ECLI:NL:RBDHA:2026:16242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.37369
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag wegens ontbreken hechte persoonlijke banden tussen zussen

Eiseressen, twee Eritrese zussen, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de jongste zus, met als doel gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag afgewezen omdat er volgens hem geen sprake was van hechte persoonlijke banden die het bestaan van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigen.

De rechtbank stelt vast dat de identiteit en familierechtelijke relatie tussen de zussen niet ter discussie staan, maar dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de relatie niet verder gaat dan de gebruikelijke band tussen zussen. De omstandigheden, zoals het overlijden van de ouders, de verzorging door de grootmoeder en het ontbreken van financiële of emotionele zorg door de oudste zus, ondersteunen dit oordeel.

Ook het tijdsverloop tussen het verkrijgen van de asielvergunning en de mvv-aanvraag en het ontbreken van bewijs van dagelijks contact wegen mee. De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht was een belangenafweging te maken omdat geen gezinsleven is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van hechte persoonlijke banden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37369

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1V-nummer: [V-nummer 1]

en

[eiseres 2] , eiseres 2

V-nummer: [V-nummer 2]
samen: eiseressen
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres 2 (tevens referent) voor eiseres 1 tot afgifte van een mvv [1] voor het doel ‘familie- of gezinslid’ afgewezen.
Bij besluit van 21 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres 2 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] .

Overwegingen

1. Eiseressen zijn respectievelijk geboren op [datum 1] 2004 en [datum 2] 2001 en hebben de Eritrese nationaliteit. Eiseres 1 verblijft in Oeganda en is de gestelde zus van eiseres 2. Op 13 juni 2022 heeft eiseres 2 een aanvraag ingediend om verlening van een mvv met als doel verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, [2] teneinde eiseres 1 bij zich te laten verblijven.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseressen tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een mvv ongegrond verklaard. Verweerder erkent dat in het primaire besluit onvoldoende rekening is gehouden met de algemeen bekende administratieve praktijk in Eritrea. Verweerder gaat daarom uit van de gestelde identiteit van eiseres 1 en hen wordt het voordeel van de twijfel gegeven ten aanzien van de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiseressen. Maar volgens verweerder zijn er geen hechte persoonlijke banden tussen eiseressen, zodat geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarom hoeft er ook geen belangenafweging plaats te vinden.
3. Eiseressen zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren in beroep aan dat verweerder niet nader heeft onderbouwd waarom een kerkelijke doopakte onvoldoende is om de identiteit van eiseres 1 aan te tonen en slechts kan dienen als indicatief bewijs, zodat de argumenten van eiseressen daaromtrent in de gronden overeind blijven. Daarbij is door verweerder ten onrechte niet overgegaan tot nader onderzoek om de familierechtelijke relatie aan te tonen en is eiseressen ten onrechte niet het voordeel van de twijfel gegund. Volgens eiseressen is er sprake van hechte persoonlijke banden. Zij hebben tot aan het vertrek van eiseres 2 uit Eritrea altijd samengewoond en eiseres 2 voelt zich als oudste kind in het gezin verantwoordelijk voor haar zusje. Dat er enige periode geen contact is geweest tussen eiseressen kan niet worden tegengeworpen omdat dit te wijten is aan een vluchtsituatie van beiden en overmacht. Dat geldt ook voor het tijdsverloop van de mvv-aanvraag. Het wekt bevreemding dat verweerder tegenwerpt dat het dagelijkse contact tussen eiseressen niet is aangetoond, zonder dat hier bewijs voor is gevraagd. Eiseressen voeren tot slot aan dat verweerder ten onrechte de belangenafweging achterwege heeft gelaten. Het besluit in primo dateert van vóór de door verweerder in het bestreden besluit aangevoerde uitspraak van de Afdeling [3] van 27 maart 2024, [4] waardoor verweerder in de bezwaarfase alsnog aan de belangenafweging had moeten doortoetsen. Daarbij is eiseres 2 in haar gehoor van 21 juli 2025 door verweerder gehoord op de belangenafweging en heeft verweerder het vertrouwensbeginsel geschonden door deze toets achterwege te laten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt allereerst vast dat vanwege het door verweerder toegekende voordeel van de twijfel ten aanzien van de identiteit en familierechtelijke relatie van eiseressen, nader onderzoek hiernaar niet langer nodig is. Verweerder heeft in het bestreden besluit de identiteit van eiseres 1 en het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen eiseressen als uitgangspunt genomen.
5. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseressen, die de gebruikelijke relatie tussen zussen overstijgt, en dat daarom ook geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft bij de beoordeling hiervan kunnen betrekken dat eiseressen, na het overlijden van hun ouders, bij hun oma in Eritrea hebben samengewoond, tot het vertrek van eiseres 2 uit Eritrea in 2016. Daarbij heeft verweerder het van belang mogen achten dat de oma van eiseressen voor hen beiden de hoofdverzorger was. Ook na het vertrek van eiseres 2 uit Eritrea werd de primaire zorg en verantwoordelijkheid over eiseres 1 gedragen door hun oma, tot aan haar overlijden in 2019. Daarna is eiseres 1 door anderen, waaronder een (verre) tante verzorgd. Verweerder heeft verder bij zijn oordeel kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres 2 financieel of anderszins voor eiseres 1 heeft gezorgd en dat beide eiseressen inmiddels de meerderjarige leeftijd hebben bereikt. Verder is niet aangetoond dat eiseres 1 specifiek haar zus nodig heeft voor het herstel van haar gestelde psychische gezondheid. Ook heeft verweerder gewicht kunnen toekennen aan het tijdsverloop tussen de door eiseres 2 verkregen asielvergunning op 23 juli 2018 en de onderhavige mvv-aanvraag van 13 juni 2022 en kunnen overwegen dat dit afbreuk doet aan de stelling dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Voor zover eiseressen menen dat sprake is van een innige emotionele band, volgt de rechtbank verweerder ter zitting dat het invoelbaar is dat eiseressen hebben verklaard dat zij weer graag met elkaar herenigd worden, maar dat verweerder gelet op de omstandigheden die voorliggen voldoende heeft gemotiveerd dat van hechte persoonlijke banden geen sprake meer is.
6. Omdat verweerder heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden en daarmee ook geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, heeft verweerder niet over hoeven gaan tot het maken van een belangenafweging. [5] Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake, nu gesteld noch gebleken is van toezeggingen die verweerder daarover zou hebben gedaan of anderszins.
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseressen krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
8.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging voorlopig verblijf.
2.Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2024:1189.