ECLI:NL:RBDHA:2026:16232
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag buiten behandeling gesteld wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan contact
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man, diende op 4 maart 2024 een asielaanvraag in omdat hij niet in militaire dienst wilde. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser op 1 januari 2026 zonder toestemming en met onbekende bestemming Nederland had verlaten.
Eiser voerde aan dat hij op 10 december 2025 in Duitsland strafrechtelijk was aangehouden en vervolgens aan België was uitgeleverd, waar hij in voorarrest zat. Ondanks deze omstandigheden heeft eiser geen geldige reden gegeven voor zijn vertrek en heeft hij niet binnen twee weken contact opgenomen met de bevoegde autoriteiten, zoals vereist.
De rechtbank erkent dat eiser op het moment van vertrek in detentie zat, maar oordeelt dat dit hem niet ontslaat van de verplichting tot contact opnemen, zeker omdat hij wel contact had met familie. Eiser heeft ook nagelaten om tijdens de zitting zijn vertrek en detentie toe te lichten.
De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld en verklaart het beroep ongegrond. Eiser kan een nieuwe asielaanvraag indienen conform de Vreemdelingencirculaire. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag.