ECLI:NL:RBDHA:2026:16259

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31429
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.M. van Veelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid en redelijk vooruitzicht op verwijdering

Eiser, van Tunesische nationaliteit, is sinds 20 februari 2026 in vreemdelingenbewaring genomen. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 23 april 2026, het moment van sluiting van het vorige onderzoek.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering, onder meer vanwege het ontbreken van een laissez-passer en presentatie bij de Tunesische autoriteiten. Ook stelde hij dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende rappelleerde en vertrekgesprekken voerde, en dat het ontbreken van een presentatiedatum niet betekent dat verwijdering niet zal plaatsvinden.

De rechtbank verwierp de stelling dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat niet is gebleken dat de Tunesische autoriteiten geen medewerking verlenen. Ook achtte zij het gebruik van een lichter middel niet passend, mede omdat een geboorteakte geen identificerend document is en onvoldoende garanties biedt voor beschikbaarheid van eiser.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31429

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 20 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 11 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 april 2026 (in de zaak NL26.22323) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van sluiting van dat onderzoek op 23 april 2026.
Voortvarendheid
4. Eiser stelt dat uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat de minister niet voortvarend genoeg werkt aan zijn verwijdering uit Nederland. Op 23 februari 2026 is er een lp [2] aangevraagd. Er zijn ruim drie maanden verstreken en is er nog geen lp afgegeven. Op 23 april 2026 is er volgens de voortgangsrapportage een kopie van eisers geboorteakte naar de Tunesische autoriteiten verzonden. Ook dit heeft niet geleid tot een lp-afgifte of een presentatie. Van de minister mag worden verwacht dat hij uitlegt waarom tot op heden nog geen lp is afgegeven, in het bijzonder vanwege het verzenden van de geboorteakte naar de Tunesische autoriteiten. Deze motivering ontbreekt en daarmee heeft de minister niet aangetoond voldoende voortvarend aan eisers uitzetting te werken. Ook heeft er in de afgelopen maanden nog geen presentatie van eiser plaatsgevonden en is er door de minister geen reden gegeven waarom dit niet is gebeurd. Verder is er sinds sluiting van het vorige onderzoek op 23 april 2026, te weinig gerappelleerd. Er is slechts tweemaal een rappel verstuurd.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers verwijdering uit Nederland. De minister dient uitzettingshandelingen te verrichten. Er is regelmatig gerappelleerd. De minister heeft sinds sluiting van het vorige onderzoek op 23 april 2026 twee keer gerappelleerd, namelijk op 15 mei 2026 en 4 juni 2026. Naar het oordeel van de rechtbank is dit voldoende, omdat er niet een onredelijke lange tijd tussen deze twee rappels zit. Ook heeft de minister regelmatig vertrekgesprekken gevoerd, waarvan de laatste plaatsvond op 12 mei 2026. Dat er nog geen presentatiedatum bekend is, betekent niet dat deze niet zal plaatsvinden. Daarbij overweegt de rechtbank dat de minister daarvoor afhankelijk is van de autoriteiten en het aan de minister is om te bepalen hoe het contact met de autoriteiten verloopt. De beroepsgrond slaagt niet.
Redelijk vooruitzicht op verwijdering
6. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht bestaat op verwijdering naar Tunesië. De presentatie bij de Tunesische ambassade heeft tot op heden niet plaatsgevonden. Het lukt de minister dan ook niet om hem gedwongen terug te sturen naar Tunesië. Verder heeft het overleggen van de geboorteakte niet geleid tot een lp-afgifte en is onbekend waarom er nog geen lp is afgegeven. Hieruit blijkt dat er geen zicht is op uitzetting en eiser niet verwijderbaar is.
7. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Dat er sinds de lp-aanvraag van 23 februari 2026, verzonden op 24 februari 2026, nog geen lp is afgegeven en dit ook niet is gebeurd nadat de geboorteakte van eiser naar de Tunesische autoriteiten is verzonden, maakt niet dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat. Niet is gebleken dat de Tunesische autoriteiten geen lp aan eiser zullen verstrekken, of dat de Tunesische autoriteiten in het algemeen geen medewerking (meer) verlenen aan gedwongen uitzetting. Dat er tot op heden geen presentatie is gepland, betekent ook niet dat gelet daarop in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser al drie maanden in vreemdelingenbewaring zit en uit de voortgangsrapportage niet blijkt welke handelingen de minister momenteel verricht om eiser uit te kunnen zetten. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan. Aan eiser zou een meldplicht kunnen worden opgelegd, waardoor er toezicht blijft op eiser. Met een meldplicht kan hetzelfde doel worden bereikt als met vreemdelingenbewaring, alleen is een meldplicht minder ingrijpend en daaraan dient de voorkeur te worden gegeven. Eiser werkt mee aan zijn terugkeer, maar is niet in het bezit van documenten en heeft hier hulp voor nodig. Eisers broer heeft een kopie van zijn geboorteakte aan de minister verstrekt, waaruit blijkt dat eiser meewerkt aan zijn terugkeer. Ook is eiser aanwezig bij vertrekgesprekken en heeft hij herhaaldelijk aangegeven te willen terugkeren.
9. De rechtbank verwijst ten aanzien van deze grond naar wat zij over het lichter middel heeft overwogen in rechtsoverweging 9 van haar uitspraak van 10 maart 2026 [3] . Wat eiser nu heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van wat hij in de vorige procedures naar voren heeft gebracht. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om anders te oordelen dan zij reeds heeft gedaan. Dat eiser nu meer dan drie maanden in vreemdelingenbewaring zit en zijn geboorteakte heeft verstrekt aan de minister, maakt dit oordeel ook niet anders. Een geboorteakte is geen identificerend document en daarmee kan niet worden geconcludeerd of het van eiser is. Het verstrekken van de geboorteakte biedt verder onvoldoende garantie dat eiser zich daadwerkelijk beschikbaar houdt voor vertrek naar Tunesië, gelet op de eerdere meldingen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [4]
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Zie NL26.9689.
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.