ECLI:NL:RBDHA:2026:16252

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27046
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken beroepsgronden niet-ontvankelijk verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 6 mei 2026, waarin zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroepschrift geen gronden bevatte, wat een vereiste is volgens artikel 6:5 van Pro de Awb.

De gemachtigde van eiser kreeg de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen alsnog de gronden in te dienen, maar dit is niet gebeurd. Ook na een verzoek om een verschoonbare reden voor het verzuim te geven, werd geen geldige reden aangevoerd. De rechtbank constateerde dat geen andere advocaat het beroep heeft overgenomen.

De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aanwezig zijn die een uitzondering op de niet-ontvankelijkheid rechtvaardigen. Dit bleek niet het geval, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat terugkeer een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het ontbreken van een verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27046

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Als niet voldaan is aan dit vereiste, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gekregen om het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
2. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 15 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen binnen een termijn van vijf werkdagen. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen gronden ingediend. De rechtbank heeft daarom op 26 mei 2026 aan eiser verzocht om binnen vijf werkdagen mede te delen of hiervoor een verschoonbare reden is. In het dossier ten aanzien van de aan deze procedure connexe voorlopige voorziening heeft de gemachtigde van eiser daarop gereageerd dat eiser een andere advocaat zou zoeken om de procedure over te nemen. De rechtbank constateert dat zich geen andere advocaat namens eiser heeft gesteld die beroepsgronden heeft ingediend. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat het verzuim verschoonbaar is.
3. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, nog slechts voor de vraag gesteld of het dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bahaddar tegen Nederland. [1] Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat terugkeer schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake. Het dossier biedt geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat bij terugkeer onmiskenbaar sprake zal zijn van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Van
Bahaddar-omstandigheden is daarom geen sprake.
4. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Arrest van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.