmoment is dat deugdelijk gemotiveerd moet worden en betoogt daarom dat hem de mogelijkheid is ontnomen om zich te verweren tegen het onthouden van deze tijd. Verder stelt eiser dat de minister in de besluitvorming ten onrechte heeft nagelaten te onderbouwen waar de conclusie op is gebaseerd dat eiser zich niet goed gedragen heeft.
5.2
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. De rust- en voorbereidingstermijn is bedoeld om de vreemdeling tot rust te laten komen en hem op de asielprocedure voor te bereiden. Ten behoeve van de voorbereiding vinden in de rust- en voorbereidingstermijn verschillende activiteiten plaats (zie C11/3 tot en met C11/6 Vc). Eiser heeft niet gemotiveerd op welke punten hij in zijn belangen is geschaad door het onthouden van de rust- en voorbereidingstijd. Uit de uitnodigingsbrief van 10 februari 2026 blijkt dat eiser op 17 februari 2026 een voorbespreking en op 19 februari 2026 een nabespreking zou hebben met zijn gemachtigde. Ter zitting heeft gemachtigde bevestigd dat het voorbereidingsgesprek heeft plaatsgevonden. Eiser heeft ook geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat de onthouding van de rust- en voorbereidingstijd ertoe heeft geleid dat hij niet in staat werd gesteld om zich te kunnen voorbereiden op het naar voren brengen van zijn asielrelaas. Dat eiser de mogelijkheid is ontnomen zich te verweren tegen het ontnemen van de rust- en voorbereidingstijd volgt de rechtbank evenmin. Eiser had hieromtrent immers in de zienswijze op het voornemen een inhoudelijke reactie kunnen geven. Dat hij dit niet heeft gedaan komt voor zijn eigen rekening en risico. Immers, zoals hiervoor is overwogen heeft de minister de aanvraag van eiser op juiste gronden buiten behandeling gesteld vanwege het verwijtbare gedrag van eiser, waardoor terecht niet aan een inhoudelijke behandeling van de aanvraag toegekomen. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser zijn stelling dat in de brief van 10 februari een rechtsmiddelentermijn had moeten worden opgenomen niet heeft onderbouwd met een verwijzing naar concrete wet- en regelgeving en/of jurisprudentie.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de minister de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Vreemdelingenbesluit 2000.